Sandra Kisters

DE WITTE RAAF

Editie 166 november-december 2013

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Oskar Kokoschka. Mensen en beesten

Het is van 1958 geleden dat van de Oostenrijkse kunstenaar Oskar Kokoschka een tentoonstelling plaatsvond in Nederland, toen ook al in het Museum Boijmans Van Beuningen. Het initiatief voor de huidige grote retrospectieve komt van gastconservator Beatrice von Bormann, die eerder de succesvolle tentoonstelling Max Beckmann in Amsterdam maakte voor het Van Gogh Museum. Ook voor Kokoschka lijken de bezoekers in groten getale op te dagen, waarbij velen zich in groep laten rondleiden.

Kokoschka brak in het Wenen van Sigmund Freud door met nerveuze psychologische portretten van figuren uit de culturele en maatschappelijke elite. De nadruk ligt op de periode die loopt van 1904, wanneer Kokoschka gaat studeren aan de progressieve Weense Kunstgewerbeschule, tot de jaren 30, wanneer hij door de opkomst van het nationaalsocialisme genoodzaakt is te vluchten. De jaren tussen de Tweede Wereldoorlog en zijn dood in 1980 krijgen relatief weinig aandacht. Kokoschka werd 94 en had eind jaren 40 de belangrijkste ontwikkelingen in zijn werk reeds doorgemaakt. Bovendien ging hij niet met zijn tijd mee. Hij zette zich af tegen de kunst van de abstract expressionisten en had weinig op met ‘experimenten’ in de naoorlogse moderne kunst.

De tentoonstelling is thematisch/chronologisch ingedeeld, met als thema’s ‘Kunststudent’, ‘Kring rond Loos’, ‘Der Sturm’, ‘Dresden’, ‘Alma’, ‘Kinderen’, ‘Dieren’, ‘Politiek’, en tot slot een ‘Epiloog’. Deze thema’s worden geïntroduceerd middels ronde kiosken op grote cirkelvormige rode tapijten. Ze refereren aan de stadskiosken van de vroege twintigste eeuw en bevatten grote zwart-witfoto’s van de kunstenaar of zijn grote liefde Alma Mahler, waar de inleidende teksten overheen zijn gezet. Bovenop de kiosken worden de thema’s in zwierige gouden letters aangekondigd. De sfeervolle aankleding maakt de omvangrijke, doorgaans problematische tentoonstellingsruimte warmer en intiemer, maar contrasteert ook scherp met het radicale imago van de kunstenaar.

Hoewel de titel suggereert dat de tentoonstelling een tweedeling bevat tussen portretten van mensen en dieren is slechts een van de 9 thema’s aan dieren gewijd. Het Boijmans bezit met De mandril (1926), geschilderd in de dierentuin van Londen, een van zijn opmerkelijkste dierenschilderijen. Interessant is dat het thema dieren tegenover het thema kinderen is geplaatst. De dieren zijn krachtig en kleurrijk geportretteerd, en de kinderen dromerig en zacht. Veel moderne kunstenaars zochten inspiratie in zogenaamde primitieve culturen, maar koppelden het primitivisme tevens aan het dierlijke en de kinderlijke onschuld of puurheid.

Uit de loopbaan van Kokoschka kunnen we opmaken hoe belangrijk het is om goede contacten te hebben in de kunstwereld. De modernistische architect Alfred Loos ondersteunde hem financieel en introduceerde hem bij talrijke invloedrijke personen zoals Herbert Walden, de oprichter van het kunsttijdschrift en later de kunstgalerie Der Sturm (1910 en 1912), terwijl de kunsthandelaar Paul Cassirer het in de jaren 20 mogelijk maakte dat Kokoschka kon rondreizen. In de tentoonstelling worden voorts veel verbanden gelegd tussen Kokoschka’s leven en zijn werk, zoals de invloed op zijn schilderijen van zijn obsessionele liefde voor de weduwe van Gustav Mahler, die hem tegen het begin van de Eerste Wereldoorlog in de steek liet voor de modernistische architect Walter Gropius. Overigens liet Kokoschka na de beëindiging van hun relatie een grote stoffen pop naar haar evenbeeld maken, een pop die moest dienen als model, maar die hij ook als substituut voor Alma naar het theater meenam. Dikwijls zijn psychobiografische benaderingen van een oeuvre vergezocht, maar in het geval van Kokoschka lijken ze enigszins gerechtvaardigd, omdat hij zelf deze verbanden benadrukte. Zo schreef hij over zijn (zelf)portretten: ‘Ik ben ermee tevreden dat ik portretten schilder omdat ik het kan en daarin mijn weg naar het menselijke zie, een spiegel die mij toont wanneer en waar en wie en wat ik ben.’

De biografische benadering wordt onderstreept door de documentaire film van Hennes Reinhardt Oskar Kokoschka – Ein Selbstporträt (1966) die integraal wordt vertoond, maar waarvan ook fragmenten terugkomen in de audiotour en zelfs in een nogal curieus vraaggesprek met ‘Bregje van der Laar’ in een voor Boijmans gemaakte productie van Els Hoek. Kokoschka leidde een veelbewogen leven. Naast een aantal stormachtige affaires maakte hij twee wereldoorlogen mee. In de Eerste Wereldoorlog meldde hij zich vrijwillig aan voor de cavalerie en hij keerde zwaargewond en getraumatiseerd terug van het front. Nog voor de Tweede Wereldoorlog zich aandiende, en voordat zijn werk in 1937 op de beruchte Entartete Kunst-tentoonstelling werd getoond, vluchtte hij naar Praag en later naar Londen. Hij zou nooit naar zijn vaderland terugkeren. Zijn oude dag bracht hij door in Zwitserland. Zijn kritische politieke houding wordt geïllustreerd door een zelfportret uit 1937 en het schilderij Het rode ei (1940-41), een allegorie op de mislukte pacificatiepoging van Chamberlain. De tentoonstelling eindigt met zijn laatste zelfportret (1971-72), waarin hij lijkt te anticiperen op zijn aanstaande ontmoeting met de dood.

Kokoschka was een hartstochtelijke man en een gepassioneerde schilder. Met zijn portretten wilde hij onder de huid van zijn modellen kruipen, en hun innerlijke ziel of aura, zoals hij dat noemde, blootleggen. Het is allemaal op te maken uit de tentoonstelling, maar toch blijft het radicale karakter van zijn werk onderbelicht. De indruk wordt haast gewekt dat hij zich na de jaren 20 niet veel meer heeft ontwikkeld. Het is vooral het vroege werk dat de aandacht trekt, zoals het portret van Loos (1909) of het dubbelportret van Mardersteig en Heise (1919), eveneens in de collectie van het museum, en de illustraties die hij in opdracht van de Wiener Werkstätte maakte voor sprookjes als Hert, vos en tovenaar (1907) of Die träumenden Knaben (1908). Deze kleurenlitho’s in rood, blauw, groen en geel zien er nog steeds fris en helder uit, alsof ze net van de pers zijn gerold.

 

Oskar Kokoschka. Mensen en beesten, tot 19 januari 2014 in het Museum Boijmans Van Beuningen, Museumpark 18-20,
 3015 CX Rotterdam (010/441.94.00; www.boijmans.nl).