Christophe Van Gerrewey

DE WITTE RAAF

Editie 171 september-oktober 2014

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Henri Lefebvre. Toward an Architecture of Enjoyment

In 1973 wordt de Franse filosoof Henri Lefebvre (1901-1991) gevraagd om een boek te schrijven over Spaanse toeristische steden als Benidorm, Torremolinos en Salou. De invitatie komt van stadssocioloog, stedenbouwkundige en ecologisch activist Mario Gaviria (1938), voormalig student van Lefebvre. Net als andere Spaanse intellectuelen heeft Gaviria sinds de jaren vijftig met fascinatie het ontstaan gadegeslagen van grootschalige vakantieparadijzen langs de Costa del Sol en de Costa Blanca. Eerder dan deze fenomenen af te wijzen als monofunctioneel, commercieel en stompzinnig, wil hij de mogelijkheden en de kwaliteiten ervan onderzoeken: wat doet Benidorm met een mens? En is een verblijf in Salou dan geen gelukzalige onderbreking van de steeds strengere arbeidscondities – een tijdelijke viering van lichamelijkheid en sensualiteit in de weinige vrije tijd?

Lefebvre gaat op de uitnodiging in. Hij is op dat moment als Franse intellectueel bekend van onder meer Critique de la vie quotidienne (1947) en Le droit à la ville (1968) – boeken waarin hij analyseert hoe abstracte filosofieën, kapitalistische systemen en urbanistische methodes het dagelijkse leven aan rigide en onnatuurlijke formules hebben onderworpen. Als Gaviria de tekst onder ogen krijgt – met als titel Vers une architecture de la jouissance – is hij teleurgesteld: het blijkt om een abstract essay te gaan, dat volgens hem geen plaats verdient in de studie over toeristische kuststeden. Het manuscript verdwijnt in een lade.

In 2008 wordt het herontdekt door Lukasz Stanek, een architectuurtheoreticus die een doctoraat wijdt aan de teksten van Lefebvre over stad en architectuur (in 2011 verschenen als Henri Lefebvre on Space: Architecture, Urban Research, and the Production of Theory). In het kader van zijn onderzoek interviewt hij Gavirias, en terloops komt het bestaan van de vergeten tekst ter sprake. Na uren zoeken in de privébibliotheek van Gavirias wordt het typoscript teruggevonden. In juni 2014 verschijnt Toward an Architecture of Enjoyment van Henri Lefebvre, een Engelse vertaling met een lang contextualiserend voorwoord van Stanek.

Het is betekenisvol dat het Franse origineel niet wordt uitgegeven: de actuele status van Lefebvre in het Franse taalgebied is laag, zeker in vergelijking met de invloed die de Engelse vertalingen van zijn teksten sinds de jaren negentig uitoefenen. Gelijktijdig met dit boek verscheen bijvoorbeeld bij Verso een nieuwe editie van zijn Critique of Everyday Life. In de wereld van de architectuurtheorie en de stedenbouw, en van de cultural studies in het algemeen, bekleedt Lefebvre zeker een even belangrijke plaats als Michel de Certeau, die andere Franse ‘verdediger van het dagelijkse leven’. Hun teksten worden nog steeds wereldwijd door onderzoekers en studenten gelezen als handleidingen bij het ontcijferen van de ideologische, politieke en sociale betekenis van ruimtes, plaatsen en steden.

De titel van de tekst uit 1973 is programmatisch: Lefebvre verwijst naar Vers une architecture, een manifest van de modernistische architectuur uit 1923 van Le Corbusier, en gebruikt de klassieke (en nauwelijks te vertalen) term jouissance, door Lacan geïntroduceerd in de psychoanalyse, en door Roland Barthes (niet toevallig ook in 1973) toegepast op het lezen van literaire teksten in het essay Le plaisir du texte. Voorbij de functionalistische, cerebrale en volgens hem al te ascetische idealen van de modernistische architecten, gaat Lefebvre op zoek naar een architectuur die zintuiglijk genot, ‘vreugde, sereniteit, sensualiteit en geluk’ garandeert. Hij lijkt meteen te beseffen hoe hopeloos zo’n onderneming is. In de inleiding definieert Lefebvre architectuur als ‘de productie van ruimte op een specifiek niveau, van meubels tot tuinen en parken en zelfs landschappen.’ Deze ruimtes zijn onvermijdelijk een weergave van de overheersende culturele en politieke opvattingen. Daarom kent hij elk architectuurproject een ‘relatieve autonomie’ toe, en benadrukt hij tegelijkertijd dat ruimtes altijd beantwoorden aan ‘de wetten van de macht’.

Wat de consistentie van zijn betoog er niet groter op maakt, is dat hij zich allesbehalve tot de architectuur beperkt. Vers une architecture de la jouissance bestaat uit twaalf hoofdstukken: na inleidende overwegingen, volgen beschrijvingen van het ‘probleem van de jouissance’ in andere domeinen: filosofie, antropologie, geschiedenis, psychologie, psychoanalyse, semantiek, semiologie en economie. Hoe verscheiden al deze disciplines ook zijn, de conclusie van Lefebvre is simpel: overal en altijd wordt de jouissance tegengewerkt! Alles wat we leren van filosofen is teleurstellend: zij verwerpen ‘plezier, genoegens, sensualiteit en fysieke vreugde en ze verkondigen enkel spiritualiteit’. Hetzelfde geldt voor kunst: ‘kunstenaars geven uitdrukking aan wat onderdrukt is, en onderdrukken het daarna opnieuw, maar deze keer grondiger, en voorgoed.’ Ook van de ruileconomie waarin we leven valt geen heil te verwachten: enkel een ‘genotseconomie’ kan een einde stellen aan alles wat ‘de werkelijkheid vermoordt in naam van het realisme (of eerder cynisme)’. Door psychoanalyse en rationeel denken, door te praten en te argumenteren, hebben westerse mensen ‘de bloem van het levende vlees’ in de tang genomen; ‘het plezier is op de vlucht geslagen voor het discours, zowel geschreven als gesproken’.

Misschien biedt de architectuur redding? Helaas laat de anti-intellectualistische houding van Lefebvre daar evenmin plaats voor. ‘Ik wist het’, schrijft hij. ‘In het paradijs is er geen architectuur – geen huizen, geen kleding.’ En is Benidorm dan wel een verzameling van ‘architecturen van genot’? Het verklaart de afwijzing van Gaviria in 1973: Lefebvre noemt nergens de Spaanse vakantiesteden, en analyseert op geen enkele manier de werking, de totstandkoming, de geschiedenis of het gebruik ervan. Zo trapt hij in de klassieke val van lyrische manifesten over genot, vrijheid en plezier: de strijd voor de geneugten van het concrete menselijke lichaam, weg van abstractie en theorie, slaat zelf om in een onbegrijpelijk, beklemmend en nergens concreet of inzetbaar discours. In het hoofdstukje over architectuur maakt Lefebvre een wandelingetje – hij noemt het conform de tijdgeest natuurlijk een dérive – langs ‘hoogtepunten’ uit de geschiedenis. De baden van Diocletianus uit de derde eeuw noemt hij ‘ruimtes van genot, ja, misschien zelfs de meest succesvolle architecturale ruimtes’. Even voordien schrijft hij dan weer hoe ‘vrijetijdsruimtes onmiddellijkheid beloven, maar enkel illusies verstrekken – een parodie van erotiek, een karikatuur van genot’. Uiteindelijk blijkt dat Lefebvre weinig over architectuur te vertellen heeft. Vanuit een ongeïnspireerde en eenzijdige maatschappijkritiek weigert hij halsstarrig om een gebouw als een creatieve daad van een individu te appreciëren, of om architectuur te lezen als een bron van intellectueel en interpreterend genot. Vers une architecture de la jouissance, opgediept uit de twintigste eeuw, is dus niet te verkiezen boven Vers une architecture of Le plaisir du texte. 

 

• Henri Lefebvre, Toward an Architecture of Enjoyment, verscheen in 2014 bij University of Minnesota Press, 111 3rd Avenue S., Suite 290, Minneapolis, MN 55401-2520 (01/612.627.1932; www.upress.umn.edu).