Marc Goethals

DE WITTE RAAF

Editie 171 september-oktober 2014

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Nieuwe publicaties

Laurence Aëgerter. Cathédrales. Paris: RVB Books, 2014. 248 blz. 120 afb. ISBN 979-10-90306-16-5

Het gebruik van oude fotoreproducties als materiaal voor nieuwe kunstwerken gaat terug tot het begin van de 20e eeuw. De collages van de dadaïsten vormden hier ongetwijfeld pionierswerk. Het hergebruik van oud fotomateriaal bleef zich daarna ontwikkelen, denk maar aan de picture pictures van Richard Prince of de archiverende fotomontages van Hans-Peter Feldmann. Voor haar nieuwe publicatie Cathédrales vertrok de jonge Franse kunstenares Laurence Aëgerter van het fotoboek Cathédrales et églises de France (Ministère des travaux publics, des transports et du tourisme, 1949). Ze plaatste het boek bij het venster van haar studio, en opende het op een zwart-witafbeelding van de vijf portalen van de kathedraal van Bourges. Gedurende twee uur maakte ze 120 opnames van deze dubbele pagina. De beelden reproduceerde ze full page in een doorlopende reeks. Hierdoor zien we hoe licht- en schaduwvlekken gedurende haar opnamesessie over de afbeelding schuiven. De laatste foto’s van de reeks zijn in een donkere schaduw gehuld (of is het de nacht die valt?). De combinatie van het complexe schaduwspel in de oorspronkelijke opname van de portalen met de nieuwe licht- en schaduwpartijen die over de reproductie glijden, levert een bijna caleidoscopisch effect op. Door de sequens van de pagina’s en de kwaliteit van de opnames ontstaat een aangenaam spel met licht en tijd. Voor de vormgeving van het boek heeft Laurence Aëgerter zich laten leiden door het originele boek van 1949. Opvallend is echter dat ze de afbeelding van het gotische roosvenster op de cover verving door een gele schijf, duidelijk verwijzend naar de zon.

 

Stephen Bann (red.). Midway: Letters from Ian Hamilton Finlay to Stephen Bann 1964-69. London: Bitter Lemon Press, 2014. 426 blz. 32 afb. ISBN 978-1-908524-348

Ian Hamilton Finlay (1925-2006) evolueerde in zijn artistieke loopbaan van schrijver, uitgever, concrete dichter en tuinontwerper tot beeldend kunstenaar. Het grootste succes kende hij in de jaren 80, toen zijn esthetische voorkeur voor het classicisme goed leek te passen binnen het toenmalige ‘postmodernisme’-discours. Daarvoor was hij ongetwijfeld een van de meest intelligente ontwerpers/auteurs van concrete poëzie. Het is precies uit die periode dat deze brievenbundeling dateert. Finlays vriend Stephen Bann was eveneens een concrete dichter, maar ontwikkelde zich tot academicus. Ian Hamilton Finlay leed aan agorafobie en verliet zijn woning op het Schotse platteland nauwelijks. In die jaren verliepen bijna al zijn contacten per brief. De correspondentie met Stephen Bann was zijn belangrijkste artistieke klankbord. Opvallend is dat Ian Hamilton Finlay zijn concrete gedichten niet alleen liet drukken, maar ook liet uitvoeren als sculptuur. Voor het opvolgen van de realisatie in glas, beton, steen, hout en zo meer, was hij eveneens aangewezen op briefwisseling met de uitvoerders. In de correspondentie met Stephen Bann lezen we hoe frustrerend traag zijn productie verloopt, maar wordt ook duidelijk met welk een extreme precisie hij te werk gaat. Dit levert veel woede en gesakker op. Dikwijls retourneerde hij werken naar de ateliers omdat ze niet voldeden aan zijn normen. Daar komt nog bij dat zijn verhouding met de Schotse en Britse kunstwereld ambivalent was. In de brieven zien we hoe hij voortdurend in conflict leeft met de buitenwereld, die hij desondanks nodig heeft voor het realiseren en presenteren van zijn werken.

De inleiding van deze bundel brieven is van de hand van Stephen Bann zelf, die ondanks zijn persoonlijke betrokkenheid met zijn wetenschappelijke achtergrond genoeg afstand kan nemen. De brieven zijn geannoteerd waar nodig en de typografische eigenaardigheden werden zo veel mogelijk gerespecteerd. Stephen Bann voegde ook een vijftal selectieve bibliografieën toe, met betrekking tot de concrete poëzie in het algemeen en het werk van Finlay in het bijzonder. De laatste brief van 16 november 1969 eindigt veelbetekenend met de volgende zin: ‘I trust you are remembering that Concrete Poetry (that Movement of the 60’s) has but a few days to go…’.

 

Pierre Leguillon. Dubuffet Typographe. Brussel: (SIC), 2013. 364 blz. ISBN 978-2-930667-05-8

De Franse kunstenaar Jean Dubuffet (1901-1985) had een grote belangstelling voor tekeningen van kinderen en geestelijk minder begaafden. Hij noemde hun producten art brut. Tegelijkertijd was hij in het naoorlogse Parijs een notoir lid van het Collège de ‘Pataphysique, samen met onder anderen Raymond Queneau, Eugène Ionesco, Marcel Duchamp, de Marx Brothers en René Clair. Hij gaf toe dat hij niet goed begreep wat ‘Patafysica was, maar omschreef het niettemin als een filosofie, losgekoppeld van de logica en ontvankelijk voor het ongerijmde, de chaos en het regelloze. Hij hanteerde in zijn kunst dan ook een grote vrijheid. Aangezien hij geïnteresseerd was in taal, overschreed hij ook geestdriftig de toenmalige normen van de typografie.

Pierre Leguillon exploreerde verschillende archieven (Fondation Dubuffet, Bibliothèque Kandinsky…) en stelde dit boek samen met honderden afbeeldingen van efemera, posters, brieven en korte teksten. We merken dat Jean Dubuffet in zijn kunst in de eerste plaats vertrekt van een handschrift dat hij telkens varieert en vervormt. Soms versluiert of vernietigt hij zelfs de leesbaarheid van de woorden. De zwart-witafbeeldingen zijn allemaal paginagroot weergegeven, wat een helder en aangenaam boek oplevert. Op het einde van het boek toont Pierre Leguillon een zes pagina’s lange compilatie van woorden, geplukt uit diverse drukwerken, waarmee hij de verschillende contrasterende stijlen van Jean Dubuffet toont. Ten slotte bevat deze bundeling nog een lijst van boeken die door Jean Dubuffet werden geïllustreerd.

 

Max Pinckers. Will They Sing Like Raindrops or Leave me Thirsty. Brussel: uitgave in eigen beheer, 2014. 232 blz. 140 afb. ISBN 978-9081971515

De Brusselse kunstenaar Max Pinckers (°1988) publiceerde in het voorjaar een opvallend fotoboek. Het onderwerp is de liefdes- en huwelijkscultuur in India, gedrenkt in kitsch en taboes. Maar het is vooral de manier waarop hij fotografeert die boeit. In het boek zijn een zevental reeksen te vinden, waarbij het onderwerp telkens wordt benaderd met een nieuwe fotografische blik. Tegelijkertijd onderscheiden de reeksen zich ook door een eigen typografische behandeling. In plaats van de zeven reeksen na elkaar te presenteren weeft hij ze door elkaar, wat het boek erg levendig maakt. Zo is er een reeks over de vluchthuizen van de Love Commandos. Deze organisatie biedt bescherming aan verliefde koppels die niet mogen trouwen vanwege hun verschillende religieuze of sociale achtergrond – doen ze het toch, dan hangt de vrouw een eremoord boven het hoofd. De aangrijpende reeks is in een neutrale documentaire stijl gefotografeerd en gepresenteerd in een horizontale band. Voorts heeft Pinckers protserige decors uit de Bollywoodstudio’s aflopend op glanzend papier gereproduceerd. Geënsceneerde taferelen met jongelingen zijn gefotografeerd met fel flitslicht, hetgeen de kunstmatigheid van het onderwerp versterkt. Maar ook krijgen we grof gerasterde beelden te zien van gevonden knipsels of kleine foto’s van sculpturen die Max Pinckers ter plaatse maakte. Wanhopige brieven van bedreigde koppels, geplukt van de weblog van de Love Commandos, zijn dan weer afgedrukt op groen papier. Ondanks die fotografische grabbelton verliest het boek nooit zijn eenheid. Hans Theys sluit het boek af met een tekst die de lezer wegwijs maakt in de artistieke wereld van Max Pinckers. De lange titel Will They Sing Like Raindrops or Leave me Thirsty is een citaat uit een liefdeslied gezongen in een documentaire over Bollywood.