Herman van Bergeijk

DE WITTE RAAF

Editie 166 november-december 2013

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

F.P.J. Peutz

Sedert jaren publiceert de Stichting BONAS (Bibliografieën en Oeuvrelijsten van Nederlandse Architecten en Stedebouwkundigen) een reeks monografische studies over belangwekkende Nederlandse architecten. Onlangs is daar een aflevering door Rosa Visser-Zaccagnini aan toegevoegd over een van de meest raadselachtige, maar misschien daarom ook meest moderne architecten: Frederikus Petrus Josephus Peutz. De op 7 april 1896 in het hoge noorden (Uithuizen in de provincie Groningen) geboren Peutz doorliep de lagere school in zijn geboortedorp, maar werd daarna naar het internaat in de abdij Rolduc in Kerkrade gestuurd. Vervolgens ging hij studeren in Delft en vertrok nog voordat hij zijn studie had beëindigd terug naar Limburg. Daar kon de katholieke Peutz zich ten volle ontplooien. Slechts sporadisch had hij projecten buiten die perifere provincie.

Een enorme verscheidenheid kenmerkt het werk van Peutz. Het lijkt er soms op dat zijn werken door verschillende architecten zijn ontworpen. Het natuurstenen raadhuis van Heerlen laat zich moeilijk vergelijken met het neoklassiek aandoende gemeentehuis van Tegelen – of met het glazen warenhuis Schunck, of met de Heilige Moeder Annakerk, beide eveneens in Heerlen. En dan hebben we het nog niet over de vele woonhuizen en andere kerken. Er valt behalve een grote zorgvuldigheid geen eenduidig handschrift te herkennen. Het exterieur kan geheel verschillend van aard zijn dan het interieur.

In het verleden hebben uiteenlopende auteurs gepoogd om Peutz op een noemer te brengen. Hij geldt als eclecticus, postmodernist avant la lettre, functionalist en ‘verborgen classicist’ (A. Boeken in 1948). Het boek van Visser-Zaccagnini geeft een goede indruk van zijn veelzijdigheid in het vinden van steeds andere uiterlijke verschijningsvormen en in het brede scala van opdrachten die hij kreeg. Niettemin probeert ook zij Peutz te categoriseren. Ze noemt hem een romantisch-rationalist. Hij wordt zelfs tot de Delftse School gerekend, wellicht omdat hij in Delft gestudeerd heeft of omdat hij katholiek was.

Is het niet beter om uit te gaan van de tegenstrijdigheden in het werk van Peutz? Hij beweegt zich vaak op de grens tussen de stijlen, waarbij er soms een contaminatie lijkt plaats te vinden. Daarbij lijkt hij zich te laten inspireren door de genius loci, de geest van de plek, die hij vervolgens in zijn werk tot uiting wil brengen. De geschiedenis van de locatie en de bedoelingen van de opdrachtgever informeren hem bij de uiteindelijke keuze van de verschijningsvorm, die steeds de uitkomst is van een lange zoektocht. Dit maakt Peutz even bijzonder als ‘schizofreen’. Met die laatste term zal Visser-Zaccagnini het allicht moeilijk hebben, gezien haar commentaar op het boek van Joseph Buch, wiens visie volgens haar ‘wordt vertroebeld door enkele onnauwkeurige waarnemingen’, en gezien haar poging om het werk van Peutz als eenheid te presenteren. Systematisch wist Visser-Zaccagnini alle tegenstrijdigheden in het oeuvre uit. Tegelijkertijd gebruikt ze met groot gemak termen als supermodern, futuristisch en maniëristisch. Haar kritiekloze aanpak komt onder meer tot uiting in de volgende zin: ‘Architectuur was volgens Peutz niet de moeder van alle kunsten. Daarvóór kwamen de schilderkunst en de beeldhouwkunst.’ Deze hiërarchische opvatting blijkt nergens uit. De auteur neemt een bewering over uit een verslag van een lezing van Peutz uit 1950, maar stelt die vervolgens niet aan de orde. Het werk van Peutz laat eerder vermoeden dat hij wel degelijk een grotere betekenis aan de architectuur gaf ten opzichte van de andere kunsten, zoals overigens de meeste architecten deden.

Reeds in 1981 publiceerden Wiel Arets, Wim van den Bergh en William Graatsma een overzicht van het werk van Peutz. Na jaren van stilzwijgen werd er weer aandacht aan hem geschonken. Het plaatwerk in de uitgave was opvallend: Peutz’ werk werd met grote afbeeldingen geïntroduceerd. Visser-Zaccagnini spreekt een curieus oordeel over deze publicatie uit: ‘Het boek is rijk aan primaire bronnen en heeft een hagiografische toon.’ Volgens haar was dat ‘begrijpelijk in de context van de tijd’. Die opmerking is vooral vreemd aangezien het in haar eigen studie niet aan lof ontbreekt voor Peutz. Zo ontdoet ze de figuur van allerlei vage politieke smetten (eerdere auteurs hadden gewezen op een mogelijke beïnvloeding door de architectuur van het Italiaanse fascisme, hetgeen overigens niet betekent dat Peutz ook een voorstander was van deze politieke beweging). Haar uitvoerige inleiding besluit ze als volgt: ‘Peutz, een moedig mens met boeiende en verrassende architectuur, verdient dat Nederland trots op hem wordt en de schoonheid van zijn werk op locatie aanschouwt.’

De auteur had daarbij meteen best ook nadrukkelijk aandacht gevraagd voor Peutz’ curieuze omgang met de lokale geschiedenis, voor het zeer specifieke karakter van elk werk, dat met telkens andere criteria moet worden beoordeeld. De uitgebreide oeuvrecatalogus biedt gelukkig wel de mogelijkheid om die specificiteit te doorgronden.

Zelf stelde Peutz reeds in 1928 dat hij door ‘omvormen’ tot ‘stijl’ wilde komen, maar dat de vorm ‘zonder meer, maar een détail, een ondergeschikt deel van de omsluiting van de omvorming’ is. Twintig jaar later beweerde hij: ‘Limburg is een eilandje gebleven van Latijnse invloeden’ en waarschijnlijk heeft hij dat met de klassiek aandoende zuilen aan de zijkant van het raadhuis van Heerlen willen aangeven. Uiteindelijk zullen we moeten concluderen dat Peutz een ‘Latijn sprekende’ tussenfiguur is, die nooit stijlvast wilde zijn en uit de meest uiteenlopende bronnen inspiratie wist te putten. Hij is niet modern en niet klassiek. Die tegenstrijdige veelzijdigheid siert deze meester, maar valt voor de dogmatische denkende Nederlander soms moeilijk te verteren. We hebben meestal slechts oog voor zijn modern uitziende gebouwen als het glaspaleis in Heerlen en kunnen met zijn ander werk nauwelijks uit de voeten. Ondanks de problematische kanten van Visser-Zaccagnini’s betoog, laat dit boek zien dat ook dat andere werk enorm omvattend, rijk en gevarieerd is.

 

• Rosa Visser-Zaccagnini (m.m.v. Harry Broekman), Architect F.P.J. Peutz (1896-1974). Romantisch rationalist, Rotterdam, Stichting BONAS en Het Nieuwe Instituut, 2013. Adressen: Stichting BONAS, Museumpark 25, 3015 CB Rotterdam (010/440.12.18, www.bonas.nl); Het Nieuwe Instituut, Museumpark 25, 3015 CB Rotterdam (010/440.12.00; www.hetnieuweinstituut.nl).