Kees Keijer

DE WITTE RAAF

Editie 164 juli-augustus 2013

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Larry Bell and Sarah Crowner, Meet Marlow Moss

In een tijd waarin kunstruimtes liefst zo groot en spectaculair mogelijk zijn is het een verademing om te zien dat ook op een paar vierkante meters iets bijzonders tot stand kan worden gebracht. Kunstverein programmeert tentoonstellingen in een klein winkelpandje in de Amsterdamse Pijp. Kunstverein is, naar het Duitse model, een vereniging met een ledenstructuur die activiteiten ontplooit op de scheidslijn tussen privé en publiek. De ruimte wordt ook gebruikt als een soort salon voor lezingen of performances. Daarnaast maakt Kunstverein publicaties. Hier geen A4-tje bij de ingang en een medewerker die achter een balie naar een computerscherm zit te staren. Bezoekers krijgen een persoonlijke toelichting op de tentoonstelling en kunnen desgewenst aan een tafel publicaties inzien.

Kunstverein heeft in het verleden veel aandacht besteed aan kunstenaars, vooral uit de Verenigde Staten, die in de jaren 60 en 70 bekend werden, maar daarna in Europa in de vergetelheid raakten. Larry Bell and Sarah Crowner, Meet Marlow Moss paste in die jonge traditie. De tentoonstelling bracht werk van drie kunstenaars bij elkaar in een totaalinstallatie, als een ode aan de geometrisch-abstracte kunst uit de 20ste eeuw.

De kern werd gevormd door een aantal werken van Larry Bell (1937), een kunstenaar die in de jaren 60 nogal van zich deed spreken. Hij werd met tal van kunstbewegingen in verband gebracht, zoals de Light and Space Movement uit Los Angeles. Hoewel het Stedelijk Museum een werk uit 1969 van hem aankocht, bleef hij in Europa in de decennia daarna zo goed als onzichtbaar, tot in 2011 een retrospectief van zijn oeuvre werd georganiseerd in het Musée d’Art contemporain de Nîmes.

Bell werd in de jaren 60 bekend met reeksen glazen kubussen die meestal op transparante voetstukken staan. Zijn minimalisme maakte grote indruk op kunstenaars en architecten. Frank Gehry verklaarde dat een glazen muur en een trap in Bells huis hem tot voorbeeld dienden. In 1967 werd Bell opgenomen op de beroemde hoes van The Beatles’ Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band, toch ook een indicatie dat hij destijds een zekere reputatie genoot. Dan Graham verklaarde in 2009 tijdens een tentoonstelling in het MOCA Los Angeles dat Bell belangrijk voor zijn ontwikkeling was. ‘I was influenced by Bell’s use of two-way mirror glass. He was the first artist using it, although I was not as interested in pretty colors.’ De conceptuele benadering van Graham vertoonde verder uiteraard weinig overeenkomst met Bells aandacht voor de picturale werking van zijn glazen objecten. Bell was vooral ook geïnteresseerd in de relatie van objecten tot het bewegende menselijk lichaam. In een serie foto’s die hij maakte met een panoramacamera legt hij  bewegende figuren vast, wat tot foto’s leidt met een soort lachspiegeleffect.

Maar vreemd genoeg waren de glazen sculpturen van Larry Bell niet in Kunstverein te zien. In plaats daarvan was een minder bekend werk zonder titel uit 1967 opgenomen, een schilderij waarin een spiegelende kubusvorm is geïntegreerd. De overige werken waren van latere datum en leken op het eerste gezicht van de hand van een andere kunstenaar. Toch hanteert Bell voor deze werken op papier dezelfde techniek als waarmee hij zijn glazen kubussen van een dunne metalen coating voorzag. Een houten stoel met nogal uitgezakte leren kussens bleek eveneens een ontwerp van Bell, die sinds het begin van de jaren 80 meubels ontwerpt.

Sarah Crowner (1964), die in haar werk vaak reflecteert over de erfenis van het modernisme, toonde twee schilderijen met als titel Corner Painting for Larry (2013), die speciaal voor de ruimte gemaakt waren en er door hun afmetingen perfect pasten. Deze werken konden gezien worden als een antwoord op de kubussen van Bell. Crowner was ook verantwoordelijk voor de veelkleurige wanden, het blauwe tapijt en de knalgele leestafel. In het spiegelende werk van Bell waren de schilderijen van Crowner te zien en omgekeerd viel een reflectie van Bells werk op dat van Crowner. De ingrepen van Crowner maakten van de tentoonstelling een totaalervaring.

Een schilderij van Marlow Moss (1889-1958) was als historische toevoeging opgenomen in de tentoonstelling. Moss’ oeuvre wordt, meer nog dan dat van Bell, omgeven door misverstanden. Dat blijkt ook uit de publicatie die ter gelegenheid van de tentoonstelling verscheen en die helemaal aan Moss is gewijd. Het boekje is een droge opsomming van de onduidelijkheden en vergissingen over haar leven en werk. Hoeveel namen ze had. Met wie ze correspondeerde. Wie haar partners waren. Welke schilderijen van haar bekend zijn. Hoe haar huisdier heette. Was zij een epigoon van Mondriaan, zoals vaak beweerd werd? Het schilderij dat in Kunstverein hing, kwam uit de collectie van de Vleeshal in Middelburg. Het heeft een typisch Mondrianesque compositie. De verdubbeling van lijnen is echter een vondst van Moss, die door Mondriaan werd overgenomen. Maar het blijft vaag hoe dat precies gegaan is en wat precies de betekenis van de dubbele lijn voor Moss’ eigen oeuvre is, dat grotendeels verloren is gegaan.

 

Larry Bell and Sarah Crowner, Meet Marlow Moss, 20 april – 22 juni, Kunstverein, Gerard Doustraat 132, 1073 VX Amsterdam (020/331.32.03; www.kunstverein.nl).