Stefaan Vervoort

DE WITTE RAAF

Editie 168 maart-april 2014

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Dan Graham: Models and Beyond, De Pont, Tilburg.

Dan Graham: Models and Beyond opent verrassend. Twee werken die de bezoeker in de ontvangstruimte van De Pont verwelkomen, zijn immers geen modellen, maar foto’s. Curved Showcase Window, Chicago (1967-82) toont een close-up van een cilindervormige winkelvitrine, waarin de stedelijke omgeving en de blik van de fotograaf gereflecteerd worden. Two Way Mirror Corporate Building, Los Angeles (1982) brengt dan weer de half spiegelende façade van een laatmodernistisch kantoorgebouw in beeld, die tot een opaak en mysterieus vlak getransformeerd wordt.

Wie enigszins bekend is met Grahams geschriften, weet dat hier een complexe en veelzijdige cultuurkritiek wordt tentoongespreid. Het modernistische idioom van transparantie en de kapitalistische productie van verlangen worden op de korrel genomen, en aan de abstracte vormentaal van het minimalisme wordt – via de associatie met architectuur – een sociaal-politieke inhoud toegevoegd. Maar wat vertellen deze foto’s over Grahams gebruik van het model?

De vorm van het architectuurmodel, zo suggereert de tentoonstelling terecht, wordt door Graham voor het eerst toegepast in 1978. Een quasichronologische serie van kabinetten vangt aan met de vroege en minutieus geknutselde miniaturen Clinic for a Suburban Site en Video Projection Outside Home (beide 1978), en biedt vervolgens een mooi overzicht van maquettes en modellen tot 2001. Dit overzicht maakt meteen de esthetische ambiguïteit en de complexe status van Grahams modellen duidelijk. Waar de vroege maquettes nog hobbyistische boompjes en protserige stoffen bevatten, duiken zulke accessoires slechts sporadisch en minder prominent op in latere werken. Ook Portal Model (1997) en Model for Triangular Pavilion with Shoji Screen (1990) zijn schaalmodellen, maar ze doen in omvang en materialiteit niet onder voor de betere minimalistische sculptuur.

Het appel aan het architectuurontwerp en bepaalde hobbyistische kantjes kleuren dus vooral het vroegere werk; latere en vaak grotere modellen sluiten dichter aan bij de minimal art. Deze ambiguïteit lijkt ook net de kern van Grahams modellen: ze combineren tegenstrijdige en onverenigbare categorieën, ze brengen de complexiteit van een genre aan de orde, ze roepen een spanningsveld op ‘tussen’ architectuur en sculptuur, of ‘tussen’ de psychologische projectie en het fysieke object. ‘It’s a bit like Venturi’s idea of the both/and’, liet Graham in een recent interview optekenen. ‘The models were a hybrid of art and architecture. It’s a category that I like, but it also doesn’t help sales, because people get confused about what it is.’

Het interessantst is de tentoonstelling daarom waar die ambiguïteit opgeroepen wordt door nevenschikkingen of combinaties. De juxtapositie van de ‘verdubbelde’ miniatuur Two Adjacent Pavilions (1978) met foto’s van corporatistische curtain walls, suburbane huizen en een winkelvitrine doet het model sterk resoneren met de architectuur en met seriële productieprocessen, wat meerduidige en soms zelfs tegenstrijdige interpretaties toelaat. De confrontatie van Swimming Pool / Fish Pond Model uit 1997 met een foto van een vergelijkbare vijver voor een spiegelend kantoorgebouw uit 2010 speelt met de idee van een ‘gecorrumpeerde’ en anachronistische ‘realisatie’ van het project, en ironiseert deze tegelijk. En hoewel de tentoonstelling dit niet expliciet stelt, valt een vergelijkbare ambiguïteit te traceren in bepaalde paviljoenen. Zo is het prachtige Girls’ Make-up Room (1998-2000) te groot om als miniatuur door te gaan, maar net te klein om als volwaardig gebouw gelezen te worden (deze criticus kon enkel gebukt onder de deurlijst, en stak steevast met zijn hoofd boven de wanden met dubbelzijdig spiegelglas uit). Het werk schippert tussen sculptuur en architectuur, niet echter via de categorieën van het ‘functionele’ of het ‘sculpturale’, maar door de schaal, en door het lichamelijk onvermogen van de gebruiker/bezoeker om zich aan een van beide extremen – de miniatuur en het gebouw op werkelijke schaal – aan te passen. Het is dan ook niet toevallig dat Graham veel werken en paviljoenen op maat van kinderen gemaakt heeft. Werken als Children’s Day Care CD-Rom, Cartoon, Computer Screen Library (1998) en de twee versies van het Model for Skateboard Pavilion (1989 en 1990) in de tentoonstelling alluderen op een maatvoering tussen sculptuur en architectuur, die ‘wringt’ voor het volwassen lichaam.

Hoewel de tentoonstelling voldoende materiaal biedt om Grahams modellen aan diverse andere aspecten van zijn praktijk te kunnen liëren – zoals in de combinatie van Cinema (1981) met de grungy video Rock My Religion (1982-84), die beide over de ideologische lading van populaire cultuurproductie handelen – was ze wellicht ook bij andere, meer gedurfde keuzes gebaat geweest. Zo had een contextualisering van het werk via bevriende kunstenaars of architecten, die nu slechts ter introductie en in de documentatie in het eerste kabinet naar voor komen, de soms wat droge of schoolse opstelling kunnen doorbreken. Waarom Graham niet combineren met werk van Dan Flavin of Lawrence Weiner, die toch aanwezig zijn in Nederlandse kunstcollecties, of zelfs met werk uit de eigen collectie (Jeff Wall, Richard Long, Rita McBride)? Of waarom geen maquettes tonen van postmoderne architecten die omstreeks 1978 exposeerden bij Leo Castelli, en die Graham als de historische aanleiding van zijn gebruik van ‘modelbouw’ heeft aangewezen (bijvoorbeeld uit het voormalige Nederlands Architectuurinstituut, thans Het Nieuwe Instituut)? Grahams modellen zijn gegrond in een kritiek op de modernistische architectuur; maar ook, en misschien vooral, reflecteren ze op de hybridisering en commodificatie van het architectuurmodel en de architectuurtekening in de late jaren zeventig. Ze spreken over een intrinsieke relatie tussen architectuur en de commodity die nu hooguit, en slechts heel impliciet, in de twee inleidende foto’s aangegeven wordt.

 

Dan Graham. Models and Beyond, in De Pont – museum voor hedendaagse kunst, Wilhelminapark 1, 
5041 EA Tilburg (013/543.83.00; www.depont.nl).