Marc Goethals

DE WITTE RAAF

Editie 163 mei-juni 2013

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Nieuwe publicaties

J. Brouws / W. Burton / H. Zschiegner (red.). Various Small Books: Referencing Various Small Books by Ed Ruscha. London: MIT Press, 2013. 288 blz. ISBN 978-0-262-01877-7

De kunstenaarsboeken van Ed Ruscha uit de jaren 60 en 70 zijn iconisch en blijven intrigeren, ook voor een jonge generatie kunstenaars. Dit heeft ondertussen geleid tot de publicatie van tientallen kunstenaarsboeken die de stijl van Ed Ruscha imiteren. Dit nieuwe boek presenteert meer dan honderd van deze afgeleide kunstenaarsboeken, telkens uitvoerig afgebeeld en geannoteerd. Het vroegste boekje uit de lijst (afgezien van een toevallige Japanse voorloper uit 1954) is Burning Small Fires van Bruce Nauman uit 1968. Hierin documenteert Nauman de verbranding van een van Ruscha’s boekjes (Various Small Fires and Milk). Het overgrote deel van de hier gepresenteerde kunstenaarsboeken verscheen echter na 2000. Soms zijn het zuivere appropriations, maar er wordt ook gespeeld met de karakteristieke titels en typografie van Ruscha. Sommige kunstenaars vervangen Ruscha’s neutrale, urbane onderwerpen (tankstations, zwembaden, parkings…) door meer geladen beeldreeksen over pornobedrijfjes, militaire basissen… Andere kunstenaars pakken het wat luchtiger aan en tonen vogelnesten, winkelkarretjes of ongebakken koekjes. Enkele kunstenaars fotograferen de oorspronkelijke locaties opnieuw, vijftig jaar later, of plukken beelden van het internet via Google Earth. Elke kunstenaar heeft wel een nieuwe twist. Deze vrolijke compilatie toont hoe een subgenre ontstaat en zich ontwikkelt. Maar het besef dat deze kunstenaarsboeken bijna zeker ten prooi vallen aan de vluchtigheid van een rage bederft de pret.

 

Kristien Daem. N.8 – Ferrari 250 GTO – 1964. [Brussel]: Gevaert Editions, 2012. 24 blz. 12 afb. ISBN 978-2-930619-03-3

Enkele jaren geleden vond Kristien Daem een miniatuurbouwdoos op schaal 1:43 van de Ferrari 250 GTO. Deze sportauto is een klassieker uit de Ferraristal (zo zingt Iggy Pop over de ‘GTO’ in zijn bekende song Lust for Life). Ferrari assembleerde amper 39 exemplaren, tussen 1962 en 1964. Het schaalmodel kwam ongeveer gelijktijdig op de markt. In plaats van de onderdelen te lijmen, besloot Kristien Daem om ze te fotograferen en de beelden te ‘monteren’ in een boekje. Ze plaatste de deeltjes van het autootje een voor een op een lichtbak, en maakte er opnames van met een technische camera. Hierdoor zijn de objecten schaduwloos en de foto’s loepzuiver. De elf afbeeldingen werden vervolgens op schaal 1:1 gereproduceerd. Maar dat is niet alles: de bladzijden met afbeeldingen wisselen af met glanzende, Ferrari-rode bladzijden. De pieterige onderdelen van de modelauto verdrinken net niet in de weerschijn van de typische carrosseriekleur. Deze verrassende interactie drijft ook het ritme van de pagina’s op. De montage van het autootje volgt niet de logica van de bouwdoos, maar van de specifieke ruimte en sequens van de codex.

 

Kristien Daem. James T. Kirk. Selected Works. [Brussel]: Kristien Daem, 2013. 12 blz. 8 afb.

Zopas publiceerde Kristien Daem een tweede boekje dat een variant is van N.8 – Ferrari 250 GTO – 1964. Ditmaal fotografeerde ze de zeven onderdelen uit een bouwdoos van de figuur Captain James T. Kirk, het hoofdpersonage uit de sciencefiction-televisieserie Star Trek. De spierwitte onderdelen dienen te worden geschilderd door de knutselgrage koper. Kristien Daem fotografeerde ze elk afzonderlijk voor een achtergrond met kleurgradatie. Een lichtbron linksboven zorgt voor een subtiele schaduw. Met deze typische jaren 80-setting imiteerde ze de packshot op het deksel van de bouwdoos. In het zwart-witboekje zijn de zeven foto’s op de rechterpagina’s afgedrukt, de linkerpagina’s bleven stralend wit. Het boekje toont een aangenaam spel van witte en grijze tonen. Toch is het eenduidiger dan N.8 – Ferrari 250 GTO – 1964 en daar kan de ironische ondertitel Selected Works nauwelijks aan verhelpen.

 

Craig Dworkin. No Medium. London: The MIT Press, 2013. 224 blz. ISBN 978-0-262-01870-8

Van de Amerikaanse dichter en theoreticus Craig Dworkin verscheen zopas het boek No Medium. Het bevat zeven essays die handelen over het expliciet gebruik van wit, stilte en blanco pagina’s in de kunst, muziek en literatuur van de laatste honderd jaar. Voor alle duidelijkheid: dit boek gaat niet over monochrome schilderkunst, waarbij verf aangebracht wordt op een drager, maar over kunstwerken waarbij de dragers (doek, papier, lp, cd, filmpellicule) ongemoeid worden gelaten. Afhankelijk van de context en de periode waarin deze ‘witte’ kunstwerken verschenen, kunnen ze anders gelezen en geïnterpreteerd worden. Zo kan het ‘wit’ staan voor een nihilistische weigering (dada), het niet-zijn (Sartre), een tekort (Lacan), leegte, afwezigheid… Maar het kan ook een uiting zijn van protest of humor. Een opmerkelijk vroeg voorbeeld zijn de elf blanco pagina’s in het Amerikaanse poëzietijdschrift Little Review van september 1916, aangebracht door de uitgeefster Margaret Anderson. Het bekendste voorbeeld is 4’33” (1952) van John Cage waarbij een pianist een 4 minuten en 33 seconden lange stilte aanhoudt. De notoire kunsthistoricus Clement Greenberg schreef in de jaren 50 dat moderne kunst (en monochromie in het bijzonder) het medium zelf als onderwerp heeft. Craig Dworkin gaat een stap verder. Hij stelt in zijn nieuw boek dat het kunstwerk met een blanco drager het medium aantast en inwisselbaar maakt. Het medium is enkel nog een vorm van paratekst die noodzakelijk is om een geconceptualiseerd kunstwerk te duiden. Elk van de zeven essays behandelt een onderdeel van deze stelling. De besproken kunstwerken zijn vooral van Amerikaanse oorsprong, terwijl de auteur zijn filosofische mosterd haalt bij de Franse structuralisten. Tegelijk is hij zich goed bewust van een dosis patafysica in deze kunstwerken. Het boek eindigt met een hoofdstuk onder de titel Further Listening. Het bevat een uitvoerig geannoteerde discografie van meer dan zestig lp’s en cd’s. Voor liefhebbers van hardcore modernisme en moderne kunst biedt deze bundel nieuwe inzichten en vormt hij een dankbaar werkinstrument. De Andy Warhol Foundation zorgde voor de financiering.

 

herman de vries. infinity in finity. Rennes: Editions Incertain Sens, 2013. 20 blz. 1 afb. ISBN 978-2-914291-60-6. Audioversie: www.incertain-sens.org

De kunstenaar herman de vries (°1931) was een vertegenwoordiger van de Nederlandse Nul-beweging. Van 1958 tot 1966 gebruikte hij voor zijn schilderijen bijna uitsluitend witte verf. Ook zijn kunstenaarsboek wit (1962), waarvan onlangs een vierde druk verscheen, bestond enkel uit blanke pagina’s. Ondertussen is de Nul-beweging geschiedenis, maar herman de vries, die van opleiding botanicus is, bleef niet stilzitten. Hij liet zich vanaf de jaren 70 inspireren door de natuur en oosterse religie. In zijn recente kunstenaarsboek infinity in finity is te zien hoe deze krasse tachtiger consequent vasthoudt aan dat idioom. Het boekje opent met een kleurfoto van de zee. Midden in het weidse beeld zien we hoe de kleine, naakte figuur van herman de vries naar het water stapt. De zestien pagina’s die daarop volgen zijn aflopend bedrukt met tekst die enkel bestaat uit een herhaling van de woorden ‘infinity’ en ‘in finity’. Door de afwezigheid van een bladspiegel verkrijgt het tekstbeeld de weidsheid die ook de kleurfoto kenmerkt. Maar de inhoudelijke clou is te vinden in de spatie tussen de woorden ‘in’ en ‘finity’, die telkens open en dicht klapt. Die witte flikkering functioneert als een sein dat de oneindigheid poogt te vatten. De flikkerende spaties zijn ritmische stiltes waarin de oneindigheid opduikt. Het boekje is geniet en in een kartonnen kaft met flappen gewikkeld, wat overdreven is voor deze eenvoudige publicatie. Het werk is auditief te beleven op de website www.incertain-sens.org. Het werd ingesproken door Cees de Boer, herman de vries en Katharina Winterhalter.

 

Jeff Khonsary (red.). 4,492,040 (1969-74). Vancouver: New Documents, 2012. 358 kaarten, ISBN 978-1927354001

Tussen 1969 en 1974 organiseerde Lucy Lippard vier tentoonstellingen die als titel een getal meekregen: 557,087 (Seattle), 955,000 (Vancouver), 2,972,453 (Buenos Aires) en c.7,500 (Valencia, California). De getallen staan voor het aantal inwoners van de steden waar de tentoonstellingen plaatsvonden. Lucy Lippard presenteerde vooral jonge minimalisten en conceptuelen, maar ook kunstenaars uit de zogenaamde Land Art of Earth Art. Zowat alle belangrijke kunstenaars uit deze stromingen participeerden. De catalogi bij deze tentoonstellingen bestonden telkens uit een stapeltje steekkaarten verpakt in een envelop. Elke kunstenaar kreeg één steekkaart ter beschikking om zijn of haar werk te presenteren of te documenteren. Zelf zegt Lucy Lippard hierover: ‘The cards could be randomly shuffled, rearranged by preference, or discarded in bits en pieces… The card catalogues were sort of a collaborative collage with the artists – not glued down, but flexible, changing, openended, unpredictable.’ De destijds spotgoedkope catalogi ($3,-!) zijn nu, veertig jaar later, dure verzamelobjecten geworden. De authentieke inhoud, het historisch belang en de zeldzaamheid van de card catalogues zijn wellicht de belangrijkste argumenten geweest voor deze facsimile uitgave, die vormelijk wel behoorlijk afwijkt van het origineel. De vier catalogi zijn verzameld tot één stapel steekkaarten, verpakt in grijs inpakpapier, en kregen de titel 4,492,040 mee, wat de optelsom is van de respectievelijke titels. Inhoudelijk is het pakket aangevuld met een korte nabeschouwing van Lucy Lippard. Daarin vertelt ze enkele petites histoires en vraagt ze zich af hoe het komt dat deze card catalogues na veertig jaar nog steeds aantrekkelijk zijn. Ze vermoedt enige nostalgie, maar beseft ook dat de DIY-benadering (die overigens gepaard ging met de steun van grote kunstinstellingen) veel jonge kunstenaars aanspreekt. Ze besluit: ‘Forty-odd years later, in such a changed aesthetic and political context, something in the cards remains relevant.

 

Petra Stegmann (red.). ‘The Lunatics are on the Loose’. European Fluxus Festivals 1962-1977. Potsdam: Down With Art!, 2012. 592 blz. ISBN 978-3-9815579-0-9

Fluxuskunstenaars wilden het gat tussen kunst en leven dichten. Hiertoe organiseerden ze onder andere concerten waarbij provocatie, experiment, toeval en publieksparticipatie belangrijke aandachtspunten waren. Niettegenstaande George Maciunas (1931-1978) Fluxus oprichtte in New York (1962) hadden de concerten vooral plaats in Europa. Deze publicatie documenteert voor het eerst 32 Europese concerten waarvan er vier in Nederland plaatsvonden. Van elk concert worden zowel de voorbereidingen, de programmering als de uitvoering gedetailleerd beschreven. Ook de internationale netwerken worden telkens blootgelegd. Bekende kunstenaars die op de podia te zien waren, zijn onder anderen Eric Andersen, Wolf Vostell, Robert Filliou, George Brecht, Nam June Paik, Willem de Ridder, Ben Patterson en Ben Vautier. Deze kunstenaars voerden niet alleen eigen werk uit, maar vertolkten ook partituren van John Cage, György Ligeti, Allan Kaprow, Terry Riley en vele anderen. Soms was het publiek geamuseerd, maar af en toe ontaardden de provocaties in vechtpartijen waarbij de politie moest optreden. De titel van deze publicatie The Lunatics are on the Loose (‘De gekken zijn uitgebroken’) is afkomstig van een verontwaardigde toeschouwer die deze commentaar in 1962 kriskras over een Fluxusstraataffiche schreef. Sabine Hoffmann, de vormgeefster van het boek, heeft een poging gedaan om deze publicatie te ontwerpen in de stijl van Fluxus. Ze liet de 592 bladzijden in de linkermarge perforeren en met een zwart touw samenbinden, waardoor het boekblok losjes aan elkaar hangt. Drie pagina’s errata en een oproep van de uitgever tot nieuwe getuigenissen zijn eveneens met een touwtje bevestigd. Deze alternatieve binding geeft het boekobject een nonchalant, experimenteel karakter. De teksten zijn gezet in een schreefloos, vet lettertype, maar door de grote interlinie blijft het toch aangenaam lezen. De vele voetnoten en illustraties zijn telkens na de teksten geplaatst, waardoor de lezer veel bladerwerk heeft. Dat veroorzaakt irritatie. Na de lectuur is het boek helemaal ‘doorleefd’, zij het wellicht onvoldoende om de goedkeuring te krijgen van George Maciunas. Het is zelden een goed idee om een kunstboek te publiceren in de stijl van het behandelde artistieke onderwerp. Dergelijke publicaties vervallen snel tot namaak, camp of nostalgie. Maar inhoudelijk bevat deze publicatie voldoende pertinente informatie om onmisbaar te zijn in een goed gedocumenteerde Fluxusbibliotheek.