Merel Van Tilburg

DE WITTE RAAF

Editie 164 juli-augustus 2013

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Dynamo

Dynamo is een van de meest ambitieuze tentoonstellingen die recent in het Grand Palais werden gepresenteerd. Men is meerdere uren onderweg om het werk van de honderdvijftig kunstenaars te bekijken op een oppervlakte van 3700 vierkante meter. Twee historische stromingen vormen het uitgangspunt; enerzijds de zogenaamde kinetische kunst, die in 1955 in Parijs werd ingeluid met de tentoonstelling Mouvement in de Galerie Denise René, met kunstenaars als Tinguely, Calder of Vasarely; anderzijds de optische kunst of Op Art, met als institutioneel hoogtepunt de tentoonstelling The Responsive Eye in het MoMA in 1965.

Kinetische en optische kunst worden in Dynamo echter geenszins historisch gepresenteerd. Bij binnenkomst wordt de toon direct gezet door een opeenvolging van recente installaties van John Armleder, Philippe Decrauzat en Carsten Höller, waarin respectievelijk flikkerend tl-licht, geometrische trompe-l’oeilpatronen en keiharde elektronische geluiden en stroboscopisch licht een destabiliserend effect hebben op de waarneming. Verdere installaties in deze spectaculaire ‘ouverture’ zijn een roterende carrousel van spiegelende lamellen van Jeppe Hein en enkele atmosferische ruimtevullende kunstwerken, waaronder Bluette, een werk met artificiële mist van Ann Veronica Janssens. In het vervolg blijkt dat deze intro zowel het beperkte formele palet van de hele tentoonstelling als de inhoudelijke insteek van de curatoren aankondigt. ‘Een eeuw aan licht en beweging in de kunst’ concentreert zich op de motorische en perceptuele provocatie en destabilisering van de bezoeker, om, zoals blijkt uit de citaten die her en der op de muur te lezen zijn, de ‘perceptuele instabiliteit’ van de werkelijkheid te benadrukken.

De invulling van dit fenomenologische en bij vlagen welhaast esoterische concept is van encyclopedische omvang, maar mist de inhoudelijke duidelijkheid en visuele overzichtelijkheid van een encyclopedie. De bovenste verdieping draagt als overkoepelend thema ‘vision’ en de benedenverdieping ‘espace’. Dat het meer voor de hand liggende ‘mouvement’ niet is gekozen, ligt in de lijn van de keuze voor ruimtelijke installaties en sculpturen die niet per se zelf bewegen, als wel een atmosferisch of perceptueel effect hebben op de ervaring van ruimte, met als duidelijkste voorbeeld een lichtinstallatie van James Turrell.

De twee delen van de tentoonstelling zijn verder onderverdeeld in zestien thema’s, wederom zonder historiserende intentie, en volgens het persbericht ‘puur plastisch en visueel’ gekozen. Een greep uit de poëtische, maar weinig structurerende en vaak onderling inwisselbare titels toont dat deze eerder zijn gericht op de perceptuele en zelfs psychologische ervaring: ‘het immateriële’, ‘interferenties’, ‘immersie’, ‘flikkering’, ‘leegte’, ‘instabiliteit’, ‘mist’, ‘afgrond’, ‘krachtvelden’, ‘halo’, ‘maelström’, en ten slotte, het eerder iconografische dan rein visuele of plastische slotthema, ‘hemels’. Wie zich verdiept in de zaalteksten die de thema’s verklaren, ontwaart inderdaad enige logica – al is die vaker wel dan niet gelardeerd met subjectiviteit. Het feit dat men vergelijkbaar werk van eenzelfde kunstenaar of stijl terugvindt in verschillende secties draagt niet bij tot de helderheid.

Wat de tentoonstelling vooral biedt is een overdonderende hoeveelheid kunstwerken die spelen met de conditionering van onze visuele en ruimtelijke perceptie. Het leeuwendeel van de werken is geproduceerd in de jaren 50 en 60. Ruim vertegenwoordigd zijn enerzijds de vaak in zwart-wit uitgevoerde geometrisch-abstracte opart-schilderijen van kunstenaars als Bridget Riley, waarin wordt gespeeld met geometrisch perspectief. Dit principe wordt dan weer voortgezet in sculpturen, schilderijen en installaties van François Morellet en Philippe Decrauzat. Anderzijds is er een overvloed aan vaak in plexiglas uitgevoerde sculpturen en installaties in primaire kleuren. Ze zijn doorzichtig of spiegelend, ze spelen met elektrisch of natuurlijk licht. Ze bewegen zelf (Julio Le Parc), of men kan zich erdoorheen begeven (Jésus Rafael Soto, Yayoi Kusama); of men kan door de sculptuur beweging waarnemen, van bijvoorbeeld andere bezoekers.

Nadat alle zestien thema’s zijn behandeld, volgt nog een bescheiden historische sectie met ‘voorlopers’ uit het begin van de 20ste eeuw. Hier vinden we bijvoorbeeld vroege abstracte films van onder anderen Hans Richter en Viking Eggeling. Hoogtepunt is een roterende sculptuur van Marcel Duchamp uit 1920, Rotative. Plaque-verre, die echter niet draait omdat de glazen schijven van de machine eraf kunnen vliegen, met mogelijk desastreuze gevolgen voor de bezoeker of voor de omringende kunst. Het is de enige duistere noot in een al te vrolijke tentoonstelling.

In Dynamo’s spectaculaire kakofonie – naar verluidt door kinderen zeer gewaardeerd – is het niet eenvoudig om de aandacht op een enkel werk te richten. Toch zijn er veel werken van grote interesse. Onder de werken die speciaal voor de tentoonstelling zijn gemaakt verdient vooral dat van Felice Varini de aandacht: in de zuilengalerij op de zijgevel van het Grand Palais bracht hij met oranje plakband een immens cirkelpatroon aan, dat op slechts één plek in correct geometrisch perspectief is te zien – een anamorfose. Ook een aantal oudere werken houdt zich staande, zoals bijvoorbeeld twee sculpturen van Alexander Calder en Hans Haacke die een subtiel evenwichtsspel suggereren. Verrassingen zijn er ook. In een ruimte met lichtsculpturen blijkt de oranje gloed op een ragdunne ijzeren draad in het werk Warmte van Jan van Munster inderdaad behoorlijk wat warmte af te geven. Maar zelfs de retinale pauzemomenten kunnen niet verhinderen dat men na afloop het gevoel heeft uit een vibrerende kermisattractie te stappen.

 

Dynamo. Un siècle de lumière et de mouvement dans l'art 1913-2013, tot 22 juli in het Grand Palais, 3 Avenue du Général Eisenhower, 75008 Paris (01/44.13.17.17; www.grandpalais.fr).