Kees Keijer

DE WITTE RAAF

Editie 168 maart-april 2014

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Aanwinsten Stedelijk Museum Schiedam en Museum van Bommel van Dam Venlo.

Nederlandse musea hebben de banden met particuliere verzamelaars de afgelopen jaren stevig aangehaald. Ze werden minder afhankelijk van de overheid, die de subsidies afbouwde en cultureel ondernemerschap tot een van de speerpunten van het nieuwe beleid maakte. De tactiek lijkt op de korte termijn vruchtbaar. Vooral de grote musea kwamen de laatste tijd regelmatig in het nieuws met belangrijke aanwinsten. Het Stedelijk Museum in Amsterdam ontving in november 2013 een schenking van 127 werken van het Haarlemse verzamelaarsechtpaar Pieter en Marieke Sanders. Enkele maanden eerder schonk galeriehouder, verzamelaar en fotograaf Paul Andriesse het museum zestig kunstwerken van onder anderen Jean-Marc Bustamante, René Daniëls, Marlene Dumas, en Thomas Struth.

Ook Museum Boijmans Van Beuningen kan de afgelopen jaren belangrijke aankopen doen door de steun van particulieren, zoals mecenas Han Nefkens. Het museum krijgt zelfs een speciaal Collectiegebouw, ontworpen door MVRDV, waar ook particuliere verzamelaars hun collecties kunnen onderbrengen. In het gebouw, dat naar verwachting in 2017 wordt opgeleverd, zullen depotruimte en andere diensten aan particuliere verzamelaars verhuurd worden. De publiek-private samenwerking komt ook tot uiting in de realisatie van het Collectiegebouw zelf. De samenwerking tussen gemeente, museum en een private partij past volgens het Boijmans in een museale traditie. Veel gemeentelijke musea zijn immers het resultaat van particuliere initiatieven in de negentiende en twintigste eeuw.

In twee presentaties met nieuwe aanwinsten, in Stedelijk Museum Schiedam en Museum van Bommel van Dam in Venlo, worden de relaties met particuliere verzamelaars expliciet naar voren gehaald. Zo’n aanwinstententoonstelling was vroeger vaak een weerspiegeling van de smaak van de directeur. Tegenwoordig is het meer een proeve van bekwaamheid om te laten zien of het museum de banden met collectioneurs kan bestendigen. Directeur Rick Vercauteren van Museum van Bommel van Dam stelt naar aanleiding van het verschijnen van een nieuwe catalogus met aanwinsten dan ook onomwonden: ‘Een museum gaat immers niet over dingen maar juist specifiek over de relatie met mensen.’Museum van Bommel van Dam is bij uitstek een museum dat is opgericht door een particulier initiatief. In 1967 schonken Maarten en Reina van Bommel-van Dam hun kunstverzameling van twaalfhonderd werken aan de gemeente Venlo, op voorwaarde dat er een museum gebouwd zou worden. De oorspronkelijke collectie is voor een groot deel een weerspiegeling van het kunstaanbod uit de jaren vijftig en zestig, de tijd waarin het echtpaar zijn verzameling aanlegde. De kern wordt gevormd door de schilderkunst, en verraadt een uitgesproken voorkeur voor abstract-expressionistische tendensen, met werk van kunstenaars als Bram Bogart, Eugène Brands, Ger Lataster en Jaap Wagemaker. Het aankoopbeleid richtte zich na enige tijd ook op andere disciplines zoals fotografie en beeldhouwkunst. Tegenwoordig ligt het zwaartepunt nog steeds op schilderijen en werken op papier, maar het museum besteedt incidenteel ook aandacht aan ruimtelijke installatie, video’s of performances.De oprichters van het museum hadden aanvankelijk geen relatie met Venlo. Ze bouwden de verzameling voornamelijk op vanuit Amsterdam, en als er Limburgse kunstenaars werden aangekocht, berustte dat op toeval. Na de oprichting van het museum werd wél bewust aandacht geschonken aan Limburgse kunstenaars. Tegenwoordig komen de meeste kunstenaars waarvan werk wordt aangekocht uit Limburg, Noord-Brabant en Zuid-Holland. Het museum heeft zijn blik daarnaast verruimd in de richting van Duitsland en in mindere mate België.

In drie achtereenvolgende tentoonstellingen Nieuw, nieuwer, nieuwst [1], [2] en [3] komen aanwinsten en schenkingen uit de laatste vijf jaar aan bod. De collectie is in die periode uitgebreid met opvallend veel schenkingen door kunstenaars (of erven van kunstenaars), vaak naar aanleiding van een tentoonstelling in het museum (het gaat om werken van onder meer Bert Loerakker, Frank van Hemert, Arjan van Arendonk, Noud van Dun, Rob Moonen, Jef Diederen en Pierre van Soest). In nogal wat gevallen werden werken gekocht, waarna andere werden geschonken (Beatrice Minda, Michael Kiernan, René Korten, Joseph Semah en Ton Slits).

Een groot deel van de aanwinsten werd mogelijk gemaakt door een gift uit 2009 van Tijmen en Helen Knecht-Drenth. Dit verzamelaarsechtpaar bouwde in sommige opzichten op een vergelijkbare manier zijn verzameling uit als de naamgevers van het museum, al ligt de nadruk in deze collectie op tekeningen en grafiek. Naast de geschonken verzameling heeft het museum een geldbedrag gekregen van 726.000 euro, waarvan voorlopig jaarlijks voor 36.000 euro kunstwerken kan worden aangekocht.

Museum van Bommel van Dam verzamelt bij voorkeur hedendaagse kunst. Op Nieuw, Nieuwer, Nieuwst [2] waren voornamelijk tekeningen en schilderijen te zien, naast een enkele video en één ruimtelijke installatie van Joseph Semah. Soms is de samenhang tussen de werken ver te zoeken. Wat de werken van Joseph Semah, Joe Tilson en Ton Slits in één zaal met elkaar te maken hebben blijft bijvoorbeeld volstrekt duister.

Toch zijn er enkele rode lijnen in de collectiepresentatie te ontdekken. Er zijn bijvoorbeeld nogal wat landschappen verworven. Zo kocht het museum de monumentale houtskool- en krijttekening Iceland (2011) van Raquel Maulwurf, met een dreigende lucht boven een zwarte zee. Maulwurf kiest voor haar werk vaak beladen onderwerpen, zoals bombardementen in de Tweede Wereldoorlog. Deze tekening lijkt een toespeling op de economische crisis, die in IJsland al vroeg toesloeg, afgezet tegen de oerkracht van de natuur. De andere tekening, Louisiana (2009), verbeeldt een overstroomd gebied vanuit de lucht, waarschijnlijk New Orleans na de orkaan Katrina. Een luchtopname van het vernietigde cultuurlandschap verschijnt als een grillig zwart-witpatroon, alsof goed en kwaad hier letterlijk aan de oppervlakte komen. Maulwurfs grote tekeningen werden getoond naast geschilderde landschappen van René Korten, een gestileerd zeegezicht met ondergaande zon van Rob Moonen en de benauwende, getekende landschappen van Michael Kierman, waarin het perspectief sterk is aangezet.

Museum van Bommel van Dam koopt dus voornamelijk werk van hedendaagse kunstenaars, terwijl door legaten en schenkingen ook ouder werk aan de verzameling werd toegevoegd. Dat beleid is min of meer vergelijkbaar met dat van Stedelijk Museum Schiedam, dat op de collectiepresentatie Gedeelde passie een selectie laat zien van de aankopen van de afgelopen zes jaar. Het museum heeft zich vanaf de jaren vijftig toegelegd op het tonen en verwerven van moderne kunst. Vanaf 1954 kocht men vooral werken van Cobra-kunstenaars. De kern van deze collectie wordt gevormd door het werk van de Nederlandse tak van de Cobra-beweging: Karel Appel, Eugène Brands, Constant, Lucebert, Corneille, Jan Nieuwenhuijs, Anton Rooskens en Theo Wolvecamp. Het kopen van Cobra werd in de jaren zestig een kostbare aangelegenheid. Daarom koos men er destijds voor om de collectie vooral aan te vullen via bruiklenen en schenkingen. Het aankoopbeleid beperkte zich tot kunstenaars die toen nog relatief jong en onbekend waren, zoals Ad Dekkers, Daan van Golden, Pieter Engels en Peter Struycken.

Deze beleidslijnen zien we eigenlijk nog steeds terug in de aanwinsten op Gedeelde passie. Het museum heeft de afgelopen jaren enkele stukken van Cobra-kunstenaars kunnen verwerven, vooral via langdurige bruiklenen. Van het aankoopbudget (50.000 euro per jaar) worden voornamelijk werken gekocht van hedendaagse kunstenaars.

Ook hier zien we een duidelijke relatie met de monografische tentoonstellingen die in het museum hebben plaatsgevonden. De samenhang tussen de werken anderzijds is nog minder duidelijk dan in Venlo, al moet gezegd dat deze presentatie erg bescheiden is en allerminst een volledig beeld geeft van de aanwinsten van de afgelopen jaren. De fotoserie Particulier Domein van Peter Hellemons was eerder te zien op de groepstentoonstelling Family Affairs in 2009. De serie is samengesteld uit een gevonden collectie vernacular photography. Na het overlijden van zijn grootvader Leo Polhuis vond Hellemons een verzameling van bijna 2500 dia’s uit de periode 1959 tot 1981. De familiekiekjes vormen samen een persoonlijke geschiedenis van een gezin, maar de foto’s zijn tegelijk zeer herkenbaar en universeel; Polhuis legde zijn gezinsleden vast tijdens een dagje aan het strand, een diner tijdens de verjaardag van oma Polhuis of een bezoek aan de Floriade. Deze serie vertoont enige verwantschap met de foto’s van Bert Sissingh, die ook in Family Affairs vertegenwoordigd was en waarin de kunstenaar zichzelf met zijn vader afbeeldt in huiselijke situaties. Het is de vraag of zulke foto’s over het familieleven een vervolg krijgen, of dat het incidentele aankopen blijken.

De beelden van Michael Jacklin staan in de traditie van de geometrisch-abstracte kunst uit de jaren zestig en zeventig, en zijn daardoor sterker verbonden met de collectie van het museum. Dat geldt ook voor de werken op papier van Maria Roosen, Otto Egberts en vooral van Karin Arink, die tot op zekere hoogte verbonden zijn met de expressionistische kunst uit de jaren vijftig.

Hoewel Stedelijk Museum Schiedam geen prioriteit geeft aan aankopen van vroegere generaties, is het er ook in geslaagd om de Cobra-verzameling te verrijken. Het museum kreeg bijvoorbeeld een forse collectie schilderijen en werken op papier van Lucebert in bruikleen van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Ook andere schilderijen uit de jaren vijftig en zestig werden via langdurige bruiklenen binnengehaald. Zo hangen op Gedeelde passie twee schilderijen van Wim de Haan en Jaap Wagemaker, net als een doek van Jan Elburg uit 1960. Ook Peinture Criminelle (1957) van Armando kwam naar Schiedam. Het doek werd door het echtpaar Onno Boers en Richard Kuiper in 2010 in langdurige bruikleen gegeven en vormt nu een sleutelstuk tussen Cobra en de Informelen en Nul.

Een ander belangrijk bruikleen zijn de 52 werken die het museum kreeg uit de nalatenschap van Constant, die in 2005 overleed. Het ensemble omvat 42 schilderijen, zes ruimtelijke constructies en vier werken op papier, afkomstig uit het atelier van de schilder. De twee schilderijen op Gedeelde passie, uit Constants laatste periode, zijn zeker niet zijn beste werken, maar in deze opstelling vormen ze wel een mooie overgang van het expressionisme en de materieschilderkunst uit de jaren zestig en zeventig naar de onderkoelde werken van Jurriaan Molenaar en het broeierige narratieve doek Man in bos van Alex van Warmerdam.

 

Gedeelde passie, Een keuze uit aanwinsten 2008-2013, tot 11 mei in Stedelijk Museum Schiedam, Hoogstraat 112, 3111 HL Schiedam (010/246.36.66; www.stedelijkmuseumschiedam.nl).

Nieuw, nieuwer, nieuwst [2] was van 10 november 2013 tot 9 maart 2014 te zien in Museum van Bommel van Dam, Deken van Oppensingel 6, 5911 AD Venlo (077/351.34.57; www.vanbommelvandam.nl). Nieuw, nieuwer, nieuwst [3] vindt plaats van 16 maart tot 7 september.