Steven Humblet

DE WITTE RAAF

Editie 174 maart-april 2015

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Faces Now

De tentoonstelling Faces Now: Europese portretfotografie sinds 1990 in Bozar toont werk van 32 portretfotografen afkomstig uit de Europese Unie, en één Amerikaanse fotografe (Tina Barney). De expo vormt een tweeluik met Faces Then: Renaissanceportretten uit de Lage Landen, waarin wordt teruggeblikt op het moment dat het portret als een zelfstandig schilderkunstig genre ontstond.

Faces Now roept een vergelijkbare tentoonstelling over hedendaagse portretfotografie in het Musée de l’Elysée uit 2004 in herinnering. De curator William A. Ewing koos daarin resoluut voor fotografen en kunstenaars-fotografen die het portret radicaal in vraag stellen, die tornen aan de formele conventies ervan, die elk ‘naïef’ geloof hebben opgegeven in de mogelijkheid om via het fotografische beeld een karakter, een persoonlijkheid weer te geven. Faces Now weigert daarentegen een positie in te nemen. De curator van Faces Now, Frits Gierstberg, weigert echter positie in te nemen: hij opteert eerder voor een neutraal overzicht dan voor een prikkelende these.

Om toch wat orde in de veelheid aan te brengen, deelt Gierstberg de expo op in zes hoofdstukken. Drie ervan zijn georganiseerd rond tegenstellingen zoals die tussen privé en publiek, formeel en informeel, traditie en vernieuwing. De drie andere zalen behandelen thema’s als de relatie tussen identiteit en cultuur, de herontdekking van een op humanistische waarden gebaseerde portretstrategie, of de rol van het masker en de maskerade in de enscenering van het (zelf)portret. In deze thematisch georganiseerde zalen treffen we onder meer de prachtige familieportretten van Thomas Struth aan, maar ook de fijnzinnige studies van de Europese adel gemaakt door Tina Barney, of de innemende portretten die Jitka Hanzlova maakte tijdens een bezoek aan haar geboortedorp. Prikkelend werk, ongetwijfeld, maar het blijft onduidelijk hoe deze fotografen zich nu precies tot elkaar verhouden.

De eerder inventariserende opsomming vormt tegelijkertijd de sterkte en de zwakte van de tentoonstelling. Sterk is ze in haar weigering om op voorhand een bepaalde functie toe te schrijven aan de hedendaagse portretfotografie, zwak omdat de pure nevenschikking van onvergelijkbare oeuvres vaak de angel uit het werk haalt. Dit probleem duikt al meteen op bij het begin van de tentoonstelling. De eerste zaal presenteert het portret als een ogenblik waarin het private en het publieke op een specifieke manier met elkaar verknoopt zijn: een portret, zo leest de bezoeker in de zaaltekst, is een in wezen private aangelegenheid die een publiek leven krijgt. Dat maakt het realiseren en presenteren van een portret tot een uiterst beladen moment. Maar uiteraard beperkt de spanning tussen publiek en privaat zich niet tot het ogenblik waarop het portret gemaakt of verspreid wordt. Ze manifesteert zich ook in de relatie tussen straat en studio, tussen de publieke ruimte en de private werkplek van de fotograaf.

Een rijke en complexe problematiek dus, die door de curator wordt geïllustreerd aan de hand van fotografen als Beat Streuli, Luc Delahaye, Anton Corbijn, Boris Mikhailov, Anders Petersen en het duo Ari Versluis & Ellie Uytenbroeck. Elke fotograaf laat op zijn manier wel een aspect van de aangehaalde problematiek oplichten, maar hun gezamenlijke presentatie doet geforceerd aan. Hoe de ‘klassieke’ glamourportretten van Corbijn verbinden met de kille, afstandelijke registraties van Streuli en Delahaye? Deze laatsten maken hun opnames in de publieke ruimte, maar laten enkel een vluchtige verschijning of een vlak gelaat opdoemen in het beeld. Daar, op straat of in de metro, verschijnt geen uniek individu zoals in de foto’s van Corbijn, maar een inwisselbare vorm. Dat inzicht keert in zekere zin ook terug in de typologische reeksen van Versluis & Uytenbroeck.

Bovendien, de reductie van het werk van Delahaye tot een illustratie van het spanningsveld tussen het publieke en het private gelaat doet geen recht aan de gelaagdheid ervan. De fotograaf maakte deze reeks als antwoord op een verstrenging in de Franse wetgeving van het portretrecht waardoor het werk van elke straatfotograaf de facto onmogelijk werd gemaakt. Voor elk beeld waar een herkenbaar individu op staat, wordt de fotograaf geacht toestemming te vragen aan de gefotografeerde. De foto’s die Delahaye (illegaal) nam van anonieme metroreizigers maken echter duidelijk dat er geen ‘recht’ op te eisen viel, want de gefotografeerde bleek niets uit te zenden (of althans toch niets wat lijkt op een zelfbeeld). De lege blik en het afwezige contact tussen model en fotograaf maken duidelijk dat er eigenlijk niets gebeurt en er dus ook niets te zien is – of liever, ze reveleren dat de geportretteerde de ontvreemding die eigen is aan zijn aanwezigheid in een sociale, gedeelde ruimte, reeds incalculeert in het lege ‘zelfbeeld’ dat hij uitzendt. De fotograaf kan niet ontvreemden wat er niet is. De reeks stelt op die manier de vraag in welke mate de overheid vandaag meegaat in de stelselmatige privatisering van de openbare ruimte. De politieke lading van dit werk is echter niet langer navoelbaar in de manier waarop het hier gepresenteerd wordt.

Iets vergelijkbaars gebeurt in de laatste zaal, waar onder de titel ‘Traditie en vernieuwing’ werk van onder anderen Thomas Ruff, Stefan Vanfleteren, Jitka Hanzlova (die hier voor een tweede keer en met een andere reeks opduikt) en Jorma Puranen wordt samengebracht. Het opmerkelijke verschil tussen het werk van Vanfleteren en Ruff eenvoudigweg duiden als het verschil tussen traditionele en vernieuwende portretfotografie, miskent de uitzonderlijke betekenis van Ruffs bemoeienis met het portretgenre. Zijn Porträts vernieuwen het portretgenre niet, maar richten het ten gronde. Zijn strategie is erop gericht de centrale motivatie achter het maken van een portret te dwarsbomen: het portret is hier een monumentaal en ondoordringbaar scherm dat zich tussen kijker en geportretteerde opricht, geen venster dat beiden dichter tot elkaar brengt. Vandaar ook de generische titel: zijn beelden verwijzen niet langer naar concrete individuen, maar enkel nog naar de conventies van het genre zelf. We kijken naar een beeldsoort, niet naar een persoon. Ruff zet de portretfotografie klem: zijn beelden hier opvoeren als een potentiële alternatieve portretstrategie, is een onderschatting van hun radicaliteit.

 

Faces Now. Europese portretfotografie sinds 1990, tot 17 mei in het Paleis voor Schone Kunsten, Ravensteinstraat 23, 1000 Brussel (02/507.82.00; www.bozar.be).