DE WITTE RAAF

Editie 168 maart-april 2014

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Waar en hoe kan Vlaanderen stedelijk worden? Een gesprek over glokaliteit

Paneldiscussie met Eric Corijn, Joachim Declerck en André Loeckx, gemodereerd door Michiel Dehaene

Vlaanderen mag dan wel historisch een land van steden zijn, de dominante socialisatie is er niet meteen een van stedelijkheid. De fiere stede van weleer werd beteugeld door een gemeentelijk ‘lokalisme’ en opgesloten binnen de contouren van de 19e-eeuwse natiestaat. De gemeentewet van 1834 gaf aan zowel dorp als stad het statuut van een gemeente. België, en later Vlaanderen, zou geen stedenland worden, maar een bonte verzameling van zeer kleine gemeentelijke territoria. Ook de sociale verbeelding lijkt hier te lande moeilijk aan de lokale wortels te ontsnappen. Lokaliteit blijft in Vlaanderen een recept tegen vervreemding en dat is een rem op de ontwikkeling van stedelijkheid als mentaal venster op de 

 Drie personen die zich de afgelopen jaren lieten opmerken in het stadsdebat, gaan op initiatief van De Witte Raaf in gesprek over stedelijkheid en lokaliteit in Vlaanderen. André Loeckx is professor emeritus Architectuurtheorie aan de KULeuven. Hij is reeds meer dan 15 jaar een van de bezielende krachten achter het Vlaamse Stedenbeleid. Eric Corijn is professor emeritus Sociale en Culturele Geografie aan de Vrije Universiteit Brussel, waar hij de stadsonderzoeksgroep Cosmopolis oprichtte. Hij is een uitgesproken pleitbezorger van metropolitaanse stedelijkheid als noodzakelijke voorwaarde om met diversiteit in de samenleving om te gaan. Joachim Declerck is oprichter en directeur van de denk-en-doe-tank Architecture Workroom Brussels. Hij cureerde de groepstentoonstelling in het Belgisch paviljoen tijdens de Architectuurbiënnale Venetië in 2012. De drie sprekers zijn het eens dat Vlaanderen behoefte heeft aan meer stedelijkheid, maar leggen andere accenten als het erop aankomt te bepalen waar die stedelijke emancipatie moet plaatsvinden. Michiel Dehaene, hoofddocent stedenbouw aan de Universiteit Gent, modereert het gesprek.

 

Stedelijkheid en lokaliteit: een spanningsveld

Michiel Dehaene: Ik zou dit gesprek willen beginnen met de complexe relatie tussen stedelijkheid en lokaliteit. Stedelijkheid sluit lokaliteit niet uit, maar kan er ook nooit mee samenvallen. Vaak gaat men ervan uit dat stedelijkheid begint waar elke vorm van lokale binding ophoudt.

Eric Corijn: Hoe definieert men lokaal? Ik denk dat er twee perspectieven op ‘lokaliteit’ zijn. In het eerste perspectief wordt lokaliteit gezien als een plaats, met concentrische cirkels eromheen die een territorium afbakenen. In de andere visie wordt lokaliteit begrepen als een verknoping van stromen en interacties. In dat geval gaat het niet zozeer om geografische nabijheid of afstand; lokaliteit is hier een knoop in een netwerk. ‘Lokaliteit’ is de manier waarop mensen hun adres verbinden met de rest van de wereld. Daarbij is de vraag hoe ver die wereld uitdijt. De manier waarop mensen die verbinding maken, hangt samen met hun levensverhaal en hun mobiliteit.

M.D.: Hoe verhouden die twee versies van het lokale zich tot elkaar?

E.C.: Hun onderlinge relatie kun je het best verduidelijken via de notie ‘glokalisering’, dat een samentrekking vormt van ‘globalisering’ en ‘lokalisering’. In het discours van de glokalisering wordt lokaliteit begrepen als de manier waarop plekken verknoopt zijn. Om dat uit te leggen, gebruik ik graag het lacaniaanse beeld van het point de capiton. Een matras bestaat uit twee aparte lagen, twee territorialiteiten die op zich los van elkaar staan, maar die tegelijk gestructureerd worden door de punten waar ze met elkaar verbonden of samengeknoopt worden. Die verknoping geeft structuur aan beide lagen.

M.D.: Hoe verbind je dat met stedelijkheid? 

E.C.: Voor mij is stedelijkheid een woord dat in eerste instantie niet naar ruimte verwijst, maar naar cultuur en mentaliteit – naar de mental map van mensen. Stedelijkheid staat tegenover nationaliteit. Het stedelijke is in mijn ogen een postnationale manier van samenleven, voorbij de monoculturele ‘imagined community’ van de natiestaat. Maar tegelijk geloof ik sterk in de mentaal structurerende effecten van ruimte en ruimtelijke ordening. Je hebt een aantal ruimtelijke kenmerken van een stad die te maken hebben met densiteit: de dichtheid van de bewoning, het feit dat verschillende functies op een klein oppervlak samenkomen, het geconcentreerde samenleven van een heterogene, zeg maar hyperdiverse bevolking. Die kenmerken vallen niet met elkaar samen, maar zijn wel lokaal verknoopt.

M.D.: Maar door die stedelijkheid ‘postnationaal’ te noemen, suggereer je dat stedelijkheid en mondialisering haast hetzelfde zijn… terwijl steden toch al veel langer bestaan.

E.C.: Ja, laatmiddeleeuwse steden ontstaan als een ommuurde markteconomie te midden van een domaniale ruraliteit. Vervolgens krijg je de industriële revolutie van de 19e eeuw en de 20e eeuw, die steunt op dit ruraal gestructureerde territorium, maar wordt aangedreven door het verlangen om economie en territorium onder te brengen in een nieuwe container: de natiestaat. Het volk wordt verenigd binnen de natie. De natiestaat gaat ervan uit dat een cultuur een eenheid vormt en is gebaseerd op de idee van een verbeelde gemeenschap. De stad schrijft zich daarin in. Sterker nog, heel de socialiteit van de moderniteit steunt erop.

M.D.: En met de mondialisering verandert dat?

E.C.: Precies, de afgelopen dertig jaar is de ban gebroken. De markt neem het over van de politieke regulering. We maken ook de transitie mee van een industriële naar een postindustriële economie. Of beter, we zijn getuige van een mondiale herverdeling van het industrialiseringsproces, waarbij ons T-shirt misschien nog wel hier wordt ontworpen, maar in China wordt gemaakt. Tot slot krijg je een instroom van migranten, mensen uit andere tradities die vaak – ook territoriaal gesproken – met één voet hier en met een andere voet elders geworteld zijn, en die dagelijks worden uitgedaagd om de verschillende werelden in de mental map van hun lokale leefwereld samen te houden.

M.D.: Waarom leg je zo sterk de nadruk op dit mondialiseringsproces? Was de moderne stedelijkheid niet ook postcommunautair – betrokken op de massa eerder dan op de gemeenschap?  

E.C: Natuurlijk, maar die moderne stad was gestructureerd en ingeperkt door de territorialiteit van de natiestaat. Het stedennetwerk van wat nu in Nederland de Randstad heet, bijvoorbeeld, zorgde wel voor de nodige interstedelijke dynamiek, maar lag essentieel binnen Nederland. Wat we vandaag meemaken is dat de nationale container openbreekt. De Randstad maakt zich los van Nederland. De twee lagen van mijn matras – het nationale, geografische enerzijds en de stedelijke netwerkterritorialiteit anderzijds – zijn aan het loskomen… natuurlijk zullen ze zich vervolgens weer op een andere manier verknopen.

Joachim Declerck: Mondialisering is een postnationaal fenomeen. Maar tegelijk kan je stellen dat de natiestaat in de geschiedenis van de steden een soort uitzonderingssituatie was, waarin de stad als motor van onze culturele en economische ontwikkeling lange tijd is genegeerd. Vanuit stedelijk oogpunt is de natiestaat misschien wel een historische vergissing…

E.C.: Daar heb je wel gelijk in. Op een weliswaar andere wijze zijn de late Middeleeuwen een minstens even belangrijk vergelijkingspunt als het systeem van natiestaten.

André Loeckx: Als ik meteen even een nuance mag aanbrengen. Er is niet alleen een geschiedenis van de verstedelijking. Ook de ruraliteit heeft zijn geschiedenis, ook het platteland ontwikkelt zich langs de lijnen van een mondiaal moderniseringsproces, en wel zonder dat het daarom meteen in de stad oplost. De industrialisering van het platteland loopt niet steeds langs de stad. De verspreide verstedelijking van Vlaanderen is   onvoldoende stedelijk, en tegelijk noch ruraal noch  ‘postruraal’. De suburbane conditie is ‘infra-urbaan’ en tegelijk ‘subruraal’, waarmee ik bedoel dat ze ook niet past binnen het rurale en binnen de eisen die men aan de ontwikkeling van het rurale moet stellen, bijvoorbeeld inzake landbeheer en de controle van het voedselsysteem. Ik vind dat we met een semantische lacune zitten als het erom gaat de complexiteit van dat soort realiteiten te beschrijven.

M.D.: En waar situeert die semantische lacune zich precies?

A.L.: Al de termen over de niet-stedelijke ruimte zijn stedelijke termen. We hebben het voortdurend over ‘stedenbouw’; over ‘suburbs’ – dat moet dan iets zijn dat zich onder de ‘urbs’ bevindt. We produceren neologismen als Zwischenstadt (Sieverts), citta diffusa (Indovina), Tapijtmetropool (Neutelings)… We lijken niet in staat om termen te verzinnen die een niet-stedelijke moderniteit verbeelden. Nochtans bestaat die wel degelijk in Vlaanderen. Ook elders in de wereld zijn er notoire voorbeelden van de modernisering van de rurale ruimte terug te vinden.

M.D.: Geef eens een voorbeeld?

A.L.: Wel, het staat misschien ver van dit gesprek, maar ik denk ineens aan de muziek waar ik van hou: Woody Guthrie bijvoorbeeld, songs over de dustbowl en over vakbondsstrijd; of Tom Waits’ Mule Variations, of Bruce Springsteen die over Nebraska zingt. Die muziek gaat over het platteland en de kleinstedelijke realiteit. Of Ry Cooders Chavez Ravene, muziek uit en over een intussen  platgegooide buitenwijk van Los Angeles. De muziek van Guthrie, Waits, Cooder of Springsteen doorbreekt het bekrompen beeld dat van de rurale of kleinstedelijke gemeenschap circuleert, zij brengt een verhaal van openbreken, van strijd en emancipatie. Maar daar hebben wij geen termen, geen beelden en geen namen voor.

 

Op zoek naar glokaliteit in ‘antistedelijk Vlaanderen’

M.D.: Eric, als we vertrekken van jouw uiteenzetting over glokaliteit – of van de spanning tussen twee perspectieven op lokaliteit die je zonet schetste – waar situeert Vlaanderen zich volgens jou dan?

E.C.: Als je lokaliteit definieert als de manier waarop mensen hun adres verbinden met de rest van de wereld en daarbij de vraag stelt hoe ver die wereld uitdijt – zoals ik zonet deed — dan staan we in Vlaanderen nog niet zo ver. Uit een onderzoek van de KULeuven naar verhuisbewegingen in Vlaanderen blijkt bijvoorbeeld dat de helft van de Belgen, wanneer ze verhuizen, dat doen binnen een straal van minder dan 5 kilometer. Onder de kerktoren, dus. Die lokale verankering is niet alleen ruimtelijk bepaald, er zit een premoderne, rurale rest in. De industrialisatie in Vlaanderen – die laat komt, na de Tweede Wereldoorlog – is gestoeld op een politiek die de verstedelijking om ideologische redenen actief probeerde tegen te gaan. De christendemocratische politieke hegemonie koos voor de familie in plaats van de arbeid als hoeksteen van de samenleving, en stelde het normen- en waardenstelsel van de religie en niet dat van de lekenstaat centraal. Dat model houdt op kleine territoria makkelijker stand. Er werd nauwlettend op toegezien dat arbeid niet destructurerend zou werken.

M.D.: Er was toch ook een industrieel spreidingsbeleid?

E.C.: Ja, maar dat past in hetzelfde verhaal! Arbeid is de context waarin je met andere mensen leert samenwerken, waar je individuele verschillen overstijgt. Arbeid deconstrueert de traditie. Bovendien is het bij uitstek de biotoop van de socialisten en de vakbonden. Allemaal goede redenen voor het katholieke Vlaanderen om de nieuwe industrie in the middle of nowhere te zetten, op industrieterreinen in Geel, Tessenderlo en Mol, om vervolgens de mensen eerst met de buurtspoorwegen uren te doen reizen en later met de auto in de file te laten staan. De ruimtelijke spreiding is, met andere woorden, niet alleen een kwestie van suburbaan wonen, maar is bepalend voor de wijze waarop mensen zichzelf in de samenleving situeren. Vele Vlamingen zitten generaties lang gebeiteld op een specifieke plek, ook al ontplooien ze elders tal van activiteiten. Ze blijven in feite pendelaars. Dat feit is gepaard gegaan met een heel verspreid woonpatroon, waarbij die mensen zelden geconfronteerd zijn geworden met de spreekwoordelijke ander, met de noodzaak om intercultureel, interreligieus – kortom, op basis van verschil – connecties aan te gaan. De stad daarentegen biedt een ander kader, is een ander soort maatschappelijke werf. Daar moet je samenleven met verschillende taalgroepen en je plan trekken. De grote stad is als de koolmijnen. In de mijn was iedereen zwart en heerste een heel transversale solidariteit. Het is die andere socialiteit, maar ook de andere binding met de plek die kenmerkend is voor de stad.

M.D.: En als we al steden hebben in Vlaanderen, dan beantwoorden ze nauwelijks aan dit beeld van metropolitaanse stedelijkheid…

E.C.: Niet alleen de spreiding, ook de realiteit van onze steden werkt contraproductief. Je zou kunnen zeggen dat de economische boom en de ‘golden sixties’ rijke, kleine steden hebben opgeleverd, waardoor de Vlaming van de functionele voordelen van de stad kon genieten zonder ooit in een echte stad te moeten komen. Vanaf 100.000 inwoners had je autovrije winkelstraten waar alle grote merken werden aangeboden. Je hoefde er niet voor naar Brussel te komen, en dus kreeg je bijna nooit een Afrikaan te zien. Als de voorstad naar Brussel kwam, dan ging het richting Nieuwstraat en terug. Als de Vlaming vandaag in Brussel komt werken, gaat het van het Centraal Station naar de Wetstraat en weer huiswaarts. De confrontatie op lokaal niveau met het andere en dus de noodzaak om te onderhandelen, om te ruilen, om het verschil te socialiseren is ruimtelijk tegengewerkt. Daar ligt voor mij ook de verklaring voor het feit dat deze rijke, ontwikkelde en sterk geïndustrialiseerde regio zich laat kennen als etnocentrisch, dat extreem-rechts in sommige landsdelen tot 30 procent van de stemmen haalde, dat we een zwak georganiseerde arbeidersbeweging hebben. Allemaal dingen die heel verklaarbaar worden wanneer je die premoderne kern van ons ruimtelijk bestel ernstig neemt. Vandaag, in het licht van de mondialisering, wordt dit stilaan onhoudbaar en speelt dit steeds meer in ons nadeel.

M.D.: Kan je dat concreet maken? 

E.C.: Neem bijvoorbeeld de crisis in het onderwijs in de grote steden – en dan heb ik het niet enkel over Brussel. Die crisis heeft onder andere te maken met het feit dat de leerkrachten zelf te weinig stedelijke ervaring hebben. Ze gaan op een puur abstracte manier met diversiteit en stedelijkheid om. Ze wonen residentieel in de voorstad en projecteren die leefwereld op kinderen die wél stedelijke ervaring hebben. Die ervaring is niet zoals de dorpse leefsfeer gebaseerd op verschillen tussen zwart of blank, of tussen religies – in de stad lopen die immers allemaal door elkaar. Stedelijkheid draait om publieke ruimten, om veiligheidsdomeinen en gebruiksregels. Kan je op een bepaalde plek met vrienden gaan skaten zonder dat je gsm gestolen wordt? Hoe moet je dat aanpakken? Over dat soort dingen gaat het, maar de leerkrachten uit suburbaan Vlaanderen hebben daar niets over te vertellen. Het maakt mij zeer argwanend tegenover collega’s die nogal makkelijk stellen: ‘Laat ons toch maar wat stedelijkheid injecteren in de sprawl van verstedelijkt Vlaanderen. We zijn allemaal van goede wil en willen wel bijleren over het verschil in de wereld, maar dan liefst vanuit onze residentiële lintbebouwing.’ Dit werkt niet. Je kan cultuur – want dat is stedelijkheid – niet zomaar injecteren in de ruimte.

J.D.: Herleid je de stedelijke discussie nu niet te veel tot de problematiek van de grootstad? En dus tot Brussel? De grootstad waarin we wonen als enige echte vorm van stedelijkheid propageren is volgens mij contraproductief, omdat we de discussie zo reduceren tot een tegenstelling tussen goed en kwaad, tussen de grootstad en suburbaan Vlaanderen. Daarmee speel je finaal in de kaart van het dominante antistedelijk discours, én negeer je een groeiende realiteit: stedelijke vraagstukken vinden we niet alleen in de grootstad, ze verspreiden zich over het hele territorium. Door de processen van migratie, demografische groei, vergrijzing, maar ook de oplopende ecologische maatschappelijke kost, is er in heel Vlaanderen – en grote delen van Europa – een familie van problematieken ontstaan die steeds meer lijken op wat jij omschrijft als typisch Brussels. Steden als Aalst, Mechelen of Kortrijk kunnen de gevolgen van de grootstedelijke dynamiek niet langer negeren. Die tendensen zijn onomkeerbaar, en dus moeten ook de ‘kleinstedelijke’ bestuursploegen op zoek naar nieuwe antwoorden. Maar je kan ook plekken als voorbeeld nemen die geen centrumsteden zijn, zoals Borgloon in Haspengouw. De groepen ‘vreemde’ seizoensarbeiders die worden aangetrokken om te werken in de internationaal exporterende fruitteelt, leven in spanning met de plaatselijke bevolking. Is dat metropolitaanse stedelijkheid? Zeker niet, maar het heeft er wel een relatie mee. Als we dat allemaal in rekening nemen, dan ligt het grootste bewijs van de Vlaamse antistedelijkheid voor mij precies daar: namelijk in de onbegrensde capaciteit in Vlaanderen om deze families van stedelijke problematieken die over het hele territorium zijn uitgezaaid toch systematisch te negeren. Dat vermogen tot miskenning van een onloochenbare realiteit vind je bij de bevolking, maar wordt vervolgens ook bevestigd en versterkt door de politieke klasse. We voeren een soort struisvogelpolitiek. We willen het behoud van de welvaart, maar vertalen dit als een status quo. Dat kan niet. Welvaart veronderstelt ontwikkeling. Je kan in Vlaanderen alleen maar ontwikkelen door de realiteit van de verstedelijking onder ogen te zien, en van daaruit een toekomstproject uit te bouwen. Vandaag negeert het dominante toekomstproject voor Vlaanderen zijn stedelijke oorsprong én zijn stedelijke realiteit.

M.D.: André, deel jij deze antistedelijke analyse van Vlaanderen?

A.L.: Ja, want ze wordt nog steeds door de actualiteit bevestigd. Neem bijvoorbeeld de VSGB-studie, die in 2011 werd uitgevoerd in opdracht van de Vlaamse Regering. Aanvankelijk stond de S in de naam van die studie voor ‘Stedelijk’ – het betrof namelijk een onderzoek naar het Vlaams Stedelijk Gebied rond Brussel – maar in de uiteindelijke studie werd de term ‘Stedelijk’ ingeruild voor ‘Strategisch’. Bijzonder veelzeggend is de reactie van de afgelopen weken tegen het rekeningrijden. De Vlaamse antistedelijkheid vertaalt zich in een beperkte horizon en beperkte contacten met alles wat vreemd is.

M.D.: En is die antistedelijkheid het gevolg van een lokale oriëntatie?

A.L.: Volgens mij wel. Op dat punt ben ik het met Eric eens: ook ik denk dat de stedelijke beleving geconditioneerd wordt door de woonplaats… maar ik vind wel dat het spectrum breder en meer geschakeerd is.

M.D.: Kan je dat uitleggen?

A.L.: Het is niet de mythische grote stad versus het mythische kleine dorp van Cyriel Buysse. Zoals er lagen grootstedelijkheid zijn, zijn er ook allerlei vormen van kleinstedelijkheid en vind je ook dorpse gedragingen in de grootstad. Ik kan mijn eigen geschiedenis hier als voorbeeld nemen. Ik kom uit Halle. Ik herinner me dat ik op mijn zestien  jaar tijdens de vakantie ging werken in de Colruyt. Ex-metallo’s afkomstig van de inkrimpende staalfabrieken in Clabecq en ex-boeren van het Pajottenland speelden er samen kaart in de kantine. Mijn zus trok op haar 18 jaar naar Tubeke om in het Frans te studeren, en ging daarna als kleine bediende werken in de Generale Bank in Brussel. Ze verzeilde er niet alleen in de Nieuwstraat om naar de winkels te kijken, maar ook in het politieke straatgeweld van 1960-61, en dat werd allemaal gespreksstof aan onze keukentafel. Mijn vader was geëngageerd in de christelijke arbeidersbeweging. Als hij thuiskwam van zijn werk, werkte hij in de tuin en hield hij kleinvee – zo probeerde hij zijn karig loon aan te vullen. In diezelfde tuin speelde ik met vrienden ‘Fidel Castro tegen Batista’, met voetzoekers en pancartestokken uit mijn vaders reserve, die hadden gediend tijdens de grote schoolstrijdbetogingen. ‘Het andere’ drong wel degelijk door tot onder onze kerktoren. Het zijn slechts anekdotes, maar ze tonen een realiteit die ambivalenter is dan de tegenstelling ‘de stad versus de buiten’ suggereert; een realiteit  waarbij mensen ook buiten de stad betrokken raken in een uitwisseling tussen zeer verschillende culturen, talen en gedragingen. Daarbij treedt een vermenging op tussen verschillende categorieën: ruraal, suburbaan, kleinstedelijk, grootstedelijk. Dat mengsel is ambivalent en instabiel, en kan kantelen in de ene of andere richting.

E.C.: Ik wil best meegaan in de nuances die je aanbrengt, André, maar ik wil toch opmerken dat jouw voorbeelden zich allemaal binnen de schaal van de natiestaat België afspelen, en dat ze zich ten tweede – dat geldt ook voor het voorbeeld van jouw favoriete muziek – situeren in een industriële samenleving, waar de maatschappelijke positie van mensen bepaald werd door de sociale laag waartoe ze behoren. Die sociale stratificatie was inderdaad moderner dan de familie, of de streek, maar vandaag staan we verder.

M.D.: Het referentiekader is volgens jou ruimer geworden…

E.C.: …of zou dat toch moeten zijn, ja. Er zijn voor mij twee zaken die de ontwikkeling van een stedelijke mindset blokkeren in Vlaanderen. Ten eerste blijft het een feit dat – ondanks de hybriditeit die André beschrijft – onze elites antistedelijk zijn. Zij zien de stad als een gebruiksvoorwerp, maar niet als een leefomgeving. De stedelingen, zij die de stedelijke omgeving als leefomgeving hebben, zijn daardoor sinds de jaren zestig systematisch achteruitgesteld in de sociale stratificatie. Ten tweede: die elite ziet de samenleving nog altijd essentieel vanuit een monolinguïstisch, monocommunautair ideaalbeeld, als een natie, waarbij het vreemde enkel kan erkend worden op voorwaarde dat het bereid is zich in te passen in het eigene. Die twee punten samen maken het onmogelijk om zich voluit in de nieuwe wereld te positioneren. In een eerste ontwikkeling van de industriële samenleving was het nog mogelijk om Brussel en België vanuit Halle te incorporeren. Maar in de mondiale orde wordt het veel moeilijker om ook Oekraïne en Latijns-Amerika op eenzelfde existentiële manier te bevatten.

A.L.: Voor mij gaat het erom dat er in de geschiedenis én in het heden talloze belevingen van ambivalentie aanwijsbaar zijn waarbij verschillende dimensies elkaar kruisen en zich met elkaar verknopen, op een lokaal niveau en in één en hetzelfde moment. Tussen het rurale en het stedelijke bestaat een onstabiel middenveld waar de condities kunnen kantelen. Om dat middenveld is het op ruimtelijk, sociaal en politiek vlak te doen.

E.C.: Allemaal mooi, maar met die ambivalentie kom je in een flou artistique terecht. Het echte, fundamentele stedelijke probleem is het samenleven met onherleidbaar verschil. Anders gesteld, hoe kan je samenleven als de verschillen te groot zijn om nog van ambivalentie te kunnen spreken. Neem het probleem van de lekenstaat of de lekenstad, van het samenleven tussen radicaal gelovigen en radicaal ongelovigen. Dat is geen kwestie van ambivalentie, maar van harde tegenstellingen. Je hebt daarvoor een maatschappelijk model nodig waarin verschil erkend, aanvaard en vermaatschappelijkt wordt.

M.D.: En daarvoor heb je de stad nodig? 

E.C.: Volgens mij bezit de monofunctionele residentiële wijk te weinig diversiteit en multifunctionaliteit om de mondialiteit plaatselijk te ervaren. Die ervaring kan je beter opdoen in de Matongewijk of in Molenbeek dan in de Brusselse rand. In Molenbeek leren samenleven is een mondiaal vraagstuk.

A.L.: De vraag is waar het strijdtoneel vandaag ligt. De ambivalente ruimte is voor mij de ruimte waar de politieke strijd zich zal afspelen, en die situeert zich niet enkel in Molenbeek. Ik vind die ambivalentie interessant en belangrijk omdat ze onstabiel is. Ze kan naar de ene kant kantelen, maar ook naar de andere. Ze kenmerkt ook de architectuur en de ruimte in de meest concrete zin. Hoe is het bijvoorbeeld mogelijk dat het avant-gardistische Schroederhuis van Gerrit Rietveld zo doordeweeks bewoonbaar was voor mevrouw Schroeder en haar kinderen? Omdat die woning erin slaagde de moderniteit van de jaren 20 te domesticeren, en er een locus van te maken die toeliet om met het moderne om te gaan – althans als je er zoals mevrouw Schroeder helemaal voor openstond, meer nog, ernaar op zoek was. Voor mij is het lokaliseren van die moderne impulsen uiterst belangrijk, en misschien wel de echte stedelijke opgave. De uitdaging om in pakweg Deinze, een klein stadje in de rand van Gent, voldoende stedelijkheid te injecteren is in mijn ogen minstens even complex en uitdagend.

E.C.: Nu ben ik het met je eens. Het winnen of verliezen van de strijd om de stad zal afhangen van de goede kanteling. Het komt erop aan Deinze te overtuigen dat het beter een kleine stad kan zijn dan een groot dorp. We moeten Aalst overtuigen om rond het station functies op te nemen die ook voor een Brussels publiek betekenis hebben. Anders blijft de provinciestad met de rug naar de stad staan. Het probleem is intussen wel dat geen enkele politieke partij bezig is met die vraagstukken, vermits de sterke sociale groepen, zoals de elites met cultureel kapitaal en de middenklasse, die strijd nog moeten voeren. En ondertussen blijven we in de Brusselse kanaalzone zitten met een jeugdwerkloosheid van vijftig procent en meer, een totaal onaangepaste tewerkstelling en de vraag naar een nieuwe stedelijke maakindustrie.

A.L.: Het inzetten op ambivalentie en de kantelmomenten ervan is niet evident, je hebt gelijk. Maar dat is niet alleen een strategie voor de suburb, ook Brussel kan bij zo’n strategie gebaat zijn. Voeg aan Brussel het ‘verlinte’ Pajottenland toe, voeg daar het Zoniënwoud, de slordige urbanisatie van Waals Brabant en de Eise-vallei bij, of waarom niet, de drie valleien van Dender, Zenne en Dijle, en maak een groot Brussel waar je ambivalentie voluit kan laten spelen, ook voor de Brusselaars die nu opgesloten zitten in de grenzen van het gewest. De ambivalentie is er. Je kan er maar beter het voordeel van hebben.

 

De rasterstad – een oefening in ambivalentie en kanteling

 M.D.: De ambivalentie waarop jij, André, zo sterk de nadruk legt, stond ook centraal in het Witboek Stedenbeleid waar jij en Eric aan meeschreven. Het Witboek – met als ondertitel De eeuw van de stad. Over stadsrepublieken en rastersteden – werd gerealiseerd in opdracht van Vlaams minister Paul Van Grembergen, toen bevoegd voor stedenbeleid, en moest een langetermijnvisie inzake stedelijkheid voor Vlaanderen uittekenen. Het Witboek pleit voor de kanteling van dubbelzinnigheid, halfslachtigheid, versnippering en betekenisinflatie – allemaal vooronderstelde kenmerken van de ruimtelijke ordening in Vlaanderen – naar een nieuw patroon van positieve ambivalentie. Deze strategie wordt samengevat in het ‘Leitbild’ van de rasterstad. 

E.C.: De term van de rasterstad vat perfect het historisch compromis van het Witboek samen.

A.L.: Het Witboek was inderdaad een compromis tussen de compacte metropool en de Vlaamse sprawl. De rasterstad mikt op de ‘complete stad’, of juister: op het benutten van de kansen om datgene wat er al is completer te maken. De term rasterstad is misschien niet geweldig, maar het was wel een poging om iets te doen aan de semantische lacune in het spreken over het stedelijk-landelijk continuüm. Met de term probeerden we ook een taal te ontwikkelen die de nadruk legt op relationele verbanden zonder de fysieke ruimte achterwege te laten, om in te zoomen op de netwerkstad van relaties en flows en het tegelijk te hebben over wegen, spoorlijnen, hellingen, bermen, weefsels en types… Door te spreken over rasters geef je maat aan het netwerk en aan de ruimtes die erdoor bediend worden. Rasters hebben velden, die eerder homogene lokaliteiten kunnen herbergen, maar ook lijnen en knooppunten. In die zin kunnen zij de verschillende soorten van lokaliteit waar Eric over sprak opvangen. Een raster is ook meerschalig. Je kan inzoomen. Er zijn regionale rasters, grootschalige rasters in de open ruimte, grootstedelijke rasters, buurtrasters en zelfs rasters binnen de structuur van een gebouw. Ze vormen meervoudige frames waarop meervoudige programmatische logica’s geënt kunnen worden.

M.D.: Jullie wilden datgene wat er in Vlaanderen is completer maken, zei je. Kan je daar iets meer over zeggen? Welk beeld van toekomstig Vlaanderen hadden jullie precies voor ogen?

A.L.: Het beeld van de rasterstad was een pleidooi voor het cultiveren van de ambivalentie in de bestaande stedelijke structuur. Het beeld gaat in op het latent stedelijke/landelijke karakter van het verstedelijkt landschap en pleit ervoor om dit bestaande landschap uit te zuiveren en de aanwezige verschillen op te drijven: enerzijds om de identiteit van de velden te versterken, anderzijds het contactvlak tussen de velden te activeren. Een veld komt het best uit als het zich duidelijk kan aftekenen ten aanzien van de andere velden in het raster. Het joods kwartier kan maar beter voluit joods zijn, little italy is best zo Italiaans mogelijk – specifiek in zijn lokaliteit. Het Zoniënwoud liefst zo veel mogelijk ‘woud’ en het Pajottenland best helemaal het land van de Pajotten. Maar op de lijnen en in de knooppunten van het raster sta je steeds te midden van een meervoudige realiteit met een uitgesproken connectiviteit. En een veelheid van eigenzinnige velden vormen samen het meervoudig raster; little italy wordt deel van New York.

M.D.: Nevenschikking eerder dan menging?

A.L.: Vooral variatie en connectie. Er zijn afgewerkte en halfgevormde rasters, rasters met grote en kleine mazen, maar ook dichte en ondichte; er zijn volkse mazen en hele chique, mazen met gemengde milieus en andere met monocultuur. Sommige zijn open, andere bebouwd, maar alle mazen maken deel uit van de bemiddelende structuur van het raster. Eerder dan vast te leggen en te begrenzen, negotiëren de rasters over eigenheid, connectie en overgang. In die zin was de rastermetafoor ook bedoeld als een tegenzet, vanuit het stedenbeleid, gericht tegen de methodiek van de structuurplanning met haar obsessie van afbakening en zonering.

E.C.: Wat opvalt in het Witboek is dat het concept van de rasterstad ontwikkeld wordt in de hoofdstukken geschreven door planners en ontwerpers en eigenlijk geen antwoord biedt op het governance-vraagstuk. De rasterstad focust op de hardware, maar vergeet de software van de stad. Daardoor is er met dit beeld al bij al niet zo heel veel gebeurd. De kanteling die moet gedacht worden is niet alleen een verandering in het ruimtelijke patroon en de relationele verbanden ertussen, maar ook in het monocultureel samenwonen. Wij lijken nog steeds te denken dat samenleven gebaseerd moet zijn op wat ‘we’ delen en gemeenschappelijk hebben; die idee leeft door van de traditionele clan tot in de moderne traditie van de arbeidersbeweging. De stedelijke revolutie, die voor mij de nieuwe conditie vormt aan het begin van de 21e eeuw, vertrekt vanuit de vraag: hoe kunnen we samenleven anders denken dan op basis van gemeenschappelijkheid. Een dergelijk maatschappelijk project is geen bovenbouw op een communautaire onderbouw, maar moet een brug zijn tussen verschillende maatschappelijke werven. Maatschappelijkheid als brug tussen verschillende gemeenschappen. Dat is iets wat we in de filosofie, in de literatuur nog te weinig gedacht hebben. Het uiteindelijke stedelijke samenleven in Brussel is geen Brussels nationalisme, maar een vorm van Brussels patriottisme waarbinnen het verschil kan blijven bestaan.

 

The Ambition of the Territory – de territoriale achtergrond als politiek-ecologische basis

 M.D.: Joachim, in 2012 coördineerde jij The Ambition of the Territory, een collectief project dat uitmondde in een groepstentoonstelling, die de Vlaamse bijdrage vormde aan de Architectuurbiënnale in Venetië. De tentoonstelling wilde laten zien dat de stedelijke problemen in Vlaanderen overal zitten. Die problemen werden vervolgens gebruikt om het hele territorium te mobiliseren en aan oplossingen te werken: het Vlaams stedelijkheidsvraagstuk als één grote reconversieopgave die de opgelopen maatschappelijke kost van de verspreide verstedelijking moet oppakken. Kan je vertellen hoe de tentoonstelling was opgevat?

J.D.: The Ambition of the Territory probeerde twee zaken aan elkaar te koppelen: enerzijds is er het natuurlijke fysieke systeem van de vruchtbare bodems en de vele bevaarbare rivieren; en anderzijds is er een ingrijpende verstedelijking van grote en kleine kernen. De grootte van die kernen varieerde in de loop van de geschiedenis (Mechelen was ooit de grootste stad), maar de constante is dat deze gebieden altijd extreem ‘meerkernig’ zijn geweest en dat de verstedelijking zich altijd complementair aan het fysieke systeem van de rivieren heeft ontwikkeld. Er was ook een enorme synergie tussen stad en platteland: de economische activiteiten in bepaalde steden ontstonden in functie van de landbouwteelten rondom die steden, en dankzij het goedkope transport via de waterwegen. Daarbij is het cruciaal te beseffen dat beide systemen open zijn. Zowel het verstedelijkt netwerk als het fysiek ruimtelijk systeem zijn grensoverschrijdend. Beide vormen samen een stedelijk systeem dat is ontstaan in de Delta van de Rijn, de Maas en de Schelde. Vandaag noemen we dit de Eurodeltametropool of kortweg de Deltametropool.

E.C.: Dat is dus niet Vlaanderen. De evidentie waarmee jullie Vlaanderen als betekenaar veronderstellen, stoort me.

J.D.: Vlaanderen als territorium was voor ons niet de inzet. Integendeel, onze oefening wil laten zien dat we af moeten van een eenheidsbehandeling voor Vlaanderen. Dat Vlaanderen niet zomaar één territorium is.

E.C.: De notie ‘metropool Vlaanderen’ uit het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen slaat dus op niets. Dat mag toch wel even gezegd worden.

J.D.: Ons bestuurlijk systeem – en de term uit het beleidsplan waarnaar je verwijst toont dit andermaal aan – miskent inderdaad de historische en huidige logica van het stedelijk systeem. In Nederland en Frankrijk is dit al veel minder het geval. De natiestaat probeert de ontwikkeling van én het netwerk tussen de steden te faciliteren en te organiseren, maar is daar eigenlijk niet zo goed voor geplaatst. Daarom woedt momenteel ook daar een politiek debat over het delegeren van meer macht aan de regio’s van de steden en de metropolen. Met de Ambition of the Territory wilden we net ingaan tegen de heersende gedachte dat Vlaanderen gekenmerkt zou worden door een sterke eigenheid en interne coherentie, en net die andere territoriale verbanden tonen die aan dit eeuwenoude stedensysteem zijn gelinkt. Tegen een ‘one size fits all’-beleid dus. Vlaanderen is een bestuurlijke tussenschakel tussen een groter en een kleiner schaalniveau. Op de schaal van Europa en de wereld is de Deltametropool onze sociaal-economische en stedelijke leefwereld. Zoals een stad uit wijken is samengesteld, bestaat die Deltametropool uit een reeks territoria of stedelijke regio’s met erg verschillende kwaliteiten en problemen. De as Brussel-Antwerpen heeft een andere rol en kwaliteit dan de kustpolders of de grensoverschrijdende regio tussen Lille, Doornik en Kortrijk. Elk van die territoria vraagt dus om een eigen visie en beleid.

M.D.: Maar de Vlaamse sprawl houden jullie in stand…

J.D.: We starten vanuit de realiteit van een gespreide bebouwing, en dus niet vanuit het ideaalbeeld van de duurzame, compacte stad. Dat ideaalbeeld is volgens ons onaangepast – en de laatste decennia bewijzen dat ook – om de verspreide verstedelijking van Vlaanderen echt aan te pakken. Vandaag pleit het beleid voor verdichting in de steden, terwijl de verkaveling van Vlaanderen intussen gewoon verdergaat. We pleiten absoluut niet tegen de verdichting van steden, maar stellen voor om ook die verdergaande spreiding aan te pakken. We pleiten er dus voor om op te houden met het gelijk uitsmeren van de demografische groei over het hele grondgebied. De stedelijke structuur in Vlaanderen is erg divers en kent verschillende intensiteiten. De demografische groei kan worden ingezet om die verschillen te versterken. Op reeds sterk verstedelijkte plaatsen (zoals de as Antwerpen-Brussel) lijkt het slimmer om verder te verstedelijken, maar dan met een visie en een project – en niet om het even waar en op gelijk welke manier. Op andere plaatsen is het misschien beter om de verspreide verstedelijking af te bouwen en in te zetten op andere vormen van ontwikkeling: natuur, landbouw enzovoort. Vlaanderen ontwikkelen uitgaande van de verschillen in kwaliteiten en intensiteiten kan je alleen aan de hand van gelokaliseerde, kleinschalige processen die afgestemd zijn op de plek, en die tegelijk systematisch en cumulatief ontwikkeld kunnen worden.

E.C.: Het probleem met mijn beide collega’s in dit gesprek is dat het architect-stedenbouwkundigen zijn. Zij kunnen dus zomaar spreken over de ‘ambitie van een territorium’ – wat op zich een mooie uitdaging is — terwijl de echte vraag natuurlijk luidt: is dit ook de ambitie van de bevolking van dat territorium?

A.L.: Voor mij is het territorium een minstens even belangrijke actor als om het even welke sociale groep. Het weefsel, de ruimtelijke structuur, is een heel sterke actor. Het vervangt het politieke en het sociale niet, maar levert onmiskenbaar een eigen bijdrage aan de mentaliteitsvorming.

J.D.: De titel ‘de ambitie van het territorium’ is uiteraard een samentrekking. De lange versie zou zijn: ‘De ambitie van een samenleving kan alleen gerealiseerd worden door de logica van zijn territorium als uitgangspunt en hefboom te nemen om die andere processen vorm te geven.’ Als je het zo uitlegt, dan denk ik dat onze verhalen zeer dicht bij elkaar liggen.

E.C.: Akkoord. Politiek is altijd ook territoriaal. Dat wordt vaak veronachtzaamd en is een cruciaal politiek-filosofisch vraagstuk. Heel de Belgische staatshervorming heeft een splitsingslogica geïnstalleerd omdat de bevolking en de territoria niet op elkaar pasten. Dus werd het idee van de  ‘persoonsgebonden materies’ uitgevonden. In Vlaanderen werden de persoonsgebonden en gewestelijke materies vervolgens onmiddellijk terug gefusioneerd. Een van de Brusselse problemen is dat de Belgische staat weigert om van Brussel een territoriale entiteit te maken. Als gewest is Brussel te klein om een metropool te zijn. Bovendien is de stad afgesneden van zijn hinterland en kan het zonder persoonsgebonden materies ook geen fatsoenlijk stedelijk beleid voeren. Politiek heeft altijd met de erkenning van territoria te maken.

M.D.: En dus moeten we een strijdpunt maken van die lokaliteit en het territoriaal/politiek project dat ermee verbonden is?

E.C.: Ja, maar wat daarbij tegelijk ook gedacht moet worden is de biotoop, waarbij populatie en omgeving één systeem vormen. We moeten de scheiding tussen populatie en omgeving overstijgen. Dat roept meteen een volgende vraag op: wie zijn de burgers van dat ecosysteem. Wie is er lid van? Wie maakt aanspraak op de voordelen van de biotoop? Wie heeft er zeggenschap en trekkingsrecht? Ik ben er bijvoorbeeld voor te vinden dat pendelaars zeggenschap krijgen over het openbaar vervoer in Brussel. Ik vind namelijk dat de woonplaats niet de enige referentie is voor de constructie van het burgerschap, en dat je je burgerschap ook in een netwerksamenleving moet kunnen inzetten. Je moet dan wel ook fiscaal bijdragen in die zeggenschap. Maar waar ligt dan de grens? Moet ik mijn burgerschap dan niet ook kunnen inzetten bij de verkiezing van de volgende Amerikaanse president? Wie in de Verenigde Staten president wordt, is immers van heel groot belang voor de ontwikkeling van het wereldsysteem waar ik deel van uitmaak. We denken in elk geval te klein. We vinden het logisch om de rand van Brussel te betrekken bij een discussie over mobiliteit, maar waarom niet ook de bewoners van Leuven of Hasselt?

J.D.: In Vlaanderen betalen we vandaag de prijs voor de collectieve verwaarlozing van het ecosysteem. Die ecosystemische crisis treft zowel de stad als de sprawl. We moeten daarom dringend in families van problemen, en dus ecosystemisch beginnen te denken. En niet langer vanuit de tegenstelling tussen wat we vandaag stad en platteland noemen.

 

Waar te beginnen – de lokale utopie

M.D.: Als ik tot slot een utopische vraag mag stellen: wat staat er ons nu te doen? We kunnen wachten tot de burgers bijvoorbeeld ook ecosystemisch beginnen denken. Of we kunnen proberen om een maatschappelijk debat op gang te brengen, iets waarvoor de politiek naar mijn gevoel nog helemaal niet klaar is.

E.C.: Ik ben van mening dat er in dergelijke discussies te veel met een ongedefinieerd ‘we’ wordt gesproken. Aan de ene kant spreken ‘wij’, zoals in dit gesprek, vanuit analyses en stellingnames. We moeten ons spreken aanpassen aan de betrokken doelgroepen, zodat er voor hen een handelingsperspectief ontstaat. Het planningsdiscours richt zich te veel naar mensen die in een machtsverhouding zitten: financiers, de overheid die ideeën in de praktijk brengt, de diensten bevoegd voor ruimtelijke ordening. Daarmee missen we de groepen die de stedelijkheid uiteindelijk moeten maken, die de stad co-creëren. Hoe kunnen die groepen de ruimte verbeteren of veranderen zonder voorafgaand akkoord van de overheid en de financiers? Wat is er te doen aan ruimtelijke ordening en kwaliteitsverbetering van de levensconditie op basis van een collectieve mobilisatie?

J.D.: We zijn het gesprek heel pessimistisch gestart, met de vaststelling van een antistedelijk status quo. Maar ik zie ook heel veel processen die hoopgevend zijn. Die moeten we versterken vanuit een positieve dynamiek. Ik zie vandaag op verschillende plekken de kiemen van de ‘rasterstad’. Ik zie ze bij actoren die zichzelf hebben georganiseerd en de stedelijke uitdagingen lokaal hebben opgepakt. Ik denk dat het belangrijk is om dat te doen. De dominante krachten gaan absoluut niet in die richting en de politiek loopt hopeloos achterop, maar tegelijk beweegt er van alles. Daar zou eigenlijk een boek over gemaakt moeten worden. Van die evolutie in Vlaanderen kan je een echt succesverhaal maken.

M.D.: En waar zie jij de ‘hoopgevende processen’ die dat boek kunnen vullen?

J.D.: Het Nationaal Park Hoge Kempen in Limburg vind ik bijzonder interessant. Verschillende actoren – Natuurpunt, plaatselijke boeren – hebben zich daar verenigd en zijn er finaal in geslaagd Vlaanderen ervan te overtuigen dat het huidige Park Hoge Kempen een zeer belangrijke regionale ontwikkelingspool kon worden. In het postmijnentijdperk is dit park nu al een belangrijke factor in de ontwikkeling van dat gebied. Ik ben ook gefascineerd door de agrobeheersgroepen, die in het buitengebied zelf de waterproblematiek aanpakken.

E.C.: Toch weer voorbeelden met een zeer Vlaamse en weinig stedelijke inslag. Om er een stedelijk voorbeeld naast te leggen: het multidisciplinaire kunstcentrum Recyclart aan het station Kapellekerk in Brussel. De afgelopen 10 jaar maakte Recyclart van de historische stedelijke breuklijn van de Brusselse Noord-Zuid-spoorverbinding de uitvalsbasis voor een geëngageerd programma van sociaal-artistiek werk in de aanpalende wijken.

J.D.: Altijd diezelfde tegenstelling. Daar gaat het voor mij echt niet over. Ik vind dat we een boek zouden moeten maken waarin we die agrobeheersgroepen naast Recyclart en het CityDepot Hasselt zetten en argumenteren dat dit over hetzelfde maatschappelijke proces en project gaat.

E.C.: Dat vind ik geen slecht idee. Het vraagstuk van de lokaliteit, dat hadden jullie al begrepen, is voor mij het vraagstuk van de glokaliteit. Als men mij vraagt wat dit concreet betekent, speel ik mensen graag de bal terug en stel ik de vraag: ‘Wat is jouw plaats in de wereld? Hoe situeer jij je in het wereldgebeuren?’ Die vraag is noodzakelijk om los te komen van lokaliteit als nabijheid. Het gaat niet om een lokale oriëntatie, maar om wat we hier kunnen doen en welk ‘vlindereffect’ dat zou kunnen hebben op het hele systeem.

A.L.: Zowel bij lokale actoren die zichzelf organiseren als bij het lokale dat zijn plaats in de wereld inneemt, stel ik de vraag naar lokalisme als alibi. Performant lokalisme mag geen reden zijn om de grote aberrante structuren en machtsverhoudingen onbesproken te laten. We moeten niet zeggen: we doen het zelf want de machthebbers doen het niet. De verantwoordelijkheden van machthebbers, overheden en de politieke klasse moeten ter discussie blijven staan.

E.C.: We moeten voorts durven toegeven dat er een tekort is aan kennis over de interactie tussen ruimtelijke ordening en sociale praktijk. Dat is een historische erfenis. De ‘ruimtemakers’ zijn traditioneel bouwers, ingenieurs. De sociale wetenschappers hebben zich van hun kant onvoldoende met de ruimte ingelaten. Zij serveren een verhaal over hoe mensen kunnen omgaan met een ruimte die niet door hen is gebouwd. Echte dialectiek tussen ruimtelijke ordening en sociale praktijk, daar hebben we weinig collectieve kennis over.

M.D.: Dan vormt het lokale – in de oude betekenis van de plek – alsnog de sleutel van het probleem? Dan moeten we op concrete, fysieke plekken gaan kijken hoe de verknoping van ruimte en sociale praktijk plaats kan en moet vinden?

E.C.: Ja, en in die dialectiek tussen ruimte en sociale praktijk is een van de sleutelvragen: wat is de mediatie? Wat is de bemiddeling? Hoe kunnen de collectieve utopie en de realisatie ervan samengaan? De huidige praktijk werkt zo dat een klein machtsconsortium de utopie kan realiseren en de andere mensen daarmee moeten leven. Co-creatie vereist dat mensen een andere positie innemen en bereid zijn de collectieve utopie mee te máken, en zichzelf niet enkel te positioneren als consument. De moeilijkheid is de ongelijk verdeelde capaciteit van burgers om die actieve rol op te nemen, om de brug te slaan tussen het ruimtelijk kader en de sociale praktijk. In dergelijk perspectief is lokaliteit niet enkel een ruimtelijk uitgangspunt, maar tegelijk ook een plaats van aankomst.

 

Transcriptie: Isabelle Vanden Hove

Redactie: Michiel Dehaene