Sandra Kisters

DE WITTE RAAF

Editie 163 mei-juni 2013

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Letzte Bilder – Von Manet zu Kippenberger, Frankfurt

Kort voor hij in 1987 stierf aan de complicaties bij een galblaasoperatie maakte de Amerikaanse popartkunstenaar Andy Warhol (1928-1987) een serie werken gebaseerd op reproducties van Leonardo da Vinci’s Het Laatste Avondmaal. Hoewel de enorme zeefdrukken conform Warhols visie op kunst weinig diepgang vertonen, en naast Christus en de apostelen verwijzingen naar Camel sigaretten en andere reclames bevatten, lijkt de thematiek van het naderende einde niet toevallig gekozen. Of toch wel?

Het grote doek is een van de werken die door conservator Esther Schlicht zijn uitgekozen voor een tentoonstelling over de laatste werken van 14 grote westerse kunstenaars in de Schirn Kunsthalle in Frankfurt. Op de tentoonstelling zijn deze werken verdeeld over 7 ‘poëtische thema’s’, met steeds een presentatie van twee kunstenaars wier late werk een dialoog met elkaar aangaan. De eerste zaal is bijvoorbeeld gewijd aan het thema ‘doorwerken tot het einde’. Hier zijn late bloemstillevens van Eduard Manet (1832-1883) te zien, die op zijn 50ste stierf aan de gevolgen van syfilis, tegenover de grote geabstraheerde schilderijen die Claude Monet (1840-1926) in zijn weelderige tuin in Giverny maakte toen hij al hoogbejaard was en last had van staar. In beide gevallen is het opmerkelijk hoe levendig de werken zijn die werden gemaakt in het aangezicht van de dood.

Doorgaans werken de combinaties in Letzte Bilder prikkelend, zoals in de zaal waarin late schilderijen van Georgia O’Keeffe (1887-1986) tegenover een serie polaroids van de fotograaf Walker Evans (1903-1975) zijn geplaatst. Evans was verzwakt door een maagoperatie, maar kon door de lichte Polaroid SX-70 camera, die hij in 1973 aanschafte, toch nog werken en maakte een aantal opmerkelijke kleurenfoto’s van het Amerikaanse landschap: inzoomend op details als bewegwijzering, reclameborden of verlaten houten schuurtjes. O’Keeffe schilderde haar zogenaamde Sky above clouds-schilderijen nadat ze in de jaren 50 en 60 een aantal Trans-Atlantische vliegreizen had gemaakt. In eerste instantie doen de schilderijen vrij decoratief en plat aan, maar wanneer ze vanaf de zijkant worden bekeken, doemt er ineens een ronde zon op of een donzige wolkenstructuur. Deze serie vormde het laatste vernieuwende werk dat O’Keeffe maakte voordat ze door een ernstige oogaandoening niet meer kon schilderen. Het echte, laatste werk, zijn enkele kleine aquarellen die ze maakte toen ze bijna blind was, en waarmee ze terugkeerde naar het werk waarmee haar loopbaan was begonnen.

Andere combinaties op de tentoonstelling zijn lastiger. De confrontatie van Willem de Kooning en Henri Matisse onder de noemer ‘opnieuw beginnen in ouderdom’ roept vragen op. De Kooning begon niet zozeer opnieuw, maar kreeg Alzheimer en moest daardoor geassisteerd worden bij het schilderen. Over de schilderijen die hij in de jaren 80 maakte is hevig gediscussieerd; zijn dit nog autonome werken van de abstract-expressionistische schilder of gaat het om verzwakte versies van zijn eerdere werk? De schilderijen maken een krachteloze indruk, alsof de schilder eraan begon en het toen opeens niet meer wist. Matisse daarentegen, is alom geprezen om zijn late werk, al was ook hij door ziekte gedwongen om een andere techniek te hanteren. Hij maakte de enorme collages van knipsels deels vanuit zijn rolstoel.

De makers van de tentoonstelling hebben geprobeerd om op een lichtvoetige manier diverse kanten van het fascinerende fenomeen van het laatste werk en de zogenaamde Altersstil te presenteren. Uiteraard ontbreken de Black Paintings van Ad Reinhardt (1913-1967) niet, schilderijen waarin hij het einde van de abstracte schilderkunst onderzocht, of, zoals hij zelf zei: ‘I'm merely making the last painting which anyone can make.’ Zijn doeken krijgen het gezelschap van Bas Jan Aders In Search of the Miraculous (1975), een project dat eigenlijk uit drie delen zou bestaan, maar dat voortijdig stopte tijdens de realisatie van het tweede deel. Ader, die zijn eigen lichaam gebruikte in performances, films en fotoseries, vertrok vanuit Cape Cod naar Europa in een kleine zeilboot, maar raakte vermist op zee. Het is de vraag of de kunstenaar het risico van zijn eigen dood bewust heeft genomen. Op de tentoonstelling hangt de foto die zijn vrouw van hem maakte bij het vertrek; kan dit gelden als een ‘laatste werk’?

Uit de tentoonstelling wordt duidelijk dat er verschillende categorieën Letzte Bilder zijn. Laatste werken die bij de dood van de kunstenaar worden gevonden in het atelier, al dan niet voltooid, met Mondriaans Victory Boogie Woogie (1943-1944) als een van de meest fascinerende voorbeelden – jammer genoeg, maar begrijpelijk vanwege de fragiele toestand, ontbreekt dit werk. Een andere categorie is laat werk dat sterk verschilt van eerder werk omdat de kunstenaar fysieke of andere beperkingen heeft; in de tentoonstelling worden wat dit betreft werken van Alexej von Jawlensky en Stan Brakhage getoond, maar De Kooning en Matisse kunnen hier evenzogoed bij worden ingedeeld. Er is laat werk waarin kunstenaars nieuwe wegen inslaan, maar – en dit wordt niet uitvoerig belicht – er zijn ook veel kunstenaars waarbij het late werk eigenlijk een achteruitgang inhoudt, zoals bij Giorgio de Chirico (1888-1978) wiens late werk tegenover dat van Warhol hangt. Van Warhol wordt overigens gezegd dat zijn werk na de aanslag die Valerie Solanis op hem pleegde ook niet meer was wat het geweest was.

Letzte Bilder biedt een mooie introductie op het thema, maar de tentoonstelling blijft wat aan de oppervlakte. De keuze voor de kunstenaars bijvoorbeeld, lijkt wat arbitrair. Er zijn tal van andere boeiende voorbeelden te bedenken. Waarom hangt er tegenover Martin Kippenbergers (1953-1997) portretten van Jaqueline (Paintings Pablo Couldn’t Paint Anymore, 1996) bijvoorbeeld geen laat zelfportret van Picasso? Ook is er weinig aandacht besteed aan de cultus rondom het laatste werk, en aan de fascinatie bij het publiek voor het begin en het einde van een kunstenaarsloopbaan. Het is bovendien opmerkelijk dat een deel van de kunstenaars doorgaat met hun beeldend werk tot op zeer hoge leeftijd, alsof een kunstenaar nooit met pensioen gaat. Het bevestigt de mythe dat het werk een roeping is, het creatieve proces een innerlijke drang waaraan de kunstenaar moet beantwoorden, ook als lijf of geest het laten afweten.

De tentoonstelling maakt zo meteen benieuwd naar het boek dat Carel Blotkamp, emeritus hoogleraar moderne kunst van de Vrije Universiteit te Amsterdam, aan het schrijven is over The End. Blotkamp wil de mythologie rondom ‘het laatste werk’ ontrafelen en juist inzoomen op de receptie en beeldvorming van beroemde en minder bekende laatste werken. In de catalogus wordt er wel verwezen naar literatuur over het late werk van grote meesters van onder anderen Sandro Zanetti, Albert Erich Brinckmann en Edward Said, maar het onderwerp smaakt naar meer. Hoewel de Altersstil Blotkamp al langer bezig houdt – hij schreef er in 2000 een stuk over in De Witte Raaf – is het nu wellicht het uitgelezen moment om er dieper op in te gaan. Blotkamp loopt tegen de 70. Bestaat er eigenlijk zoiets als een Altersstil van kunsthistorici?

 

Letzte Bilder – Von Manet zu Kippenberger, tot 2 juni in de Schirn Kunsthalle Frankfurt, Römerberg, 60311 Frankfurt (069/29 98 82-0; www.schirn-kunsthalle.de).