Merel Van Tilburg

DE WITTE RAAF

Editie 173 januari-februari 2015

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

De zee – salut d’honneur Jan Hoet

De tentoonstelling De zee – salut d’honneur Jan Hoet in Oostende, verspreid over het museum Mu.ZEE en locaties in de stad en aan de kustlijn, is een dubbelzinnig project. Aanvankelijk zou het de laatste tentoonstelling van Jan Hoet worden, een hommage aan de zee, met een confrontatie van negentiende-eeuwse zeegezichten en hedendaagse kunstwerken. Na Hoets overlijden, in de aanloopfase van het project, werd besloten om van de tentoonstelling tegelijk een ‘salut d’honneur’ te maken. Sommige werken zijn opgedragen aan Hoet, zoals Lawrence Weiners Sail on Jan Hoet (2014). In de selectie is Hoets curatoriële verleden bovendien duidelijk te herkennen – waarbij de vraag openblijft of Jan Hoet daar zelf ook zo sterk op zou hebben teruggegrepen. Verwarrend is echter dat Hoet als cocurator wordt vermeld, samen met Mu.ZEE-directeur Phillip Van den Bossche: hoe ver zijn concrete bijdrage precies reikt, blijft onduidelijk, al lijkt het erop dat hij overleed voordat de selectie hedendaagse kunst werd gemaakt.

Meermaals wordt vermeld dat Hoet wilde uitgaan van een aantal negentiende-eeuwse zeeschilderijen, waaronder in de eerste plaats het magistrale La Vague van Gustave Courbet. In de catalogus is een kladpapiertje gereproduceerd met namen van schilders, door Hoet opgetekend terwijl hij aan de telefoon zat. Deze lijst komt overeen met de uiteindelijke selectie negentiende-eeuwse zeegezichten in de centrale zaal van Mu.ZEE op de eerste verdieping.

De zeezichten vormen het hart van het museale gedeelte van de tentoonstelling, dat zich vooral op de eerste verdieping van Mu.ZEE afspeelt. De presentatie op de benedenverdieping werkt als een korte introductie. Er worden onder meer enkele ingetogen strandschilderijen getoond, waaronder één van Alex Katz – je zou ze haast over het hoofd zien omdat ze tussen de kassa en de garderobe hangen. Een toepasselijker intro is de zeer sterke ‘dialoog’ tussen het zandkleurige Océanie, la mer (1946-47) van Matisse – het verwijst naar een reis naar Tahiti en past binnen zijn ‘knipselwerk’, ook al zijn de vormen hier niet uit papier geknipt en opgekleefd, maar gezeefdrukt op linnen – en een vloerinstallatie van Bernd Lohaus met wrakhout. Dit soort diachrone dialogen wordt op de eerste verdieping voortgezet in een geslaagde juxtapositie van Courbets La Vague met een werk van Marlene Dumas en een zeezicht van Thierry de Cordier. Courbets kadrering van een groepje aanrollende golven, waarvan er één breekt op een rots, is een hypnotiserend schilderij. Bij langdurige beschouwing blijkt de grootste golf een spiraal van dikke, sculpturaal opgebrachte verf, met een uiterst intieme, donzig en zacht aandoende binnenzijde, die associaties oproept met een schelp, Courbets grotten of het vrouwelijk lichaam. Dumas’ werk, dat een platte granieten steen omvat met daarop een verkleurde foto van een Zuid-Afrikaanse baai, met daarnaast een gerimpeld stuk vetpapier waarop een vergeelde foto van een waterval is gekleefd, correspondeert zowel met de materiële monumentaliteit van Courbets verfgebruik, als met de door Courbet subtiel aangestipte metaforische en sentimentele aantrekkingskracht van de zee: de titel, Gebroke die See, geeft immers aan dat het gaat om een nostalgisch verlangen naar de zee en het water uit de kindertijd van de kunstenaar.

In de centrale zaal is van diachrone dialogen geen sprake meer; ze bevat uitsluitend negentiende-eeuwse zeegezichten. De fijne selectie laag opgehangen schilderijen is een feest voor het oog en maakt duidelijk hoeveel schilderkunstige interpretaties ‘de zee’ mogelijk maakt. Zo is er een welhaast abstracte Turner, die op een Rothko lijkt (drie zeegezichten boven elkaar), een schimmige en mysterieuze Ensor, die als een Turner oogt, en een meer traditionele Daubigny met een olieachtige verfopbreng. Bij haast al deze werken springt de materialiteit in het oog. De modernistische kunstvisie die de selectie suggereert, lijkt te worden bevestigd in Hoets identificatie van La Vague als een ‘crisismoment’ in de kunstgeschiedenis. Helaas wordt die crisis in de begeleidende teksten niet nader toegelicht. Vermoedelijk strookt deze bevinding met het toch wel uitgekauwde idee dat bij Courbet de moderne kunst begon, omdat de aandacht werd verlegd van realisme in de representatie naar ‘realisme’ in de materialiteit – en inderdaad ontbreken ook Cézanne en Picasso niet.

De tentoonstelling, zo heet het in het persbericht, wil overigens ‘crisismomenten’ in de héle moderne kunstgeschiedenis van het Westen verkennen. Afgezien van Courbet is het echter de vraag waar die crisismomenten te vinden zijn. Met een klotsende retoriek worden de verhaallijnen en wisselwerkingen tussen uiteenlopende werken op hun beurt als ‘golfbewegingen’ gekarakteriseerd; terwijl de tentoonstelling zelf volgens de website ‘net als een golf ongrijpbaar is, uitdeint, inslaat en sporen nalaat die weer gewist worden door nieuw geweld’. De werkelijkheid is echter dat de bezoeker die verbanden probeert te leggen, overspoeld wordt door een tentoonstelling die te omvangrijk en te onsamenhangend is. De architectuur van Mu.ZEE draagt bij aan deze ‘ongrijpbaarheid’: in plaats van een duidelijk parcours te volgen, vertakt de tentoonstelling zich in doodlopende routes rondom de centrale zaal. Werken zijn soms synchroon, soms diachroon gegroepeerd, en komen nu eens iconografisch, dan weer formeel, dan weer inhoudelijk-thematisch overeen. Even twijfel je erover of de tweede verdieping van Mu.ZEE niet ook bij de tentoonstelling hoort: onder de titel ‘de collectie en de zee’ lijkt de thematiek hier gewoon door te lopen, en ook de tekstborden zien er hetzelfde uit.

Bij de grote selectie ‘hedendaagse’ kunst lijkt het er zoals gezegd op dat Hoets geschiedenis het uitgangspunt vormde. Dit levert een enigszins historisch perspectief op de hedendaagse kunst op, waarbij heel wat goede, inmiddels alweer haast canonieke werken te zien zijn, van onder meer Marcel Broodthaers, Jannis Kounellis, Hanne Darboven, Thomas Schütte, Joseph Beuys – en op locatie van Tacita Dean, Rodney Graham, James Lee Byars en Bill Viola. De verhaallijnen die zich het duidelijkst opdringen hebben alle iets te maken met de aantrekkingskracht die de zee uitoefende op kunstenaars uit de Romantiek, en het is dan ook niet verwonderlijk dat een afbeelding van Caspar David Friedrichs Der Mönch am Meer – niet te zien in Oostende – de catalogus opent. Behalve een voorstudie voor Bas Jan Aders In Search of the Miraculous, refereert ook een aantal andere werken aan op zee dolende of omgekomen avonturiers, een thema dat terug te vinden is van de Griekse oudheid (de mythe van Odysseus bij onder meer Böcklin) tot het recente verleden (zoals bij Thomas Schütte of Tacita Dean). De romantiek van de zeebonk sluit in alle opzichten aan bij het discours van Jan Hoet, waarin immers die andere geromantiseerde masculiene wereld van het boksen centraal stond; waarin het heette dat grote kunst uit de onderlaag van de samenleving voortkomt; en waarin een haast religieuze of transcendentale relatie tot het kunstwerk voor mogelijk werd gehouden. Kris Martin maakte in aansluiting op deze laatste hoetiaanse esthetische premisse een gigantisch altaar voor de zee: een op schaal gemaakte kopie van het Gentse altaarstuk Het Lam Gods, waarvan echter enkel het karkas is overgenomen. Opgesteld aan de kustlijn had dit werk niet beter de verborgen romantische agenda van de tentoonstelling kunnen verbeelden. De ervaring is overigens zeer geslaagd: na het zien van de vele zeegezichten en aan de zee gerelateerde werken in de tentoonstelling, kijkt men door Martins lege altaarstuk met een door en door geromantiseerde blik naar de zee.

Als hommage aan Jan Hoet roept de tentoonstelling vooral nostalgie op naar dat krachtige moment in de recente kunstgeschiedenis waarop sterke mannen, grote gebaren en meesterwerken een nog onproblematisch statuut hadden. De daarmee sporende romantische kunstvisie heeft natuurlijk alles te maken met de negentiende eeuw, en in zoverre is de tentoonstellingsopzet coherent. Maar met de multiplicatie van ‘hoetismen’ is men in Oostende uit de bocht gevlogen: de keuze om werken onder te brengen op locaties in de stad moet bijvoorbeeld meer opleveren dan een toeristische wandeling, wat hier niet altijd het geval is. Het is een raadsel waarom men de galerie Beau Site aan moet doen: de koopwaar is hier interessanter dan de tentoongestelde kunstwerken. Als hommage aan de zee valt op hoe eenzijdig deze zeer uitgebreide tentoonstelling uiteindelijk blijkt, met haar impliciet romantische benadering.

 

De Zee. Salut d’honneur Jan Hoet, tot 19 april in Mu.ZEE en diverse locaties in de stad. Contact: Mu.ZEE, Romestraat 11, 8400 Oostende (059/50.81.18; www.muzee.be en www.dezee-oostende.be).