Eva Decaesstecker

DE WITTE RAAF

Editie 168 maart-april 2014

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Vincent Geyskens. De Gouden Dageraad.

Het Antwerpse galeriewezen is toe aan een frisse wind, zo vond Marion de Cannière, en daarom deed ze haar medewerker Simon Delobel het unieke aanbod om in de kelderruimte van haar galeriepand zijn eigen galerie op te starten. Een kans die Delobel niet liet liggen. Onder de dynamische en luchtige naam Trampoline Gallery wil de jonge galerist kansen bieden aan jonge of onbekende kunstenaars die ten onrechte geen vaste galerie hebben. In eerste instantie besloot hij echter om met een aantal kunstenaars uit zijn directe omgeving te werken, waardoor de galerie opent met een meer gevestigde naam: Vincent Geyskens, die onder meer in 2012 nog onder de titel UnDEAD in het S.M.A.K. te Gent tentoonstelde. De titel De Gouden Dageraad verwijst naar de naam van een Griekse extreemrechtse partij, maar ook, en iets onschuldiger, naar het nieuwe, veelbelovende begin van de galerie.

De werken waren gelijk verdeeld over twee zalen, waarbij de ene zaal schilderijen bevatte en de andere voornamelijk collages. In een nis tussen de twee zalen hingen twee portretten, waaronder een van Paul Joostens, dat Geyskens op voorstel van Simon Delobel in de tentoonstelling opnam: een frêle vrouw, die met een scheef oog dromerig in het niets staart. Geyskens confronteerde het op brutale wijze met zijn eigen Lindsay, een robuuste dame die met haar kleine varkensoogjes en diepe decolleté eerder iets van een pornoactrice heeft.

De zaal met schilderijen bevatte zowel figuratieve als veeleer abstracte werken. Tussen de overwegend vleesachtige kleuren van rauw geschilderde lichamen viel BRETTAR op door de hoofdzakelijk blauwe tinten en de vreemde geometrische vorm van het canvas. Daarnaast hing een naaktportret van een oud koppel, dat de toeschouwer suf aankijkt (Joyland (Pinky Promise), 2014). De achtergrond van het doek bestaat uit dezelfde vleesachtige tinten als de figuren zelf en is met evenveel aandacht geschilderd. Het schilderij wekte de indruk dat het koppel in een verzengende hitte staat. De kleur en de cirkels op het doek ernaast deden daarentegen denken aan een wateroppervlak dat rimpelt nadat er een steen in werd geworpen. Het is alsof Geyskens suggereerde dat BRETTAR verfrissing zou kunnen bieden aan het bejaarde duo in het naburige schilderij. De ophanging leek er doelbewust op gericht de fysieke en haptische ervaring van de werken te versterken.

Een aparte groep in de tentoonstelling vormden de reeksen ‘kaderwerken’, die over beide zalen waren verspreid. Ze droegen allemaal de titel Richmond, aangevuld door initialen die verwijzen naar kunstenaars of kunstwerken. Sommige kaders zijn geheel leeg, in andere zitten stukjes papier geklemd, en nog andere zijn gevuld met beschilderde panelen. De reeks Richmond L'O.M. – de initialen verwijzen naar L’Origine du monde van Courbet – bestaat uit een aaneenschakeling van vijf lege lijsten waar aan de rechterkant nog eens een stukje van een kleinere lijst is aangeplakt: alsof het leegmaken van de kaders op zich niet volstond om de idee van de lijst in vraag te stellen, wordt de lijst ook nog eens als een brokstuk gepresenteerd. Via de verwijzing naar Courbet zorgt Geyskens tegelijk voor een speelse en suggestieve noot, en lijkt hij een relatie te leggen met de rauwe vleselijkheid van zijn figuratieve werken – L’Origine du monde is immers een pornografisch schilderij. Dergelijke kaderreeksen waren ook al te zien op de tentoonstelling in het S.M.A.K., maar daar lagen ze meer in het verlengde van de collages, terwijl de recente reeksen in Trampoline Gallery resoluut tot de schilderkunst behoren.

De tentoonstelling werd begeleid door een kleine, maar interessante publicatie. Het boekje is gevuld met een reeks beelden, die het publiek een kijk in de beeldenverzameling van Geyskens geeft. Er zitten afbeeldingen bij die de kunstenaar op het internet vond. Andere beelden tonen dan weer fragmenten van kaderwerken of lijken op digitale varianten van zijn collages. Doordat de bestandsnaam telkens is toegevoegd, worden alle afbeeldingen op hetzelfde digitale niveau geplaatst. Zowel een afbeelding van zijn eigen werk, als Poetin in blote bast of een werk van een andere kunstenaar kunnen kennelijk als bronnenmateriaal dienen. De onscherpe kwaliteit van sommige beelden is terug te vinden op de knipsels in de collages. Deze korreligheid is op haar beurt weer terug te vinden in de schilderijen, waarin de schilderstechniek voor een minder heldere en rauwere indruk zorgt. De beelden worden voorafgegaan door een tekst van Jan Op de Beeck, met wie Geyskens twee jaar geleden het boek Motril: vrucht en pose (Het Balanseer, 2012) uitbracht. Het gaat om een autonome, literaire bijdrage die niet over Geyskens’ werk handelt, maar door zijn verknipte en collageachtige karakter wel aan de collages van Geyskens doet denken.

 

• Vincent Geyskens, De Gouden Dageraad, 30 januari tot 1 maart, Trampoline Gallery, Pourbusstraat 3, 2000 Antwerpen (0493/078.153; www.trampolinegallery.com).