Gijs van Oenen

DE WITTE RAAF

Editie 174 maart-april 2015

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Anthropocene Observatory in BAK Utrecht

‘De mens’, zei filosoof Michel Foucault vijftig jaar geleden in Les mots et les choses, ‘is een uitvinding waarvan de archeologie van het weten gemakkelijk de jonge datum kan aantonen – en misschien ook het naderend einde.’ De mens zou weleens aanstonds kunnen verdwijnen, ‘zoals een gelaat van zand bij de grens van de zee’. Die uitspraak is vaak begrepen als een structuralistisch uitvlakken van het humanisme, maar zij zou ook heel goed als aanzegging kunnen dienen van het antropoceen, dat wil zeggen van de kwalificatie van de mens als geologische determinant. Moesten de oude Grieken zich nog de god Poseidon voorstellen om het epitheton ‘aardschudder’ een plaats te geven, daar heeft de moderne mens zichzelf deze positie weten toe te kennen. Van waterstofbom, oliewinning en broeikaseffect tot door aardgaswinning tot schudden gebrachte Noord-Nederlandse bodem: de mens heeft niet alleen een nieuwe wereld geschapen, maar zelfs een nieuwe geologische orde der dingen.

Onvermijdelijk heeft de denkende mens ook deze twijfelachtige nieuwe status tot onderwerp van (zelf)studie gemaakt. De klassieke menswetenschappen, zoals we die twee eeuwen kenden, transformeren zodoende geheel in lijn met Foucaults voorspelling tot wat de tentoonstellingsmakers – de architecten John Palmesino en Ann-Sofi Rönnskog van bureau Territorial Agency, kunstenaar Armin Linke en curator Anselm Franke – het Anthropocene Observatory noemen. Het gaat hier om het opstellen van ruimtelijke en geografische modellen, het bestuderen van kwesties als klimaatverandering en milieupolitiek, toegepaste systeemanalyse, en supranationale machtsoperaties alsook de bijbehorende instituten. Het observatorium probeert de verstrengeling van geologie en politieke geschiedenis in beeld te brengen en te reconstrueren. We worden uitgenodigd, misschien zelfs gedwongen, anders na te gaan denken over vertrouwde begrippen als industriële revolutie, wetenschappelijke vooruitgang en globalisering, door staatsvorming en politieke verhoudingen in een structurele samenhang te zien met bodemgebruik, energiewinning en klimaatverandering.

Dit streven neemt in BAK Utrecht de concrete vorm aan van een ‘onderzoekstentoonstelling’ respectievelijk een ‘discursieve ruimte’. De onderste van de twee tentoonstellingsruimtes biedt, als een soort observatorium, via vijf grote projecties plus een heel groot, als diptiek uitgevoerd scherm, een kijkje in de verschillende onderzoekskeukens waar een bonte menigte aan deskundigen, politici, bestuurders, denkers en andere betrokkenen aan het meten, besturen, vergaderen, verslagleggen, interviewen of demonstreren is. We worden omringd door en gebombardeerd met indrukken daarvan – zij het dat dit in de bovenzaal niet gaat via schermen, maar vooral gebeurt op klassiekere wijze via gedrukte informatiedragers.

Met deze opzet voelt het alsof je in een milieuconferentie van de Verenigde Naties bent gekatapulteerd, en die niet altijd even plezierige ervaring is tegelijk ook te fragmentarisch om er veel wijzer van te worden. Het levert wellicht een goede portal op, maar vanachter je eigen computer op internet is het fijner onderzoeken. Anderzijds is de tentoonstelling ook niet eenduidig onder de noemer ‘kunst’ te vangen. Wat we aantreffen is niet zozeer een kunstzinnige representatie van het antropoceen, als wel een voorstelling  van de wijze waarop deze nieuwe conditie van de mens via camera’s, sensoren, satellieten en meetinstrumenten in studiegroepen, kaarten, congressen, videofilms en papieren documentatie wordt waargenomen, bestudeerd en gerepresenteerd. Wat de aandacht trekt zijn eerder de gewoonten en rituelen van de onderzoekers, dan de inhoud van het onderzochte. We krijgen niet zozeer inzicht in resultaten, als wel in de processen waarmee die worden verkregen. Het gaat om een verslaglegging over de verslaglegging, om het observeren van het antropocene observatorium. Het gebeuren is met andere woorden primair een antropologie van het antropoceen.

Hoewel we ons in de bovenste zaal van de tentoonstelling, in een wat rustigere setting en van documentatie voorzien, wel aan een begin van onderzoek kunnen zetten, kan deze Anthropocene Observatory net zomin als de klassieke antropologie louter een presentatie van kennis en kennisvorming zijn. De opzet van de tentoonstelling illustreert ook hoe onderzoek en beschouwing de afgelopen tien of twintig jaar zijn veranderd en zelf ook deel zijn gaan uitmaken van wat ooit ‘milieubeleid’ heette. Menswetenschap, natuurwetenschap en beleid vloeien in het antropoceen in elkaar over, net als wetenschappelijk onderzoek, politiek activisme en kunst. De recentste fase in het antropoceen brengt deze krachten op een noemer, die van Gaia, zoals Bruno Latour het in zijn recente werk noemt: datgene wat alles in hetzelfde omvattende ‘geoverhaal’ betrekt.

Niet toevallig zien we op verschillende schermen deze Franse socioloog in panels en discussiebijeenkomsten verschijnen. Naast zijn affiniteit met de notie van het antropoceen is hij hier ook relevant vanwege de ‘actor-netwerktheorie’ die met zijn naam nauw is verbonden. Die houdt in dat we het vermogen om te handelen niet meer als louter menselijk vermogen opvatten, maar dit uitbreiden tot de dingen. Filosofisch gezegd, we delen de wereld niet langer in volgens de scheidslijn subject-object, waarbij de dingen worden veroordeeld tot de status van machteloos object waarover het menselijk subject naar eigen believen beschikt. Voor Latour zijn de dingen de partners van de mens – denk aan al die camera’s, sensoren en satellieten in het onderzoek naar het milieu – en verdienen zij net zozeer een hoofdrol in de films die we als bezoeker te zien krijgen als de mensen die daarin figureren.

En minstens zo belangrijk: waar de dingen zodoende tot heel recent louter werden beschouwd als het decor waartegen het menselijk handelen zich afspeelde, wordt die achtergrond nu zelf de belangrijkste actor – de achtergrond wordt tot voorgrond. De moderne mens is de hoofdrol gaan opeisen in het toneelstuk Gaia, maar door zijn hybris dreigt dit drama fataal voor hem af te lopen. Als we de dingen niet snel hun waardigheid teruggeven, zullen zij het plotelement ‘mens’ spoedig uit het stuk verwijderen, via wat die mens een ‘milieuramp’ noemt. Wellicht heeft de Duitse filosoof Peter Sloterdijk gelijk dat het project van de mens altijd al de productie van ‘sferen’, en daarmee van airconditioning – klimaatbeheersing – is geweest. En dat de moderne mens zich op te brute wijze van de aarde heeft afgekeerd.

Dat is ook de boodschap van Anthropocene Observatory. Maar de misschien wel onoplosbare paradox is dat de moderne mens, ook in dit observatorium, bovenal zichzelf observeert. Dat is de kern van het antropoceen: het is het tijdperk waarin de mens zichzelf bestudeert als actor op geologische schaal en druk bezig is zijn eigen ondergang te monitoren.

 

Anthropocene Observatory, tot 26 april in BAK Utrecht, Lange Nieuwstraat, Utrecht (030/231.61.25; www.bak-utrecht.nl).