Stefaan Vervoort

DE WITTE RAAF

Editie 167 januari-februari 2014

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Werner Cuvelier, galerie EL, Welle/galerie De Ziener, Asse

Werner Cuvelier is een Gentse kunstenaar die behoort tot de generatie van de ‘conceptuelen’. Sinds de jaren zeventig werkt hij aan een rijk oeuvre, dat vaak vertrekt van het – schijnbaar objectieve – ordenen, catalogeren en inventariseren van allerlei ‘gegevens’. Zo documenteert Bruggen van Gent, een fotoreeks uit 1980, systematisch de waterwegen in de Gentse binnenstad. Via een reeks van telkens twee tegenoverliggende brugzichten geeft het werk een beeld van de culturele en geografische structuur van deze middelgrote Vlaamse stad, en zet het zich af tegen de traditionele, (vroeg)moderne representatie ervan. Retrato de Las Negras (1979) ‘inventariseert’ dan weer de bewoners van een Spaans dorpje. Menselijke relaties worden via tekst en beeld tot een systeem gereduceerd, op een wijze die doet denken aan de structuralistische theorieën van Ferdinand de Saussure of Claude Lévi-Strauss (in de conceptnota lezen we: ‘Hermano: broer/Hermana: Zuster/Tio: Tante/Tio: Oom,…’), en deze tegelijk ironiseert. In Statistic Projects, een reeks projecten waaraan Cuvelier sinds 1972 werkt, past hij statistische procedés toe op het kunstcircuit. Bevriende kunstenaars worden tot een groepstentoonstelling in ‘tabelvorm’ uitgenodigd, of tentoonstellingen – zoals Documenta 5, When Attitudes Become Form of Sonsbeek 1971 – worden in cijfers en output vergeleken. En voor wie zulke reflecties op stad, mens of kunst niet lust, zijn er nog de poëtische en sterk tot de verbeelding sprekende projecten, zoals Atlas van de Wereld (1979), Kristallografiek (1982), Piramide van Cestius (1983) of Zestigdelig (1999). Het is onbegrijpelijk dat zulk een rijk en divers oeuvre tot op de dag van vandaag zo weinig publieke aandacht heeft mogen genieten.

De bescheiden dubbeltentoonstelling in Asse en Welle toont jammer genoeg geen van de voormelde werken; eerder focust ze op de – niet minder betekenisvolle – schilderijen, sculpturen, tekeningen, boeken en werkschetsen uit de laatste twee decennia van Cuveliers productie. Sinds het midden van de jaren tachtig legt de kunstenaar zich haast uitsluitend toe op schilderkunst waarin allerlei conceptuele procedures ‘aangetast’ worden door kleur, expressie en lijn. Het duidelijkst wordt dit in Galerie EL, waar het meeste en oudste werk bij elkaar is gebracht. Een prachtige, ongetitelde en ongedateerde werktekening toont permutaties van een kubusvolume, waarvan telkens een aantal zijdes en/of diagonaalvlakken weergegeven en ingekleurd zijn. De kubussen zijn aan elkaar geregen tot ‘kubuskettingen’, die telkens een kwartslag in het vlak van het blad gedraaid zijn. Het resultaat laat zich enigszins karakteriseren als het samenbrengen van een Sol LeWitt en een Gerhard Richter: Cuvelier combineert de strengheid van een structuur die op zuivere ‘berekening’ stoelt met de visuele intuïtie die in de kleurenweelde tot uitdrukking komt. De protserige schema’s, annotaties en Tipp-Ex-correcties in het beeld maken de tekening compleet: ze getuigen van de mens of de operator achter het systeem.

Vele werken in EL getuigen van een gelijkaardig principe. Hommage aan Georges Perec – Espèces d’espaces (1983) toont selectief ingekleurde kubussen, dit keer georganiseerd volgens een raster. De grote correctievlek in het midden van de tekening – de drie ontbrekende kubussen zijn er vervangen door de notatie ‘56 modellen/28 modellen/tot. 84 modellen’ – breekt de organisatie, en dwingt tot een asymmetrische en in verhouding tot het systeem haast organische beeldopbouw. Ook in Symmetrie (1986/2013) keren kubuspermutaties terug, nu vertaald naar kleine, afzonderlijke paneelschilderijtjes, die telkens eenzelfde detail van de kubus uitlichten. Er ontstaan abstracte composities van verschillende en ogenschijnlijk willekeurige kleurvlakken die, in tegenspraak met de titel, niets met symmetrie te maken hebben. Eerder gaat het hier om de verbeelding van de spanning en de fundamentele onzuiverheid die in een systeem en de schilderkunstige uitwerking ervan besloten liggen: Cuveliers ‘symmetrie’ verwijst naar de fictieve compatibiliteit van idee en kunstwerk, die in de visuele orde bijna steeds gebroken wordt. ‘Ik zorg bijna altijd voor een evenwicht tussen ‘systeem’ en ‘vrijheid’’, liet hij in een recent interview met Léon Wuidar optekenen, ‘[want] soms maak ik fouten tegen mijn eigen regels, opzettelijk of per abuis. Als iemand mij daarop wijst, antwoord ik meestal dat het toch kunst is!’ De afwijking die zich voordoet in de vertaling van idee naar materiaal, vormt de basis van zijn kunstopvatting.

Problematischer is Cuveliers werk wanneer het opzichtig teruggrijpt naar de traditie van de abstracte schilderkunst. Het tweeluik De Noordzee ter hoogte van De Haan aan Zee (2009-13), te zien in Galerie De Ziener, is opgebouwd uit kleurenvlakjes die (heimelijk) gebaseerd zijn op de getallenreeks van Fibonacci, maar het vormt met zijn dromerige kleuren en golvende compositie tegelijk een haast pointillistisch landschap. Het werk suggereert hierdoor dat de (laat)modernistische abstractie analoog is aan, of ten minste vergelijkbaar is met de abstracte procedures van de conceptkunst. Maar de meest radicale kunst van de jaren zestig ontstond net in oppositie tot het modernisme, en zette zich door deskilling en anonieme procedures af tegen het metier en het universalisme geclaimd door onder meer Van Doesburg. Het is vreemd dat Cuvelier deze breuk vertroebelt, en suggereert dat de postconceptuele conditie, die vandaag evengoed geldt voor het gebruik van een abstracte beeldtaal, genegeerd kan worden.

Wel interessant zijn de werken waarin hij dichter bij het systeem blijft, om de letterlijkheid ervan te laten botsen met de sociaal-politieke inhoud. In de reeks schilderijen en het kunstenaarsboek Europa (2010-2013), getoond in De Ziener, worden alle lidstaten van de Europese Unie volgens het alfabet gerangschikt en gesystematiseerd. Vooral het boek toont dit duidelijk: de landen zijn telkens gerepresenteerd aan de hand van hun bevolkingsaantal (weergegeven in een rode stip, die groter is naargelang het aantal mensen), grootte (in een kaart verschaald naargelang de landoppervlakte) en vlag (in een horizontale of verticale uitrekking waarvan de representatieve logica onduidelijk blijft). Door de letterlijkheid van de gegevens kan men niet echt spreken van een analyse van geopolitieke verhoudingen, en toch biedt de reeks een vrij accuraat beeld van de machtsverhoudingen binnen Europa. Politiek, zo oppert het boek, draait om grondeigendom en mankracht – en ten dele om minder rationele identiteitskwesties, zoals gecondenseerd in de nationale vlag. Dat zulke inzichten kunnen voortkomen uit droge statistiek, verbeeld in een esthetische en soms haast poëtische vorm, is de verrassende boodschap van dit werk.

 

Werner Cuvelier, 17 november – 22 december, Galerie EL, Drieselken 40, 9473 Welle (053/66.43.82; http://users.skynet.be/galerieEL) en Galerie De Ziener, Stationstraat 55, 1730 Asse (02/452.77.86; www.deziener.be).