Fredie Floré

DE WITTE RAAF

Editie 167 januari-februari 2014

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Atelier à Habiter

Met Atelier à Habiter wil Z33 Huis voor actuele kunst in Hasselt zijn deuren openstellen voor experimenten in het denken over wonen. Ingrijpende sociaal-economische en ruimtelijke ontwikkelingen zoals de recente financiële crisis, de stijgende energieprijzen, de dalende hoeveelheid beschikbare bouwgrond en de stijgende woningprijzen, inspireerden curator Evelien Bracke om het karaktervolle fifties-gebouw van Z33 – ook Vleugel ’58 genoemd – in te zetten als ruimte voor kritische reflectie en bewustwording en als plaats waar ‘mogelijke oplossingen worden aangeboden’. Dit idee resulteerde in een tentoonstelling met werk van zestien actuele architectenbureaus, studiebureaus, designstudio’s en kunstenaars uit België en andere, voornamelijk westerse landen.

De tentoonstelling opent met een presentatie van Wikihouse: een open-sourcebouwsysteem dat in 2011 werd geïnitieerd door de Londense designstudio 00. Dit systeem zou het voor particulieren mogelijk maken om een eigen woning samen te stellen, te downloaden en uit te voeren. Met de presentatie van Wikihouse in de entreehal wordt meteen een van de centrale aandachtspunten van de tentoonstelling aangestipt: de diverse wijzen waarop bewoners een actieve rol kunnen spelen in het maakproces van hun woonomgeving. Ook de titel Atelier à Habiter zinspeelt hierop. Terwijl Le Corbusier de woning benaderde als een door de architect ontworpen en functioneel goed georganiseerde ‘machine à habiter’, verkennen heel wat actuele ontwerpers de mogelijkheden van het huis als ‘atelier’: een creatief project met veel zeggenschap voor de bewoner.

Atelier à Habiter opent niet echt nieuwe denkpistes in het debat over wonen. Dit blijkt meteen uit de bescheiden tentoonstellingscatalogus waarin Bracke vooral actuele tendensen schetst en systematisch verwijst naar andere recente tentoonstellingen over verwante thema’s. Een van die referentietentoonstellingen is de recente architectuurtriënnale van Oslo, gecureerd door het Brusselse collectief Rotor. Onder de titel Behind the Green Door. Architecture and the desire for sustainability bracht dit evenement een rijke en slim gestructureerde hoeveelheid kleine en grote, oude en nieuwe, lichte en doorwrochte projecten rond duurzaam ontwerpen bij elkaar.

Door Brackes verwijzing naar de triënnale worden meteen ook de verschillen met de tentoonstelling in Hasselt duidelijk. Waar de tentoonstelling in Oslo één grote zaal vulde met een solide opstelling van veelsoortige artefacten, inclusief stalen van bouwmaterialen, foto’s, maquettes, tekeningen, nota’s en publicaties, krijgen we in Hasselt te maken met een museale opstelling. In de meeste zalen zijn één, hooguit twee werken opgesteld. Zo is in een grote witte ruimte op de eerste verdieping een presentatie van het project Opalis (2012-13) van Rotor te zien, dat bestaat uit een flatscreen waarop de digitale inventaris van professionele handelaars in recuperatiemateriaal te consulteren is en een reeks foto’s van de beschikbare materialenstock. Het andere project in deze zaal is een van de ‘bakstenen ingrepen’ in het gebouw van Filip Dujardin. Onder de titel De tentoonstellingsruimte als sokkel voor zichzelf (2013) liet hij op verschillende plaatsen fragmenten ruw metselwerk optrekken, die verwijzen naar het dynamische proces van verbouwen – iets wat Z33 in de nabije toekomst ook daadwerkelijk van plan is.

Terwijl werk als dat van Dujardin bewust inspeelt op de museale setting en die zelfs enigszins relativeert, nemen andere installaties de ruime witte zalen als vanzelfsprekend in gebruik. Dit is bijvoorbeeld het geval bij Co-terijen (2013) van de Italiaanse designer Daniela Dossi. Dossi stelt voor om de typische Vlaamse ‘koterijen’ of private bouwsels achteraan in de tuin te herdenken tot een met buren gedeelde ruimte. Het zou het begin kunnen zijn van een waardevol ontwerpexperiment, maar de presentatie in Z33 geeft de indruk dat dit onderzoek nog in zijn kinderschoenen staat. Een ruimtelijke evocatie op ware grootte, die maar liefst twee museumzalen vult, aangevuld met materiaalstalen en enkele korte persoonlijke verhalen die niet het collectieve, maar het individuele wonen illustreren, geven het project plots onevenredig veel gewicht.

Andere installaties zijn spin-offs van langer lopende projecten. Dit geldt bijvoorbeeld voor Unie Modell (2013), een nieuwe installatie van Architecture Workroom Brussels. Deze ‘denktank’ was in 2012 een van de bedenkers van The Ambition of the Territory, de inzending voor het Belgisch paviljoen op de Architectuurbiënnale van Venetië. Deze tentoonstelling, waar Bracke eveneens naar verwijst en die ook al in deSingel was te zien, stelde vragen over ruimtelijk beleid in Vlaanderen en vroeg aandacht voor het potentieel van hybride leefomgevingen waar wonen en werken met elkaar vervlochten zijn. Unie Modell concretiseert deze vragen enigszins. De installatie bestaat uit een grote, onder helling geplaatste kaart van de ruimtelijke omgeving tussen en rond de stedelijke kernen van Hasselt en Genk, en vult een volledige museumzaal. Enkele transparante vellen plexiglas zijn met magneetjes bovenop deze kaart gemonteerd en tonen planningsstrategieën voor ‘nieuwe woonlandschappen’. Het gebruik van magneten en plexiglas onderlijnt dat het om een work in progress gaat, maar de zaalvullende opstelling en de opgeblazen kaart werken die indruk tegelijk tegen en geven het geheel eerder een statisch voorkomen.

Anders dan Dossi of Architecture Workroom, lijken de architecten De Vylder Vinck Taillieu bewust de museale context te hebben ontweken. Van dit bureau, dat de jongste jaren terecht veel aandacht kreeg, zijn in Atelier à Habiter drie projecten te zien. In een hoek van de inkomhal presenteren de architecten Home for All, Minna-no-Ié (2011), een project dat het huis wil herdenken als een schakeling van kamers. De ook op de jongste architectuurbiënnale van Venetië getoonde maquette Estee (2012) staat in een opslagruimte met metalen lockers. In een technisch atelier ten slotte zijn een maquette en tekeningen van de al meermaals gepubliceerde Woning Rot-Ellen-Berg (2010) te zien, een intrigerende gefaseerde verbouwing die grotendeels door de bewoners zelf is gerealiseerd.

Vooral dit laatste project toont hoe een huis als atelier gedacht kan worden. Bovendien laat het zien, samen met enkele andere projecten in de tentoonstelling, dat ook de verhouding ontwerper-bewoner daarbij geherdefinieerd moet worden. Bij Wikihouse bijvoorbeeld treedt de ontwerper niet meer rechtstreeks in dialoog met de bewoner of opdrachtgever, maar bedenkt hij op afstand slimme woonsystemen. Met Woning Rot-Ellen-Berg stellen De Vylder Vinck Taillieu zich eerder op als compagnons de route of partners in een langdurig maakproces. Observaties zoals deze blijven in Z33 echter impliciet. Als tentoonstelling met de ambitie bij te dragen aan bewustwording, reflectie en oplossingen voor het woonvraagstuk was Atelier à Habiter nochtans gebaat geweest met een meer gerichte focus op enkele deelvraagstukken.

 

Atelier à Habiter, tot 30 maart in Z33 Huis voor actuele kunst, Zuivelmarkt 33, 3500 Hasselt (011/29.59.60; www.z33.be).