Dries van de Velde

DE WITTE RAAF

Editie 174 maart-april 2015

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Magnificent Obsessions: the artist as collector

In de Londense Barbican Gallery loopt tot eind mei Magnificent Obsessions, een tentoonstelling over beeldend kunstenaars die een verzameling aanleggen. De tentoonstelling is opgebouwd als een willekeurige opeenvolging van 14 kamers, waarbij elke kamer de collectie van één naoorlogse kunstenaar bevat, van Arman over Martin Parr en Hanne Darboven tot Danh Vo. De inhoud van de verzamelingen is zeer divers en bestaat vaak uit objecten die gevonden lijken in goedkope winkels of bij antiquairs: porseleinen beeldjes, familiestukken, postkaarten, opgezette dieren, partituren, gevonden of zelfgemaakte foto’s, harnassen, Afrikaanse maskers en nog tientallen andere categorieën. Aan de architectuur van de tentoonstelling zelf is, behalve de indeling in kamers, weinig aandacht besteed; ze beperkt zich grotendeels tot enkele oude vloertapijten, kasten en wandrekken die sommige van de kamers een zweem van huiselijke intimiteit geven. De opgestelde collecties zijn bovendien vaak zo persoonlijk dat ze dat gevoel van intimiteit nog versterken. Het is niet toevallig dat sommige van deze collecties oorspronkelijk opgebouwd werden in het huis of atelier van de kunstenaars. Het gevolg is dat elke kamer een miniuniversum is, een weergave van de dagelijkse omgeving die deze kunstenaars voor zichzelf creëren.

Dit soort tentoonstelling roept uiteraard de vraag op wat de relatie is tussen de verzamelingen van de verschillende kunstenaars en het oeuvre dat ze opbouwden. Tijdens het doorlopen van de kamers wordt stilaan duidelijk dat collectie en oeuvre vaak voor- en keerzijde blijken van eenzelfde medaille: de persoonlijke obsessies van de kunstenaar. Soms is dat erg letterlijk het geval, bijvoorbeeld bij Damien Hirsts verzameling vol opgezette dieren, anatomische poppen en negentiende-eeuwse natuurhistorische kabinetten, stuk voor stuk elementen die inhoudelijk en formeel terugkomen in de werken van de kunstenaar over thema’s als vanitas en dood. De zaaltekst gaat een stuk verder en poneert dat Hirst de actie van het verzamelen zelf ook ziet als een uitdrukking van deze thema’s: ‘collecting for Hirst is an affirmation of life and reminder of its brevity’. Een andere relatie tussen verzameling en oeuvre krijgen we te zien bij Sol LeWitt, de enige op deze tentoonstelling die eigentijdse kunst van collega’s verzamelde. Zijn verzameling groeide niet enkel door aankopen, maar ook door het ruilen van zijn eigen werken met werk van kunstenaars waarmee hij zich verwant voelde of die hij wilde steunen, zoals de componist Steve Reich van wie hij partituren kocht. Ook hier probeert de zaaltekst de link tussen oeuvre en verzameling verder uit te diepen, met name door LeWitts collectie te linken aan een van zijn eigen werken: de inventaris van zijn flat en bezittingen in het fotoboek Autobiography (1980).

Bijna elke verzameling op deze tentoonstelling is een poging tot ordening van de chaotische werkelijkheid. Ondanks de bij momenten krampachtige verbanden die de zaalteksten proberen aan te reiken, staat de praktijk van het verzamelen vaak in contrast met de kunstwerken zelf, die niet zozeer een bestaande omgeving ordenen, maar veeleer een nieuwe dimensie creëren. Maar deze relatie wordt omgedraaid in de twee meest enigmatische kamers op deze tentoonstelling: die van Martin Wong/Danh Vo en die van de Duitse kunstenares Hanne Darboven. Van Darboven, die haar oeuvre opbouwde rond het weergeven van complexe systemen en referenties in strikt geordende permutaties (vaak tientallen kaders met tekeningen naast elkaar), vinden we hier een verrassend chaotische, nauwelijks geordende en overweldigende verzameling van allerlei objecten die ze gedurende vier decennia in haar familiehuis opstapelde. De uitleg in de zaaltekst is summier en omzeilt grotendeels de discrepantie tussen oeuvre en collectie, maar het is goed mogelijk dat de obsessie voor het ordenen in haar werk een tegenwicht was voor de overweldigende heterogeniteit van de chaotische werkelijkheid – of dat omgekeerd de diversiteit van haar verzameling een uitweg bood uit de gesloten wereld van haar werk. De Amerikaanse kunstenaar Danh Vo gaat nog een stap verder wanneer hij de verzameling van Americana en Aziatische beeldjes van overleden kunstenaar Martin Wong vindt en die samen met werk van Wong en zijn eigen bijdrage voorstelt als een nieuw werk. Het werk van zowel Darboven als Danh Vo zoekt de limieten op van de persoonlijke obsessies die zich doorgaans in verzamelingen vertalen.

 

Magnificent Obsessions: the artist as collector, tot 25 mei in Barbican Art Gallery, Barbican Centre, Silk Street, London EC2Y 8DS (020/7638.8891; www.barbican.org.uk/artgallery).