Lieske Tibbe

DE WITTE RAAF

Editie 174 maart-april 2015

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Van Goghs ‘begin’ in de Borinage

Op 29 juli zal het 125 jaar geleden zijn dat Vincent van Gogh overleed; musea, touroperators en organisatoren van festivals en bloemencorso’s hebben de gelegenheid niet voorbij laten gaan om 2015 tot een ‘Van Goghjaar’ uit te roepen. Overal waar Van Gogh gewoond heeft in Nederland, België, Frankrijk en Engeland worden ‘Van Goghlocaties’ in de schijnwerpers gezet. Ook Bergen (of Mons in het Frans), dit jaar Culturele Hoofdstad van Europa, claimt in de ‘geboortestreek’ van Van Gogh als kunstenaar te liggen. De hoofdstad van de Belgische provincie Henegouwen vormt namelijk het centrum van de Borinage, de industriële regio waar Van Gogh van december 1878 tot oktober 1880 verbleef en – na een half jaar te hebben gewerkt als evangelist – zijn eerste stappen als kunstenaar zette. Aan die periode en de impact ervan op Van Goghs werk is nu in het BAM (Musée des Beaux-Arts de Mons) een prestigieuze tentoonstelling gewijd, samengesteld door de Nederlander Sjraar van Heugten. De centrale these van de tentoonstelling is dat Van Gogh in de Borinage heeft besloten om een loopbaan als evangelist te laten varen en kunstenaar te worden. Maar het promotiemateriaal bij de tentoonstelling belooft nog meer: ‘Het is niet enkel de bedoeling om een beeld te vormen van het begin van zijn artistiek traject, maar ook de erbarmelijke levensomstandigheden in de Borinage uit de tijd van de beroemde schilder te schetsen.’

Het idee om aan plaatsen en landstreken waar Vincent van Gogh gewoond heeft, ook al was het nog zo kort, een bijzondere betekenis voor de ontwikkeling van zijn oeuvre toe te kennen, is al oud. Het lag reeds ten grondslag aan een van de eerste tentoonstellingen van zijn werk, in Amsterdam in de winter van 1892-1893. In de kleine bijbehorende catalogus worden de werken niet via titels aangeduid, maar door de namen van de achtereenvolgende plaatsen waar ze gemaakt zijn. Ook de gewoonte om bij kunstwerken uit toepasselijke brieven van Van Gogh te citeren – op deze tentoonstelling dienen ze eveneens als leidmotief in diverse zalen – werd toen geïntroduceerd. De Borinage is voorts niet de eerste plek waarmee een beslissende wending in Van Goghs leven en carrière werd verbonden. Ook Drenthe, waar hij in 1883 slechts drie maanden verbleef, wordt afgeschilderd als een ‘keerpunt’ en ‘een van de belangrijkste perioden’ in zijn leven. Hier zou Van Goghs overtuiging vorm hebben gekregen dat het plattelandsbestaan als thema van centraal belang was voor de moderne kunst, en dat hij op dit pad verder moest gaan. [1] In de catalogi Van Gogh in Brabant (1987) en De wevers en Vincent van Gogh (1990) werd zeer uitvoerig aan bod gebracht hoe Van Gogh zich manifesteerde als ‘boerenschilder’, tijdens de wisselende periodes in de jaren 1880 waarin hij in zijn geboortestreek verbleef. [2] Voor een andere wending in Van Goghs loopbaan, die van boerenschilder in realistische trant naar avant-gardist, worden zowel Den Haag als Parijs als ‘broedplaats’ genoemd. Hier ontdekte en verkende Van Gogh zowel het thema van de moderne stad als de impressionistische en neo-impressionistische wijze van schilderen. [3] Hoogtepunt van deze traditie van koppeling van geografie aan fases in Van Goghs oeuvre was wel de grote tentoonstelling Van Gogh en Gauguin. Het atelier van het Zuiden in 2002; in de catalogus wordt deze explosieve periode in Van Goghs werk en leven in Arles bijna van dag tot dag geanalyseerd. [4]

Het claimen van een speciale betekenis in de wording van Van Goghs kunstenaarschap voor Pâturages, Wasmes en Cuesmes in de Borinage sluit dus aan bij een gangbare tendens in de Van Goghliteratuur. Dat laat echter onverlet dat Van Gogh dáár, in de zomer van 1880, het besluit heeft genomen om kunstenaar te worden; het is niet zo vreemd dat men de traditie op dit punt heeft willen aanvullen. Maar er is wel een probleem: van Van Goghs verblijf in de Borinage is weinig bewaard gebleven. Er is slechts een handjevol tekeningen van over, die overigens vaak niet goed gelukt zijn, niet meer dan probeersels of oefeningen om de tekentechniek onder de knie te krijgen. Er moeten veel meer tekeningen geweest zijn, maar Van Gogh zelf heeft de meeste ervan vernietigd. Omdat hij in zijn Borinageperiode overhoop lag met zijn familie zijn er ook maar weinig brieven uit deze tijd over: negen in totaal. Hoe realiseer je een tentoonstelling over een fase in Van Goghs leven waarvan nauwelijks werk over is?

Bij het betreden van de tentoonstelling op de bovenverdieping van het BAM wordt men als het ware in een grauwe Borinagesfeer gedompeld: wanden, vloeren, plafonds en zitbanken zijn grijs- en antracietkleurig, de belichting van de geëxposeerde werken is gedempt. Dat laatste gebeurt uiteraard ter bescherming van de kwetsbare tekeningen en brieven, maar de keuze voor donkergrijs lijkt ook het verblijf in een mijn te suggereren. Of speelt hier de modetrend mee van de donkergrijze wanden, waar het Amsterdamse Rijksmuseum zoveel succes mee heeft? Op de benedenverdieping, waar voornamelijk schilderijen hangen, is wat meer kleur en licht toegelaten, maar ook hier overheersen donkere tinten (die overigens mooi harmoniëren met de lijsten). Rondom de afzonderlijke werken is veel wandruimte vrijgelaten. Kortom: deze ‘black box’ herbergt een zeer esthetisch opgezette tentoonstelling.

Zeven brieven en elf tekeningen van Van Gogh uit de Borinageperiode of kort daarna vormen de opmaat. Van de brieven worden de originelen getoond – deze dichtbeschreven velletjes zijn niet meer te raadplegen sinds de uitvoerige boek- en internetpublicatie van 2009. Sommige brieffragmenten worden ook geprojecteerd en zijn via een ingenieus systeem in drie talen te beluisteren. Wie het geduld daarvoor niet kan opbrengen kan alle brieven uit de Borinage in de catalogus nalezen. Voorts zijn de eerste tekeningen van Van Gogh te zien. Er wordt een aquarel getoond die hij kort na aankomst – want ook vóór zijn besluit om professioneel kunstenaar te worden tekende hij wel eens – van het industrielandschap maakte, naast enkele tekeningen van mijnwerkers. Twee grote tekeningen vertonen een opmerkelijk verschil in expressie: op Mijnwerkers in de sneeuw uit 1880 is een reeks houterige poppetjes te zien, eigenlijk nauwelijks als mijnwerkers herkenbaar, terwijl The Bearers of the Burden uit 1881 een spookachtige optocht weergeeft van vrouwen, diep gebukt onder zakken met kolen.

De tentoonstelling besteedt veel aandacht aan de ‘leermiddelen’ die Van Gogh gebruikte om zich als autodidact in het kunstenaarschap te bekwamen. Reproducties uit Van Goghs bezit worden zij aan zij gepresenteerd met tekeningen die hij ernaar maakte. Er wordt uitvoerig aandacht besteed aan Van Goghs tekeningen uit de Borinagetijd naar prenten van Millet – zo kopieerde hij in 1880 onder andere diens beroemde Angélus. De boeken die Van Gogh gebruikte om zich in het kunstenaarschap te bekwamen – Armand Cassange’s Guide de l’alphabet du dessin, en Cours de dessin en Exercices au fusain van Charles Bargue – worden eveneens tentoongesteld, naast zijn daarnaar gemaakte oefeningen.

Verder is er echter voornamelijk werk van ná de Borinagetijd te zien. Na de zaal met tekeningen uit de Borinage komen enkele van de belangrijke thema’s uit zijn latere werk aan bod, zoals landarbeiders, wevers, landschappen en boerenhutten. Van Goghs toenemende beheersing van het vak is aan de hand van deze thema’s duidelijk te volgen, vooral in de serie ‘hutten’, een onderwerp dat hem tot in zijn laatste woonplaats Auvers-sur-Oise heeft gefascineerd. In het laatste deel van de tentoonstelling wordt er de aandacht op gevestigd dat Van Gogh nogmaals, in de jaren 1889-1890, teruggreep naar zijn leermateriaal uit de Borinagetijd, zoals de bovengenoemde voorbeeldenboeken van Bargue en de prenten van Millet; het verschil tussen zijn zelfstandige bewerkingen uit 1889-1890 en zijn eerste getrouwe schetsen uit 1880 springt meteen in het oog. Twee kopieën naar De spitters van Millet uit de Borinagetijd zijn zorgvuldige weergaven van het voorbeeld, maar op het gelijknamige schilderij uit 1889 zijn de spittende figuren van een monumentale allure, en in stralende kleuren gevat.

 

De romantisering van het ‘gewone volk’

Wat werk en documenten uit de Borinagetijd betreft kon Van Gogh in de Borinage nauwelijks completer zijn. Het tweede aspect dat in de communicatie naar voren kwam – de ‘erbarmelijke levensomstandigheden’ in de mijnstreek – wordt echter veel minder belicht. Alleen in de catalogus is een hoofdstuk opgenomen dat een sociaal-economisch overzicht geeft van de Borinage. Bijgevolg komt de Borinage alleen in beeld vanuit het perspectief van Van Gogh, via zijn tekeningen en brieffragmenten.

In zijn correspondentie heeft Van Gogh zich enkele malen uitgelaten over het landschap vol schoorstenen en kolenbergen, zijn eigen bezoek aan een mijn, en over de arme bevolking van de streek. Een goede illustratie van de manier waarop hij de bewoners van de Borinage bekeek, vinden we in een brief van 24 september 1880: ‘Ik leef nu al bijna 2 jaar met hen en ik heb hun bijzondere karakter een beetje leren kennen, tenminste vooral dat van de mijnwerkers. En steeds meer vind ik iets ontroerends en zelfs schrijnends in die arme en schimmige arbeiders, de minsten van allen bij wijze van spreken en de meest geminachten, die men zich gewoonlijk als gevolg van een wellicht levendige, maar zeer valse en onrechtvaardige verbeelding voorstelt als een volk van schurken en boeven. Schurken, dronkaards, boeven, die zijn hier net als elders, maar zo is het echte type helemaal niet’ (brief 158).

Het is verhelderend om dit door Van Gogh geschetste beeld van de Borinagebevolking te vergelijken met de literatuur over de Borinage in de negentiende eeuw, waaronder het reeds genoemde hoofdstuk in de catalogus. Daarin komt een opvallend moderner en nuchterder beeld van de bevolking naar voren. [5] In de Borinage woonden naast een autochtone minderheid, die al eeuwenlang een primitieve vorm van kolenwinning beoefend had, voornamelijk grote groepen immigranten die, hoewel de lonen en de arbeidsomstandigheden bedroevend slecht waren, werden aangetrokken door de werkgelegenheid in de mijnen. Het gebied was dichtbevolkt, maar de sociale samenhang was niet erg groot, evenmin als de stabiliteit in de gezinnen. Alcoholisme, analfabetisme, en de afwezigheid van andere mogelijkheden om werk te vinden blokkeerden de mogelijkheid tot sociale vooruitgang.

In een aantal vroegere tentoonstellingen over Van Gogh werden de sociale omstandigheden in de betreffende streek als uitgangspunt genomen. Met name de al genoemde exposities Van Gogh in Brabant en De wevers en Vincent van Gogh gingen uit van de sociale (en kunsttheoretische) context om de opvattingen van Van Gogh te toetsen. Het resultaat was dat zo de romantische, conservatieve ideologie van de kunstenaar duidelijk werd gemaakt: het landvolk zag hij als een primitief, maar daardoor nog onbedorven mensentype, in de aarde geworteld en tijdloos, berustend in zijn lot. Bij zijn weergaven van de omgeving en werktuigen van de Brabantse boeren en wevers selecteerde hij soms moderne elementen weg, en hij gaf ze weer met in onbruik rakende gereedschappen die hij zelf ook verzamelde. In zijn uitspraken over de Belgische mijnwerkers klinkt eenzelfde visie door: ‘ …Zooeven bezocht ik een oud moedertje in een kolenbrandersgezin. Zij is bitter krank maar geloovig en geduldig. Ik las een hoofdstuk met haar en bad met hen allen. Het volk hier heeft wel iets eigenaardigs en aantrekkelijks vanwege zijne eenvoudigheid en goedhartigheid gelijkerwijs ook het Brabantsche volk te Zundert & Etten’ (brief 149, 26/12/1878).

Van Gogh in de Borinage neemt Van Goghs visie als ijkmaat om naar de Borinage te kijken. Daardoor wordt de reductie waaraan hij die complexe realiteit onderwerpt veel minder leesbaar, en is de kans groter dat de bezoeker de romantische kijk van de kunstenaar als een ‘authentieke getuigenis’ aanziet.

 

Van Goghs bekering tot het kunstenaarschap

Slaagt de tentoonstelling er op deze manier in om de keuze van Van Gogh in de Borinage voor het kunstenaarschap inzichtelijk te maken? De vraag dringt zich op wat hem tot dat besluit heeft gebracht en hoe beslissend zijn ontslag als evangelist – dat op de tentoonstelling niet aan de orde komt – daarvoor is geweest. De motivatie om hem te ontslaan is bekend uit het rapport van het Synodale Comité voor Evangelisatie: de jongeman had buitengewone toewijding getoond in het verzorgen van zieken en gewonden, zich opgeofferd tot aan het weggeven van zijn eigen kleding toe, maar hij beschikte niet over wat onontbeerlijk was voor het evangelistenberoep: ‘de gave des woords’. Hij had zelfs het organiseren van samenkomsten verwaarloosd. [6] Dat klinkt vreemd, want in zijn brieven uit de Borinagetijd heeft Van Gogh het wel degelijk over samenkomsten en Bijbellezingen, zowel in kerkjes als in stallen, schuren en arbeiderswoningen; hij noemt zelfs de Bijbelteksten waarover hij gepreekt had. Politicus en schrijver Louis Piérard, zelf afkomstig uit Mons, tekende in de Mercure de France van 1913 herinneringen op van mensen die Van Gogh in Wasmes en Cuesmes meegemaakt hadden, en daaruit blijkt dat Van Gogh ook enige bekeerlingen gemaakt heeft, onder anderen een verstokte dronkaard en godloochenaar die hij verzorgde na een mijnongeval. Moeders vroegen hem, als aan een soort heilige, om Bijbelteksten die als een bezweringsformule gebruikt konden worden bij de tirage au sort, om hun zoons uit het leger te houden.

Uit de door Louis Piérard opgetekende getuigenissen blijkt tevens dat Van Gogh vreemd gedrag vertoonde. Hij gaf zijn nette Hollandse kleren weg tot aan ondergoed en sokken toe, kleedde zich in afgedragen soldatenplunje of zelfs in zakken, en at alleen rijst en droog brood. Hij verzaakte ook aan de Hollandse properheid: zeep werd een verboden luxe voor hem en hij raakte overdekt met kolenstof, net als de mijnwerkers. Zijn enige zwakheid schijnt kettingroken geweest te zijn. Toen er een tyfusepidemie uitbrak sloofde Van Gogh zich dag en nacht uit om de zieken te verzorgen. Zijn vader, gealarmeerd door Vincents kostvrouw (bij wie hij niets wilde eten), vond hem in een donker kamertje, vermagerd en uitgeput liggend op een strozak, omringd door uitgeteerde mijnwerkers.

Die excentrieke trekken waren niet nieuw. Ook van vóór zijn vertrek naar de Borinage zijn er verslagen van ooggetuigen over de ontberingen en opofferingen die Van Gogh zichzelf ‘in navolging van Christus’ oplegde: zelfkastijding, slapen op de koude grond, zich in stortbuien drijfnat laten regenen. In de overgeleverde brieven van Van Gogh echter worden wel zijn bezoeken aan zieken, maar niet deze extreme uitingen van geloofsijver vermeld. Bijgevolg komen ze op de tentoonstelling en in de catalogus evenmin aan bod.

Natuurlijk kunnen er vraagtekens geplaatst worden bij herinneringen die dertig jaar na dato zijn opgetekend. Bij gebruik van deze gegevens bestaat bovendien het gevaar dat de mythe van de kunstenaar als martelaar nog meer wordt versterkt. Maar had er niet meer bronnenmateriaal gevonden kunnen worden over de concrete omstandigheden van Van Goghs verblijf in de Borinage, waar hij kwam en waar hij zijn tijd aan wijdde? Dat zou meer licht hebben geworpen op het proces dat heeft geleid tot zijn keuze voor het kunstenaarschap, waardoor misschien duidelijk was geworden waarom dat besluit juist daar werd genomen. Uit het schaarse bronnenmateriaal dat er nu is krijgt men toch de indruk dat er een zekere continuïteit was tussen het gedrag van Van Gogh vóór zijn vertrek en tijdens de Borinageperiode, wat het idee van de Borinagetijd als (absolute) breuk enigszins nuanceert.

Kan eenzelfde continuïteit niet met betrekking tot Van Goghs artistieke ambities worden aangewezen? Door zijn vroegere betrekking in de kunsthandel had Van Gogh voor zijn tijd in de Borinage reeds een uitgebreide kennis over beeldende kunst. In zijn brieven uit de Borinagetijd informeerde hij meermalen bij zijn broer Theo naar de gang van zaken in de kunstwereld: hoe het met Mauve ging, met Israëls, met Maris… Dankzij zijn vroegere loopbaan wist hij ook welke technische problemen hij als aankomend schilder diende te overwinnen en met welk oefenmateriaal hij moest beginnen – daarvan getuigen de leerboeken van Bargue en Cassenges in de tentoonstelling. Dat het kopiëren naar oudere meesters deel uitmaakte van de training van kunstenaars, was Van Gogh eveneens bekend en hij bleek al vrij snel over een collectie reproducties alsook prenten naar Millet te beschikken. Zijn vrije tekeningen uit de Borinagetijd, zoals Op weg (1881) en Voor het haardvuur (1881), zijn houterig — dat wordt des te meer duidelijk als je ze vergelijkt met de ernaast gepresenteerde prenten van het werk in de mijnen uit Engelse geïllustreerde tijdschriften, afkomstig uit Van Goghs verzameling, en de schilderijen van de mijnstreek door Constantin Meunier en Eugène Boch (dat hadden er overigens best meer mogen zijn; de zeggingskracht ervan is onmiskenbaar groter).

Ondanks de onbeholpenheid van zijn tekeningen blijkt toch dat Van Gogh niet helemaal uit het niets vertrok bij zijn artistieke zelfinstructie. Al vóórdat hij het besluit genomen had om zich op de kunst toe te leggen, doorspekte hij zijn brieven overigens met verwijzingen naar kunstwerken: ‘[…] hier vlak bij is eene plaats van waar men in de verte beneden een groot deel van de Borinage zien kan met de schoorsteenen, de bergen steenkool, de kleine arbeiderswoningen, de beweging als van een mierennest van de kleine zwarte figuurtjes overdag, heel in de verte donkere sparrenbosschen met kleine arbeiderswoningen ertegen, een paar torentjes in de verte, een ouden molen &c. Meestal hangt er een soort nevel over, ofwel er is een grillig effekt van licht en donker van wege de wolkschaduwen dat aan de schilderijen van Rembrandt of Michel of Ruysdael doet denken…’ (brief 152, ca. 19/6/1879). Ook gaf hij aan dat sommige plekken zeer geschikt waren om te schilderen. Het zijn allemaal elementen die de voorstelling van Van Goghs begin in de Borinagetijd als een spontane ‘geboorte’ kunnen nuanceren.

De tentoonstelling brengt die ‘geboorte’ echter op een andere manier naar voren, namelijk door het ‘naleven’ ervan in Van Goghs werk te belichten. In het verlengde van zijn tekeningen van mijnwerkers, zo wordt betoogd, ging Van Gogh allerlei arbeiderstypen, boeren en plattelandsgezichten tekenen en nu ook schilderen. Een serie studiekoppen van boerentypen lijkt te suggereren dat de weg vanuit de Borinage rechtstreeks naar De Aardappeleters heeft geleid. Een zaal met schilderijen en tekeningen van Brabantse thuiswevers achter hun grote weefgetouwen wordt op de Borinage teruggevoerd via briefcitaten over een voettocht vanuit Cuesmes naar Noord-Frankrijk, die Van Gogh maakte in de winter van 1880. Tijdens die trip kwam hij door enkele weversdorpen en hierover schreef hij later aan Theo: ‘De mijnwerkers en de wevers zijn een volk dat nog enigszins apart staat van de andere arbeiders en ambachtslieden en ik voel voor hen een grote sympathie en zou me gelukkig prijzen als ik ze op een dag zou kunnen tekenen, zodat die nog nooit of bijna nooit vertoonde types het licht zouden zien. De man van de diepte van de afgrond, ‘de profundis’, dat is de mijnwerker, de andere met de dromerige blik, bijna mijmerend, bijna een slaapwandelaar, dat is de wever’ (brief 158, 24/9/1880). Ook het teruggrijpen naar de voorbeeldenboeken van Bargue en de prenten van Millet in de jaren 1889-1890 wordt gebruikt om de Borinagelink in Van Goghs loopbaan te staven. Maar het meest nadrukkelijk en retorisch wordt die link onderstreept met Van Goghs kopie naar De Zaaier van Millet uit 1890. Dit werk bekleedt niet alleen in de tentoonstelling een prominente plaats, maar prijkt ook als beeldmerk van de expositie op het affiche, de cataloguscover, de folders en de gidsjes. De gedachte achter de keuze voor dit werk als logo wordt in de tentoonstelling duidelijk: de thema’s die Van Gogh zijn hele loopbaan hebben beziggehouden, zijn uiteindelijk te herleiden tot zijn ervaringen in de Borinage. Hier werd de kiem gelegd, het zaad gekweekt dat nu uitgezaaid wordt. En niet de met gebogen rug voortsjokkende mijnwerker, maar de rechtop naar de toekomst lopende zaaier symboliseert de gang van Van Goghs kunst vanuit de Borinage en terug.

Het concept achter deze tentoonstelling zit goed in elkaar – maar je moet er wel in willen geloven. Er wordt een beeld gegeven van een hechte iconografische samenhang in Van Goghs oeuvre tussen thema’s die wortelen in de Borinagetijd en zijn latere werk. Zonder twijfel was deze periode voor hemzelf van groot belang, wat bijvoorbeeld blijkt uit de plannen die Van Gogh maakte om samen met Eugène Boch — bekend om zijn schilderijen van de mijnstreek – terug naar de Borinage te gaan en daar te schilderen. [7] Het is er niet van gekomen en mijnwerkers kwamen na 1882 niet meer voor in Van Goghs werk. Wel komen in dat werk veel thema’s voor die hier níét te zien zijn en die zeker niet tot de Borinage terug zijn te voeren. In zijn proefschrift uit 1988 heeft Tsukasa Kōdera de spreiding van door Van Gogh veelvuldig gebruikte onderwerpen over de jaren 1880-1890 geïnventariseerd: vooral in de laatste jaren komen er steeds meer thema’s bij die mijlenver afstaan van de grijze Borinagevoorstellingen. Wevers – het motief dat de tentoonstelling als bewijs van de Borinagelink aanvoert – zijn alleen in 1883-1884 terug te vinden, toen Van Gogh alweer enige tijd in Nederland woonde. [8] Ook van motieven die hij vanaf de Borinagetijd doorlopend heeft gebezigd, is het maar de vraag of de Borinage er de bakermat van was. Het thema van de hutten bijvoorbeeld was in Van Goghs tijd een populair onderwerp in de schilderkunst. Zeker in Nederland, waar kunstcritici herhaaldelijk klaagden over een teveel aan boerenhutten en armoedige interieurs. Een blik in een willekeurige catalogus van een ‘Tentoonstelling van Levende Meesters’ geeft ze gelijk. Ook het poten, rooien, schillen of verorberen van aardappelen was trouwens zeer in trek bij de Nederlandse schilders, van wie het merendeel nooit de Borinage gezien heeft.

Hoewel aanvechtbaar, was het een creatieve vondst om een deel van de thematiek in Van Goghs oeuvre te herleiden tot de Borinage. Het levert een expositie op met een duidelijke structuur. Het geheel oogt aangenaam en de beginnerstekeningen krijgen er een opwaardering door. Maar door de geringe aandacht voor zowel de sociale context als de voorgeschiedenis van Van Goghs ‘geboorte’ als kunstenaar, bevordert de tentoonstelling op twee manieren de mythevorming rond van Gogh: ze gaat mee in diens authenticiteitscultus van het gewone volk en promoveert de Borinage als het ware tot mystieke moederschoot van zijn kunstenaarschap.

 

 

Noten

1 Vincent van Gogh in zijn Hollandse jaren. Kijk op stad en land door Van Gogh en zijn tijdgenoten 1870/1890 (tentoonstellingscatalogus), Amsterdam, Rijksmuseum Vincent Van Gogh, 1981, pp. 68-97. 

2 Van Gogh in Brabant. Schilderijen en tekeningen uit Etten en Nuenen (tentoonstellingscatalogus), ’s-Hertogenbosch/Zwolle, Noordbrabants Museum/Waanders, 1987; De wevers en Vincent van Gogh (samenst. en red. G.J.M. van den Brink en W.Th. Frijhoff), Tilburg/Zwolle, Nederlands Textielmuseum/Waanders, 1990.

3 Vincent van Gogh in zijn Hollandse jaren, op. cit. (noot 1), pp. 38-67; Pierre Richard, Vincent van Gogh’s Montmartre, in Jong Holland jrg. 4, nr. 1 (1988), pp. 16-21; Nienke Bakker, Van Gogh en Montmartre, Amsterdam/Antwerpen/Arles, Van Gogh Museum/Mercatorfonds/Actes Sud, 2011.

4 Douglas W. Druick, Peter Kort Zegers e.a., Van Gogh en Gauguin. Het atelier van het Zuiden (tentoonstellingscatalogus), Chicago/Amsterdam, Art Institute of Chicago/Van Gogh Museum, 2002.  

5 Pierre Tilly/Pierre-Olivier Laloux, De Borinage: een streek en context die Van Gogh hebben getekend, in: Van Gogh in de Borinage. De geboorte van een kunstenaar (red. Sjraar van Heugten), Mons/Brussel, Musée des Beaux-Arts de Mons (BAM)/Mercatorfonds, 2015, pp. 133-147; Jean Puissant, L’évolution du mouvement ouvrier socialiste dans le Borinage, Brussel, Palais des Académies, 1979, pp. 31-83, 182-188.

6 O.V. Henkel, ‘Het officiële rapport over het ontslag van Vincent van Gogh als evangelist in de Borinage’, in Museumjournaal jrg. 8, nr. 4 (1962/1963), p. 95.

7 Ron Dirven, Boch & Van Gogh, Zundert/Schiedam, Van GoghHuis/Scriptum, 2010, pp. 9-22.

8 Tsukasa Kōdera, Christianity versus Nature. A Study of the Thematics in Van Gogh’s Oeuvre (dissertatie), Amsterdam, Universiteit van Amsterdam, 1988, pp. 167-182.

 

Van Gogh in de Borinage. De geboorte van een kunstenaar, tot 17 mei 2015 in BAM (Musée des Beaux-Arts de Mons), Rue Neuve 8, 7000 Mons (065/39.59.39; bam.mons.be).