Paoletta Holst

DE WITTE RAAF

Editie 174 maart-april 2015

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Africa: Big Change, Big Chance

Afrika is een continent dat in vele opzichten uitersten kent. Op het gebied van architectuur en stedenbouw roept het beelden op van snel groeiende megasteden met moderne zakencentra, in fel contrast tot de uitgestrekte sloppenwijken en het langzaam leeglopende platteland. Nergens verloopt het urbanisatieproces sneller dan in Afrika. Want hoewel vandaag de dag nog zo’n zestig procent van de Afrikanen op het platteland woont, zal halverwege de eenentwintigste eeuw het grootste deel van hen in urbane gebieden leven. Door deze verschuiving zal de druk op de steden, de territoria en de natuurlijke bronnen alleen maar toenemen. De omvangrijke tentoonstelling Africa: Big Change, Big Chance, die in 2014 in het kader van de Triënnale van Milaan werd getoond en afgelopen twee maanden in Brussel te bezichtigen was, wilde de transformaties van het Afrikaanse continent inzichtelijk maken en de uitdagingen hieromtrent verkennen.

Africa: Big Change, Big Chance werd geïnitieerd door de Triënnale van Milaan in samenwerking met het Brusselse CIVA (Centre International pour la Ville, l'Architecture et le Paysage) en de Aga Khan Award for Architecture. Hoofdcurator was de Venezolaanse architect en professor Benno Albrecht, die verbonden is aan de Università IUAV di Venezia en daar doceert over architectuur en duurzaamheid met een focus op Afrika. Ook in Africa: Big Change, Big Chance stelde Albrecht duurzaamheid centraal, door de veranderingen van het continent in kaart te brengen (Change) en de kansen voor de toekomst te verkennen (Chance). De tentoonstelling richtte zich op de niveaus van architectuur, stad en regio, en bekeek zowel historische als hedendaagse ontwikkelingen. Een terugkerend aspect daarbij is het inzicht dat Afrika werd gezien – en misschien is dat typerend voor de manier waarop het continent algemeen wordt bekeken – als een speeltuin voor experimentele architectuur en stedenbouw. Na de Tweede Wereldoorlog werden de experimenten in een nieuwe vorm van moderniteit gegoten en ontwikkeld, om in te spelen op de extreme klimaten van het continent, geïnspireerd door de technische mogelijkheden van de traditionele architectuur in combinatie met moderne bouwmaterialen zoals beton en prefabelementen.

Het meest uitgebreide deel van de tentoonstelling ging specifiek in op de architectuurgeschiedenis. De curatoren Jacopo Galli en Daniela Ruggeri presenteerden negentig projecten die een goed gedocumenteerd beeld gaven van Afrikaanse architectuur in relatie tot de moderniteit in de periode vanaf de Tweede Wereldoorlog tot heden. Duidelijk werd dat de projecten navigeren tussen verschillende opvattingen over moderniteit, die sterk te maken hebben met koloniale representatie en het postkoloniale zoeken naar een nationale identiteit. Zo weerspiegelt het theatergebouw van Lubumbashi (DR Congo, 1953-56) van Claude Strebelle & Yenga de Belgische koloniale moderniteit. Op een dubbelzinnige wijze vermengde Strebelle een modernistische stijl met beaux-artselementen, gecombineerd met muurschilderingen van Congolese kunstenaars. Het Kaedi Regional Hospital (Kaedi, Mauritanië, 1989) van Fabrizio Carola toont de wens naar een traditionele en prekoloniaal geïnspireerde bouwstijl door gebruik te maken van lokale materialen in een architectuur die bestaat uit een aaneenschakeling van ronde, hutachtige vormen. De campus van de Obafemi Awolowo University in Ile-Ife (Nigeria, 1962-76) van Arieh Sharon bevestigt de postkoloniale zoektocht naar zelfdefinitie in de context van Nigeria’s nationale politiek. Het gebouw werd ontworpen in een brutalistisch/structuralistisch modernisme, de architectuurstijl die geschikt geacht werd voor een hogeronderwijsinstituut. In tegenstelling tot bij Carola’s project in Mauritanië werd de moderniteit in Nigeria omarmd als teken van vooruitgang en een noodzakelijk doel in het streven naar een nationale identiteit.

Een andere vorm van moderniteit komt naar voren in het deel van de tentoonstelling dat door Filippo De Dominicis werd gecureerd. Grootschalige infrastructurele projecten op het niveau van regio en territorium hebben enorme – en soms dramatische – geografische transformaties teweeggebracht op het Afrikaanse continent. De Volta River Triangle in Ghana (1961-65) is daarvan een goed voorbeeld. Het betrof de indamming van de Volta voor irrigatie en energievoorzieningen, waardoor het grootste artificiële meer ter wereld ontstond. Het Voltaproject werd in het jonge Ghana gepromoot als katalysator van economische, politieke en culturele emancipatie. Als speerpunt van president Kwame Nkrumah’s politieke agenda stond het project symbool voor de nieuwe onafhankelijke natie, terwijl tegelijkertijd oude en nieuwe koloniale machten hun invloed in Sub-Sahara Afrika vergrootten door technische kennis en materialen te leveren. De Akosombo Dam werd gemeenschappelijk gefinancierd door de Wereldbank, de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, en voor het herlokaliseren van nederzettingen werden de urbanisten Constantionos Doxiadis en Albert Meyer aangesteld. De hoge kosten, de inefficiënte investeringen en het wanbeleid maakten van het Voltaproject echter grotendeels een mislukking. Daarbovenop komt dat veel mensen door de aanhoudende droogte gedwongen werden te emigreren naar vruchtbaardere gebieden of steden.

Het laatste deel van de tentoonstelling hernam een kritische reflectie op de hedendaagse problematiek van de snel groeiende Afrikaanse steden. De curatoren Monica Coralli en Anna Magrin presenteerden verschillenden contrasterende aspecten van de Afrikaanse megapolis, waarvan de gevolgen van groeiende inkomensongelijkheden de meest prominente was. Het ideaal van de elite, de overheden en projectontwikkelaars manifesteert zich in generische satellietsteden die ontdaan zijn van alle visuele ongemakken en het toonbeeld nastreven van de ‘world class city’. Futuristische projecten voor toekomstige urbane ontwikkeling zoals Hope City (Accra, Ghana), Konza Techno City (Nairobi, Kenya), Cité du Fleuve (Kinshasa, DR Congo), Kigali Future 2020 (Kigali, Rwanda) en Eko Atlantic City (Lagos, Nigeria), staan in schril contrast met de 43% van de urbane bevolking die onder de armoedegrens leeft en de 60% die in sloppenwijken woont. De paradox is echter dat rijke enclaves niet kunnen functioneren zonder de lageloondiensten van huishoudhulpen, schoonmakers, tuinders, bouwvakkers etc. Als gevolg groeien rondom de nieuwe steden opnieuw informele steden. 

De tentoonstellingspresentatie was hier en daar slordig en te zeer opeengepakt. Inhoudelijk was de tentoonstelling daarentegen goed opgezet en getuigde zij van het gedegen onderzoek van de verschillende curatoren en onderzoekers. Dit kan ook gezegd worden van de begeleidende catalogus, die een welkome aanvulling verschafte waar de tentoonstelling zuinig was met tekst en uitleg. Zo was een tekstuele kanttekening over het feit dat de projecten die getoond werden vrijwel alle het werk waren van westerse architecten en urbanisten, op zijn plaats geweest. Ook al kon de bezoeker dit zelf wel constateren.

 

Africa: Big Change, Big Chance, 14 januari – 1 maart 2015, CIVA (Centre International pour la Ville, l'Architecture et le Paysage), Kluisstraat 50, 1050 Brussel (02/642.24.50; www.civa.be).