Marc Goethals

DE WITTE RAAF

Editie 170 juli-augustus 2014

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Nieuwe publicaties

Hou Chien Cheng. Brown. Gent: Art Paper Editions, 2014. 140 blz. 24 afb. ISBN 978-9490800222

De Taiwanese kunstenaar Hou Chien Cheng (°1981) woont in Antwerpen. Hij beschrijft zijn werk als een microhistorisch onderzoek dat focust op mensen en hun bezorgdheden. Door middel van portretten in diverse media, zoals sculptuur, installatie en film, gaat hij in op de delicate verhouding van het individu met de wereld. Een van zijn recentste projecten is het kunstenaarsboek Brown, dat de vorm heeft van een Engelstalige novelle. Beeldende kunstenaars die zich wagen aan literatuur, gaan daar meestal op een experimentele manier mee aan de slag, maar Hou Chien Cheng schreef zijn novelle in een conventionele stijl. Hij vertelt het verhaal van Mr. Brown, een Amerikaan die door omstandigheden in het verre West-Vlaanderen is gestrand. Chien Cheng doet dit eerst vanuit het standpunt van de kruidenierster uit het dorp waar Mr. Brown woont en daarna vanuit het standpunt van Jonathan Brown, zijn zoon. De twee hoofdstukken worden onderbroken door 24 pagina’s met tekeningen, die de contouren van landen suggereren. Het vlot en spannend geschreven verhaal weet het thema van de ontheemding treffend te vatten, zonder te vervallen in een politiek correct pamflet.

 

Marc Maet. The Aftermath. Brussel: Roberto Polo Gallery, 2014. 112 blz. 65 afb. ISBN 979-10-92599-02-2

Naar aanleiding van een tentoonstelling in de Roberto Polo Gallery in Brussel verscheen een nieuwe monografie over Marc Maet (1955-2000). Onder de ietwat dramatische titel The Aftermath (‘de nasleep’) toont het boek een selectie uit de laatste 10 jaar van het oeuvre. Aanvankelijk, in de jaren 80, had Marc Maet succes met schilderijen die min of meer pasten binnen de toenmalige ‘neo-expressionistische’ schilderkunst. In de tweede helft van zijn carrière probeerde hij zich steeds meer binnen het grote kunsthistorische verhaal te situeren. Hij deed dit door expliciet te verwijzen naar voorgangers als René Magritte, Marcel Broodthaers, Sigmar Polke en Vincent Van Gogh. Het leverde eclectische beelden op, die de twijfel verraden aan een authentiek kunstenaarschap. We zien hem als het ware worstelen met zichzelf. Het boek is te zeer volgens de regels van het klassieke kunstboek vormgegeven en mist karakter. In een voorwoord situeert Willem Elias het werk, waarna een korte tekst volgt van Ann M. Dijkstra onder de titel I saw myself seeing myself.

 

Xavier F. Salomon. Veronese. London: National Gallery Company Ltd. 272 blz. ISBN 978-1-85709-5531

Tijdens het voorjaar was er in de National Gallery in Londen een unieke tentoonstelling te zien onder de titel Veronese: Magnificence in Renaissance Venice. Aan de 10 schilderijen uit de eigen collectie werden 40 werken van over de hele wereld toegevoegd. Verschillende uitgevers brachten naar aanleiding hiervan publicaties op de markt. Zo publiceerde Thames & Hudson het koffietafelboek Paolo Veronese, met meer dan 300 reproducties. Bij Pallas Athene verscheen Lives of Veronese, dat een drietal biografieën uit de 16e en 17e eeuw bevat. Maar veruit het interessantste boek is Veronese, uitgegeven door de National Gallery zelf. De tekst is de neerslag van een vijfjarig onderzoek waarbij Xavier Salomon een nieuw licht op leven en werk van de Italiaanse schilder laat schijnen. Salomon vermijdt enkele hardnekkige clichés. Zo onttrekt hij het oeuvre aan het maniërisme, een oude kunsthistorische classificatie die het reeds eeuwen met zich meedraagt. Hij doet ook afstand van de gewoonte om Veronese al te zeer met Titiaan en Tintoretto in verband te brengen. Maar ook het probleem van de datering pakt hij aan, waarbij hij de laatste stand van zaken analyseert en nieuwe hypotheses formuleert. Het boek is uitvoerig geïllustreerd en gedocumenteerd, en eindigt met een geïllustreerde tentoonstellingslijst en een bibliografie.

 

David Senior (red.). Please Come to the Show. London: Occasional Papers, 2014. 160 blz. ISBN 978-0-9569623-7-9

De laatste tien jaar is het besef gegroeid dat efemera niet te onderschatten documenten zijn van de artistieke productie uit de tweede helft van de 20e eeuw. Met efemera worden allerlei drukwerken benoemd die een korte omlooptijd hebben; denk aan uitnodigingskaarten, flyers, postkaarten, posters en zo meer. Een pionier in het onderzoek naar deze ‘vluchtige’ media is Steven Leiber, die met het boek Extra Art: A Survey of Artists’ Ephemera (Santa Monica, Smart Art Press, 2001) voor het eerst een volwaardig naslagwerk hierover publiceerde. David Senior, bibliothecaris van het MoMA in New York, presenteerde vorig jaar een tentoonstelling met een selectie efemera uit de MoMA-archieven. Dit voorjaar was de tentoonstelling ook te zien in Liverpool. Naar aanleiding daarvan verscheen het boek Please Come to the Show, dat een uitvoerig geïllustreerde selectie uit het archief omvat, chronologisch geordend van 1957 tot nu. De nadruk ligt op de artistieke scene in New York, maar ook Europese kunstenaars zoals Gilbert & George, Bas Jan Ader, Gina Pane, Martin Kippenberger en David Shrigley stuurden hun uitnodigingen naar het MoMA. De eerste kunstenaars die hun uitnodigingskaarten en ander gelegenheidsdrukwerk artistiek benaderden, kwamen uit de hoek van Fluxus en de happenings – dikwijls was dit drukwerk immers het enige materiële restant van hun vluchtige acties en events. Later reduceerde de conceptuele kunstenaar Robert Barry zelfs enkele tentoonstellingen tot een uitnodigingskaart (met onder meer de aankondiging ‘during the exhibition the gallery will be closed’). Naast David Seniors verslag van zijn onderzoek bevat het boek een zestal korte teksten en essays van onder meer Clive Phillpot, Will Holder en Antony Hudek.