Merel Van Tilburg

DE WITTE RAAF

Editie 167 januari-februari 2014

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

1925, Quand l’Art Déco séduit le monde

De art deco bezet een curieuze plaats in de kunstgeschiedenis. Tot op heden trekt de stijl minder belangstelling dan haar voorganger, de art nouveau, en dan de meer ‘moderne’ Europese bouw- en designbewegingen tijdens het interbellum, zoals het Bauhaus of De Stijl. In eerste instantie was de art deco een volledig Frans verschijnsel, dat in de naoorlogse receptie in de schaduw stond van Le Corbusiers Esprit Nouveau-architectuur. Deze werd in 1925 aan het grote publiek gepresenteerd in de vorm van het Pavillon de l’Esprit Nouveau, op de Exposition internationale des arts décoratifs et industriels modernes. Het is precies deze tentoonstelling die het uitgangspunt vormt voor de tentoonstelling 1925, Quand l’Art Déco séduit le monde. De dominante stijl in de architectuur en interieurs van de Franse paviljoens op deze enorme Parijse expositie was namelijk de art deco. Bovendien vormde dit moment het startpunt voor de wereldwijde verspreiding van de art deco, al kwam de benaming pas op in de jaren zestig.

De tentoonstelling begint al in de entreehal van het Palais de Chaillot, waar de link tussen art deco en industrie wordt gesignaleerd door een Bugatti die staat opgesteld voor een monumentale muurschildering van Jean Dupas, in 1925 gemaakt voor het paviljoen van Bordeaux. Het werk is een allegorie van de wijnproductie. De enorme, neoclassicistische, witte figuren, voornamelijk vrouwelijk en blond, voeren wijngerelateerde bezigheden uit. Het zijn moderne composietfiguren, met sculpturale aspecten. Ze hebben iets van de etalagepop, maar verwijzen evengoed naar Bourdelle, Maillol, Ingres, Michelangelo en het maniërisme. Ook Picasso beleefde in deze jaren een retour à l’ordre. Het overwegend zwart-wit-rode werk wekt een akelige indruk, maar dat heeft mogelijk alles te maken met de omarming van dergelijke monumentale schilderstijl door abjecte politieke regimes buiten Frankrijk.

Na deze introductie volgt een tweede, meer didactische inleiding, in de vorm van een korte serie juxtaposities van beeldmotieven en objecten die de verschillen verduidelijkt tussen art nouveau (golvend, organisch) en art deco (geometrisch, gesimplificeerd, industrieel).

De tentoonstelling is vervolgens opgedeeld in zeven secties. In de eerste zaal worden de belangrijkste Franse art-decoarchitecten en -designers geïntroduceerd middels portretten en typische motieven en objecten. Direct wordt een belangrijk aspect van het art-decodesign benadrukt: het samenwerken om een coherent ensemble te creëren. Verderop in de tentoonstelling worden deze decoratieve ensembles uitvoeriger behandeld met foto’s en gedeeltelijk gereconstrueerde interieuropstellingen.

De uitgebreide tweede sectie richt zich op de sociaal-historische context van de art deco en probeert vooral de moderniteit van de stijl te benadrukken. Uitgelicht zijn de rol van de ‘moderne’ vrouw die art deco en industrialisatie omarmde, zowel in mode als in het interieur (Tamara de Lempicka en een schare sportvrouwen); de Afrikaanse cultuur en kunst als inspiratiebron (Josephine Baker); de opkomst van grote cinema’s; de snelheid van de auto en de luchtvaart.

Een relatief kleine tussensectie belicht enkele van de markantste paviljoens, meubels en objecten uit de tentoonstelling van 1925. Foto’s, ansichtkaarten, ontwerpschetsen en maquettes omringen de getoonde stukken en slagen erin een beeld op te roepen van de sfeer van de Exposition internationale des arts décoratifs et industriels modernes, die kunst en commercie verbond. De grote Parijse warenhuizen lieten hun paviljoens ontwerpen door vooruitstrevende architecten en produceerden luxemeubellijnen, met bijvoorbeeld een ‘moderne’ houten kaptafel afgewerkt met bootlak. Het ministerie voor Schone Kunsten sponsorde een ‘ambassade’ gerealiseerd door de Société des Artistes Décorateurs – de organisatie die de tentoonstelling had geïnitieerd. Vooral in het oog springt een wandkast met ingelegd en gevernist houtwerk in combinatie met ivoor van de hand van Emile Ruhlmann, een van de hoofdrolspelers van de art deco.

Het leeuwendeel van de tentoonstelling bestaat uit maquettes en zeer gedetailleerde aquarelschetsen van art-decoarchitectuur in Frankrijk, zowel privéwoningen als openbare gebouwen. Een aanzienlijk aantal postkantoren en bibliotheken werd gebouwd in de art-decostijl, in het kader van de werkverschaffing aan kunstenaars en architecten in het interbellum, waarbij ook de bekende socialistische eenprocentregeling werd geïntroduceerd (één procent van de bouwkosten bij rijksgebouwen wordt besteed aan kunst). Dezelfde economische impuls lag ten grondslag aan het inhuren van designers, kunstenaars en architecten voor de inrichting van intercontinentale passagiersstoomboten, wat leidde tot de bijnaam le style pâquebote. Authentiek filmmateriaal van een eersteklaspassagier toont de overdadige luxe van de hutten, theesalons en eetzalen aan boord.

Ook een sectie gewijd aan internationale tentoonstellingen toont enkele maquettes en schetsen, en dan vooral van de notoire koloniale expositie in Parijs in 1931, die door de surrealisten verfoeid werd. Het evenement leverde toch een interessant art-decogebouw op: het Musée des colonies met haar gebeeldhouwde fries met scènes uit de koloniën over de hele lengte van de façade.

Een laatste onderdeel omvat een verkenning van de invloed van de Franse art deco in de rest van de wereld, uitsluitend aan de hand van foto’s van gebouwen en interieurs met begeleidende tekstborden. De selectie is arbitrair, maar toont onverwachte beelden van deels vergeten gebouwen in Rio, São Paulo, New York, Chicago, Tokio, Shanghai, Saïgon, Hanoï, Belgrado, Algerije, Casablanca en Tunesië.

De uitstekende catalogus toont dat er een enorme hoeveelheid kennis en deskundigheid aan de tentoonstelling ten grondslag heeft gelegen – en is een referentiewerk voor de art deco. De opzet van de tentoonstelling kan zowel helder als didactisch worden genoemd, al wordt er voor sommigen wellicht iets te sterk ingezet op het grote publiek. Anderzijds biedt de grote hoeveelheid foto’s en parafernalia (van ansichtkaarten tot een collectie radiatorversieringen van auto’s uit de jaren 30) inzicht in de onmiddellijke brede verspreiding van de art deco, zowel binnen de populaire cultuur als in de wereld van het luxedesign.

 

1925, Quand l’Art Déco séduit le monde, tot 17 februari in de Cité de l’architecture et du patrimoine, Palais de Chaillot, 1 place du Trocadéro, 75116 Parijs (01/5851.5200; www.citechaillot.fr).