Steven Humblet

DE WITTE RAAF

Editie 174 maart-april 2015

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Gilbert Fastenaekens in Le Botanique

De overzichtstentoonstelling van de Belgische fotograaf Gilbert Fastenaekens (°1955) in de Brusselse Botanique presenteert zeven reeksen met foto’s, twee met videowerk. De expo opent met beelden uit Nocturnes, de reeks uit het begin van de jaren tachtig waarmee hij internationaal doorbrak. Het gaat om verstilde nachtbeelden van stedelijke sites, vaak eenzame, verlaten plekken, de achterkant van de stad. Fastenaekens zoekt de marge op: hij fotografeert niet het sprankelende centrum, maar de desolate wijken waaruit elk leven lijkt weggeëbd. Het oog van de kijker moet wat wennen aan deze duistere beelden, maar eenmaal het tastend en zoekend het donkergrijze beeld heeft geëxploreerd, ontdekt het een rijke wereld van sensuele zwarten. Wat zich in de verstilling van de nacht ophoudt, vraagt om een traag en aandachtig kijken. Nocturnes is geen droefgeestige inventaris van stedelijk verval, maar een warme, poëtische blik op wat normaal aan onze aandacht ontsnapt.

Fastenaekens is geïnteresseerd in plaatsen, niet (of in mindere mate althans) in mensen. (Het portret duikt pas laat op in zijn oeuvre, en dan nog vooral in zijn videowerk.) De plaatsen die hij opzoekt, lijken vaak van leven verstoken (dat geldt voor zijn Nocturnes) of worden, zoals in de reeks Essai pour une archéologie imaginaire, door specifieke formele ingrepen levenloos gemaakt. Deze laatste reeks, gemaakt in het kader van het door de Franse overheid geïnitieerde documentaire inventarisatieproject DATAR, bestaat net zoals de Nocturnes uit nachtbeelden. Ze tonen verlaten grootschalige bedrijven en/of industriële installaties. Alhoewel het onderwerp duidelijk leesbaar is, krijgt de kijker toch maar moeilijk greep op wat zich daar in het beeld manifesteert: het nachtelijk duister, de donkere print, de akelige leegte en een uitgesproken afvlakking van de ruimte destabiliseren het beeld, leiden ertoe dat de werkelijkheid die erin opdoemt een krachteloze verschijning blijft. Wat zich daar in het schemerduister aftekent, lijkt enkel nog een vage herinnering aan wat de tanende industrie ooit betekende voor de Europese cultuur. Wat de beelden inboeten aan realisme, winnen ze echter aan suggestieve kracht – de stille welsprekendheid van de ruïne.

Fastenaekens kiest niet alleen voor ongewone plekken, maar fotografeert ze vaak ook vanuit onverwachte standpunten. Zo maakt hij met Site II, opgenomen rond de eeuwwisseling, een reeks over blinde muren. Een blinde muur wordt gevormd door dat deel van een gebouw dat grenst aan een (nog) lege kavel, een plaats waar in de toekomst misschien ooit een nieuw gebouw zal verrijzen. Vaak richt Fastenaekens zijn camera frontaal op zo’n blinde muur en plaatst hem in het midden van het beeld. In deze paradoxale beelden gaat alle aandacht naar iets wat op zich waardeloos lijkt: de blinde muur is monumentaal aanwezig in het straatbeeld, maar esthetisch onbelangrijk (hij heeft geen architecturale kwaliteit, maar behoort tot het domein van de loutere constructie). In de complexere beelden uit de reeks neemt hij wat meer afstand en gebruikt hij een blinde muur die boven een cluster van gebouwen uitsteekt als een centraal oriëntatiepunt. In beide gevallen wordt de blinde muur echter gebruikt als een formeel ijkpunt om de stad vanuit een ongebruikelijk perspectief te bekijken.

Dit spel met verrassende (en tegelijkertijd ook onthullende) standpunten duikt ook op in een recentere reeks waarin hij een aantal oude postkaarten van Brussel ‘herfotografeert’. De strenge ‘herfotografie’ vereist dat de fotograaf bijna letterlijk in de huid kruipt van de eerdere fotograaf, met andere woorden daar gaat staan waar deze ooit stond (maar waar een fotograaf nu nooit zou staan). De vergelijking tussen oud en nieuw beeld laat dan niet zozeer zien wat er precies is veranderd, maar brengt de culturele verschuivingen aan het licht die de afgelopen eeuw in het kijken naar de stad zijn opgetreden.

Regels zijn belangrijk voor Fastenaekens. Het gaat dan niet om procedures die gedachteloos gevolgd moeten worden, maar om een aantal op voorhand genomen beslissingen die hem kunnen helpen zich te concentreren op wat voor hem essentieel is. In Noces, een reeks betoverende landschapsfoto’s gemaakt in het bos van Vauclair, bakent de fotograaf voor zichzelf een werkgebied af van 20 op 30 meter. Er is geen doorslaggevende reden om zich precies tot die ruimte te beperken (er is niets speciaals te zien in dit deel van het bos), maar de keuze bevrijdt hem wel van het verlammende idee dat hij nooit op de juiste plaats zou vertoeven, dat ‘het’ steeds elders en op een ander moment zou gebeuren. Ze dwingt Fastenaekens om bij zijn onderwerp te verwijlen, het te ‘leren’ zien. Hij brengt verschillende bezoekjes aan zijn stukje bos, telkens op grijze, druilerige winterdagen en uitgerust met een zware, logge camera. Ook de logheid van het apparaat immobiliseert de fotograaf, dwingt hem tot een traag exploreren. Gevat in een miezerig en accentloos licht leveren de verschillende stukjes bos heldere en uiterst precieze beelden op waar tegelijkertijd veel en bijna niets op te zien is. De beelden presenteren ons een ervaring: de opperste concentratie waarin de fotograaf verkeert tijdens het maken van het beeld. We zien hier een open, nieuwsgierige blik aan het werk. Deze blik verheerlijkt niet, veroordeelt niet, maar verbaast zich slechts over het wonder van het (fotografisch) kijken.

 

Gilbert Fastenaekens – In Silence, tot 29 maart in Le Botanique, Koningsstraat 236, 1210 Brussel (02/218.37.32; botanique.be).