Marc Goethals

DE WITTE RAAF

Editie 173 januari-februari 2015

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Nieuwe publicaties

Michelle Piranio / Jeremy Sigler (red.). Carl Andre. Sculpture as Place, 1958 – 2010. New York / London: Dia Art Foundation / Yale University Press, 2014. 400 blz. ±400 afb. ISBN 978-0-300-19171-4

Nog tot 2 maart 2015 is in Dia: Beacon, New York een overzichtstentoonstelling te zien van het werk van Carl Andre (°1935). Deze Amerikaanse kunstenaar is vooral bekend voor zijn minimalistische vloersculpturen. Vele bezoekers van musea voor moderne kunst hebben ooit voor het dilemma gestaan of men nu over deze floor pieces mag wandelen of niet. Het antwoord is ja. Sinds de vroegste presentaties in 1967 vond Carl Andre dat het bewandelen van de werken de waarneming ervan vervolledigde. Maar het oeuvre van Carl Andre omvat veel meer dan deze overbekende werken en dat is precies wat de tentoonstelling en de publicatie duidelijk willen maken. Het lijvige boek begint prompt met 224 pagina’s afbeeldingen, die het volledige oeuvre evoceren. Hier zien we hoe Carl Andre aanvankelijk beïnvloed was door Brancusi, de beeldhouwer die voor het eerst de sculptuur ontdeed van zijn sokkel. Vanuit deze artistieke innovatie reduceert Carl Andre het beeldhouwwerk verder tot pure materie, die zich enkel nog verhoudt tot de ruimte. In de genoemde beeldsectie zijn ook de onbekende typewriter poems opgenomen. Ook hier reduceert Carl Andre de taal tot louter materiaal: niet meer dan woorden en letters, die dikwijls in seriële of modulaire groepen georganiseerd zijn. Nog minder bekend zijn de Dada Forgeries (dadavervalsingen) die hij assembleerde met gevonden voorwerpen. De tweede helft van deze publicatie bevat 13 essays van onder anderen Philippe Vergne, Vincent Katz en Anne Rorimer. Bij het lezen ervan krijgt men algauw de indruk dat de auteurs elkaar voor de voeten lopen. De situering van en reflectie op het minimalistische werk is vaak interessant, maar halverwege het tekstgedeelte slaat de herhaling toe. Verder bevat het boek een 15 pagina’s tellende, door Manuel Cirauqui samengestelde biografie, een bibliografie, een index en de checklist van de tentoonstelling. Opvallend is dat slechts een minderheid van de werken uit de tentoonstelling in de publicatie wordt afgebeeld. Maar de tentoonstelling komt naar Europa en men kan de ontbrekende werken de komende jaren zien in Madrid (Reina Sofia), Berlijn (Nationalgalerie im Hamburger Bahnhof) en Parijs (Musée d’Art Moderne de la Ville de Paris).

 

Bernhard Ridderbos. Schilderkunst in de Bourgondische Nederlanden. Leuven: Davidsfonds Uitgeverij, 2014. 328 blz. ISBN 978-90-5908-543-5

Deze nieuwe publicatie over de Vroegnederlandse schilderkunst is een solide wetenschappelijk werkstuk. De Nederlandse auteur verwijst in zijn inleiding naar twee voorgangers met wie hij in zijn teksten in discussie treedt. Vooreerst kijkt hij mee door de bril van Johan Huizinga, die in zijn Herfsttij der Middeleeuwen (1919) een erg esthetische, bijna vitalistische kijk etaleerde op de Vlaamse Primitieven (een term die in het boek van Bernhard Ridderbos niet wordt gebruikt). Daarnaast verhoudt hij zich ook tot de bijzondere zienswijze van Erwin Panofsky, die in 1953 Early Netherlandish Painting: Its Origins and Character publiceerde. Panofsky keek naar de Vroegnederlandse schilderijen als taferelen volgestopt met verborgen symbolen. Vanuit deze verschillende perspectieven zoekt Bernhard Ridderbos een tussenweg. Tegelijk onderzoekt hij de historische context van de werken. Zo gaat hij de biografieën van de opdrachtgevers na, om hun motieven voor de opdrachten te achterhalen of te onderzoeken wat hun invloed was op de inhoud van de panelen. Door de sociale, politieke en economische context te schetsen, plaatst hij de werken in een ander daglicht. Bovendien herkent hij in verschillende details het ontstaan van een artistiek bewustzijn bij de kunstenaars, waarmee hij een link maakt met de Renaissance.

Het boek bevat tien hoofdstukken waarvan er zeven toegespitst zijn op één enkel werk (onder andere Het Lam Gods van Hubert en Jan Van Eyck, Het oordeel van Cambyses van Gerard David en De Man van Smarten van Geertgen tot Sint Jan). In de drie andere hoofdstukken behandelt Bernhard Ridderbos enkele schilders thematisch: zo spreekt hij over het ritme bij Rogier van der Weyden, de moderne devotie bij Hugo van der Goes en de waardige ernst en diepe vrede bij Hans Memling. De beeldredactie van het boek is opvallend verzorgd met veel details en visueel vergelijkingsmateriaal, dat telkens op de juiste plek is aangebracht, waardoor de lezer niet te veel moet bladeren. Sommige werken zijn verschillende keren gereproduceerd, wat het leescomfort nog verhoogt. De auteur is uitstekend op de hoogte van de recentste ontwikkelingen in het wetenschappelijk onderzoek. Zijn boek is dus uiterst geschikt om de lezer te updaten over de Vlaamse Primitieven. 

 

Joan Rothfuss. Topless Cellist. The Improbable life of Charlotte Moorman. London: The MIT Press, 2014. 448 blz. 100 afb. ISBN 978-0-262-02750-2

Als leerling van John Cage was de Koreaanse videokunstenaar Nam June Paik ook bezig met de nieuwste experimenten in de muziek. Volgens hem waren sex en erotiek vanzelfsprekend aanwezig in de geschiedenis van de beeldende kunst en literatuur, maar eigenaardig genoeg niet in de muziekgeschiedenis. Toen hij in 1964 Charlotte Moorman ontmoette, zag hij de kans schoon om daar iets aan te veranderen. Charlotte Moorman (1933-1991) was een klassiek geschoolde celliste, die in 1957 naar New York was gekomen om haar studies te voltooien. Ze liet daarvoor haar geboortestad Little Rock achter zich, waar ze in 1952 de Little Rock’s Miss City Beautiful had gewonnen; een niet te onderschatten detail in haar biografie. In New York kwam ze snel in contact met componisten en muzikanten van de toenmalige avant-garde, zoals John Cage, Edgar Varèse, Morton Feldman en Frederic Rzewski. Maar het was de samenwerking met Nam June Paik die haar uiteindelijk op de internationale podia bracht. De beelden waarop Charlotte Moorman naakt achter de cello zit of TV Bra for Living Sculpture van Nam June Paik uitvoert zijn overbekend. Minder bekend is dat Charlotte Moorman vanaf 1963 tot 1980 het Annual New York Avant Garde Festival organiseerde, dat in de laatste jaren duizenden mensen op de been bracht. Deze nieuwe biografie van Joan Rothfuss bevat de programmering van de vijftien festivals, en de lijst van de deelnemende componisten en uitvoerders oogt indrukwekkend. Al even imponerend om zien is op welke verschillende locaties in New York het festival plaatsvond. Charlotte Moorman had naast haar artistieke kwaliteiten ook een organisatietalent. Ze wist directeurs en politici moeiteloos te overtuigen om private of publieke locaties ter beschikking te stellen, terwijl alle grote componisten en muzikanten graag op haar uitnodiging ingingen.

Charlotte Moorman was een charismatisch figuur, die vond dat experimentele muziek voor een zo groot mogelijk publiek gespeeld moest worden en dit ook wist waar te maken. Ze beschermde haar artistieke onafhankelijkheid onder andere door zich nooit voor de kar van het feminisme te laten spannen en nooit op te treden onder de ‘vlag’ van Fluxus, hoewel ze dikwijls met Fluxuskunstenaars werkte. Het knappe aan deze biografie is dat de lezer de indruk krijgt dat hij Charlotte Moorman uit de eerste hand leert kennen, terwijl de auteur haar nooit ontmoet heeft. Maar Joan Rothfuss sprak wel een heel aantal mensen die konden getuigen over haar optredens, presence, artistieke volharding en overtuigende onderhandelingsstrategieën. Yoko Ono, die een korte inleiding schreef, noemt Charlotte Moorman een ‘beatnik girl who had great fun’.

 

Thomas Ruff. Zeitungsfotos. Zürich: Bookhorse, 2014. 800 blz. 400 afb. ISBN 978-3-9523391-5-2

Grof gerasterde zwart-witfoto’s uit kranten waren voor sommige kunstenaars belangrijk materiaal om mee aan de slag te gaan: denk aan de vroege kunstwerken van Andy Warhol, Sigmar Polke of Gerhard Richter. Maar ook nu nog laten kunstenaars zich graag verleiden om te werken met dit ruwe drukwerk. Zo verzamelde de Duitse fotograaf Thomas Ruff in de jaren 80 duizenden krantenfoto’s. In 1990 maakte hij hieruit een selectie van 400 beelden. Hij herfotografeerde ze in kleur en ontwikkelde de nieuwe foto’s op dubbel formaat. Deze reeks Zeitungsfotos presenteerde hij op de muur. Nu, meer dan twintig jaar later, is er een kunstenaarsboek verschenen waarin Thomas Ruff dit werk opnieuw onder handen neemt. Hij herfotografeerde de beelden nogmaals, maar nu in zwart-wit, en drukte ze af op een getinte ondergrond. De beeldselectie is zeer subjectief en zonder inhoudelijke samenhang. De presentatie in het boek is beredeneerd en afstandelijk. De beelden zijn genummerd van 1 tot 400, en enkel afgedrukt op de rechterpagina’s. Op de linkerpagina’s zijn telkens het nummer en de afmetingen te lezen. Deze seriële en isolerende opsomming vervreemdt de foto’s nog meer van hun originele context, waardoor ze met een andere blik kunnen worden bekeken.