Shirley van de Polder

DE WITTE RAAF

Editie 168 maart-april 2014

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

50 jaar Modeafdeling Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen: de tentoonstelling en het boek.

De modeafdeling van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen bestaat vijftig jaar. Het ModeMuseum in Antwerpen vierde dit jubileum met de tentoonstelling Happy Birthday Dear Academie en de bijbehorende catalogus Mode Antwerpen Academie 50. Daarmee wil het een overzicht bieden op de ontwikkeling van de opleiding en de succesformule verduidelijken achter de Antwerpse mode.

De tentoonstelling in het MoMu begon in de traphal, met een installatie van steigers waarop foto’s, video’s, schetsen en begeleidende teksten te zien waren, onderverdeeld in vijf decennia. Het beeldmateriaal toonde eindejaarsdefilés, interviews met de verschillende coördinatoren van de opleiding, en andere sfeerbeelden die de zaalteksten over de ontwikkeling van de opleiding illustreerden. Onder leiding van pianiste en kunstenares Mary Prijot, die de modeafdeling in 1963 opstartte en tot 1982 leidde, concentreerde de afdeling zich op het grafische aspect van het ontwerpproces. Die traditie werd voortgezet onder Josette Janssens (1982-1985), die grafisch kunstenaar was. Na het vroegtijdig overlijden van Janssens maakte de modeafdeling onder leiding van ontwerpers Linda Loppa (1985-2006) en Walter Van Beirendonck (2006-) een proces van internationalisering door en kwam er meer ruimte voor artistieke vrijheid. De steigerinstallatie vormde een imposant begin van de tentoonstelling. De zaalteksten waren echter karig met informatie, en de teksten in de bezoekersgids voegden daar slechts weinig aan toe – te weinig opdat de bezoeker die niet bekend is met het verleden van de opleiding het beeldmateriaal (historisch) zou kunnen plaatsen.

Aan het begin van de eerste verdieping werd de zogenaamde ‘artistieke cocon’ toegelicht, die vanaf het directoraat van Loppa de succesformule achter de Antwerpse modeafdeling zou vormen. De coördinatoren en docenten stimuleren de studenten om tijdens de opleiding hun bestaande kennis los te laten en op ontdekkingstocht te gaan naar nieuwe inspiratiebronnen, technieken en concepten. Er zijn geen grenzen aan dit proces; de studenten kunnen in de veilige omgeving van de academie vier jaar lang naar hartenlust experimenteren. Door hun creatieve denkvermogen tot het uiterste te benutten, leren ze de opgedane kennis toe te passen op het hedendaagse modeontwerp en zo een artistieke signatuur te ontwikkelen. Om de rijke invloed van het concept ‘artistieke cocon’ in het werk van oud-studenten te tonen, koos het MoMu ervoor om een selectie ontwerpen uit afstudeercollecties middels vier kleinere themapresentaties in aparte tentoonstellingsruimtes te presenteren. Dat gebeurde heel sober, met ronde, witte podia in het midden van de ruimtes, een aantal vitrines en enkele videopresentaties aan de witte wanden. De veelal opzienbarende ontwerpen waren geplaatst aan de rand van de podia onder een uitgekiende belichting. De bezoeker kon ze van dichtbij en vanuit verschillende perspectieven bekijken.

Naast de vier themapresentaties was er – in de dezelfde vormgeving en inrichting – een ruimte gewijd aan het werk van studenten die na de opleiding een eigen label zijn gestart. De grootste wand binnen deze ruimte was gevuld met modetekeningen die een overzicht gaven van het vak modegrafiek sinds het ontstaan van de opleiding. Ook hier werd echter weinig achtergrondinformatie aangereikt. Het bleef onduidelijk waarop de selectie van de stukken gebaseerd was, en waarom juist de getoonde creaties een goed voorbeeld vormden van de ‘artistieke cocon’.

Het zwaartepunt van de tentoonstelling lag bij de gekende ‘Antwerpse Zes +1’, oftewel de ontwerpers Marina Yee, Walter Van Beirendonck, Ann Demeulemeester, Dirk Van Saene, Dirk Bikkembergs, Dries Van Noten en Martin Margiela, die afstudeerden in de jaren 1980-1982. Er waren drie ruimtes gewijd aan de Zes, maar de focus lag op de Zes als groep. Het beeld van de ‘Antwerpse Zes’ is sowieso mythisch geladen. Dat het in feite ook om zes individuele, zeer getalenteerde ontwerpers gaat die elk hun eigen kant zijn opgegaan en hun sporen hebben verdiend in de internationale modewereld ging daarbij verloren.

De catalogus Mode Antwerpen Academie 50 biedt op verschillende punten de verdieping die in de tentoonstelling ontbrak. Tekst en beeldmateriaal zijn net als in de tentoonstelling uit balans, maar het diverse en verhelderende beeldmateriaal vult de teksten zeker aan. De onderwerpkeuze loopt grotendeels parallel met de tentoonstelling. Enkel het artikel van Peter De Potter voert een nieuw onderwerp aan: hij interviewt oud-studenten die uiteindelijk voor een ander creatief beroep dan modeontwerper hebben gekozen. Suzy Menkes probeert in haar tekst de identiteit van de Antwerpse mode te omschrijven, maar slaat de plank mis door verschillende elementen van de Antwerpse mode te koppelen aan volgens haar kenmerkende aspecten uit de Belgische schilderkunst. Het levert een generaliserend beeld op van de Antwerpse mode, waar vele ontwerpers niet in passen.

Belangrijkere bijdragen zijn die van Sarah Heynssens over de ontwikkeling van de modeafdeling, die van Todd Nicewonger over de invloed van de verschillende coördinatoren op de opleiding, en die van Karen Van Godtsenhoven over de studietijd en de carrières van de Antwerpse Zes+1. Hoewel Van Godtsenhoven eveneens de nadruk blijft leggen op de activiteiten van de groep met betrekking tot de internationalisering van de opleiding, besteedt ze toch ook aandacht aan de individuele ontwerpers. De bijdrage van Emmanuelle Dirix over de rol van modetekenen binnen de Academie is helder geschreven, maar het is toch vooral het bijgevoegde beeldmateriaal dat aantoont hoe belangrijk modetekenen is binnen het ontwerpproces en de stijlontwikkeling van studenten.

Het laatste artikel in de catalogus is van de hand van Hettie Judah en behandelt het moment suprême waar elke student van de modeafdeling vier jaar naartoe werkt: het afstudeerdefilé. Judah weet beeldend te omschrijven hoe de defilés zich hebben ontwikkeld van bescheiden presentaties voor vrienden en familie in de jaren zeventig en spektakelshows in de jaren negentig naar – tegenwoordig – eenvoudige presentaties waar de focus op de ontwerpen zelf ligt. Judah verwerkt in haar tekst herinneringen van oud-studenten, waaruit blijkt dat het afstudeerdefilé een ware beproeving is.

In de tentoonstelling ging de aandacht grotendeels naar de Antwerpse Zes. Het werk van vele anderen passeerde vaak contextloos de revue. Dat leverde een generaliserend beeld op van de geschiedenis van de modeafdeling. Het boek Mode Antwerpen Academie 50 biedt op verschillende plaatsen echter aanvulling en verdieping. De onderbelichte ontwerpers verschijnen alsnog in beeld, al blijven ze helaas in de schaduw staan van de Antwerpse Zes.

 

Happy Birthday Dear Academie liep van 8 september 2013 tot 16 februari 2014 in het MoMu, Nationalestraat 28, 2000 Antwerpen (03/470.27.70; www.momu.be).

Mode – Antwerpen Academie 50 (red. Ann Brokken, Anne Haegeman, Judith van Doorselaer) verscheen in 2013 bij Lannoo, Kasteelstraat 97, 8700 Tielt (051.42.42.11; www.lannoo.be).