Rixt Woudstra

DE WITTE RAAF

Editie 174 maart-april 2015

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Atlas of the Functional City: CIAM 4 and Comparative Urban Analysis

Het woord ‘atlas’ in de titel van Atlas of the Functional City is zorgvuldig gekozen; het geeft aan dat de redacteuren van dit ambitieuze overzichtswerk een veelzijdiger, minder eenduidig beeld willen schetsen van de beroemde vierde bijeenkomst van het Congrès Internationaux d’Architecture Moderne (CIAM) in 1933. Hetgeen besproken werd op dit congres door Le Corbusier, Walter Gropius, Joseph Lluís Sert, Alvar Aalto, Cornelis van Eesteren en andere leden van CIAM zou aan de basis hebben gelegen van de naoorlogse stedenbouwkunde. De ideeën over de ‘functionele stad’, de strikte ruimtelijke scheiding van huisvesting, werk, recreatie en verkeer als het gemeenschappelijke element, vertaalden zich in de bekende – en vaak bekritiseerde – grootschalige woonwijken met betonnen blokken omgeven door groen.

Wellicht schiet deze interpretatie van het gedachtegoed van CIAM tekort. Vaak wordt vergeten dat het idee van deze functionalist turn in de stedenbouw louter gebaseerd is op de invulling die Le Corbusier eraan gaf en publiceerde in Le Chartres d’Athènes, tien jaar na het congres. Hoewel een officiële publicatie, een bijbel van de moderne stedenbouw, het uiteindelijke doel was van de bijeenkomst, kwam daar vanwege de dreigende oorlog weinig van terecht. Nu, tachtig jaar later, is het materiaal – bewaard in de archieven van de Nederlandse Van Eesteren-Fluck & Lohuizen Stichting, en in de Eidgenössische Technische Hochschule (ETH) in Zürich – eindelijk gepubliceerd. Daaruit blijkt, zoals Daniel Weiss schrijft in de inleiding, dat het idee om huisvesting, werk, recreatie en verkeer te scheiden slechts bedoeld was als een analytisch hulpmiddel, niet als een specifieke, rigide instructie voor het ontwerpproces, zoals vaak gedacht is. In drie delen presenteert het boek de verschillende deelnemers, de uiteenlopende interpretaties en oplossingen voor de hedendaagse stad, en het visuele materiaal gebruikt tijdens het congres.

Wat werd er precies bedoeld met de ‘functionele stad’? De term kan zowel descriptief als prescriptief worden opgevat. Sokratis Georgaiadis beschrijft in het eerste deel – dat bestaat uit zes essays – hoe het concept niet alleen bedoeld was om de stad te beschouwen in termen van verschillende functies, maar ook om haar te veranderen. Stedenbouw, een relatief nieuwe discipline, werd hierdoor omgevormd tot een instrument, het was een methode. Veelzeggend zijn de andere door Georgaiadis genoemde titels die overwogen werden voor het congres; Walter Gropius dacht aan De Weg naar de Nieuwe Stad, terwijl de eveneens Duitse architect Ernst May De Weg naar de Organische Stad voorstelde. Hoewel functie vaak op een lijn wordt gezet met het taylorisme, ging het hier om het ontwikkelen en verbeteren van de bestaande stad, met aandacht voor de vier reeds genoemde functies. Dat de deelnemende architecten zich ook niet radicaal afzetten tegen de bestaande (historische) stad, wordt duidelijk uit Vincent van Rossems artikel over de carrière van Van Eesteren, die als voorzitter van CIAM een hoofdrol speelde. Van Rossem haalt Van Eesterens inzending aan voor de competitie voor Unter der Linden in Berlijn. Daarin beargumenteerde de architect dat het oude monumentale deel van de straat in perfect evenwicht zou zijn met zijn nieuwe commerciële centrum.

De methode die CIAM gebruikte voor het analyseren van de staat waarin de stad verkeerde was vernieuwend. Enrico Chapel beschrijft hoe de deelnemende landen, met drie kaarten van Amsterdam als voorbeeld – gemaakt door Van Eesteren – instructies kregen om een vergelijkbaar resultaat te verkrijgen. Het leidde tot kaarten, luchtfoto’s en geschreven interpretaties van 34 steden in Europa, en enkele in de Verenigde Staten, Nederlands-Indië en Indochina. Precies hier vond een omslag plaats in het denken over de stad; om de chaotische, dichtbevolkte, donkere en onhygiënische plek te veranderen, moest nagedacht worden op een ruimtelijk niveau groter dan het huis, de straat of de wijk. Ute Schneider benadrukt echter dat er grote (visuele en inhoudelijke) verschillen bestonden tussen de kaarten die uiteindelijk geproduceerd werden, waardoor het lastig was om een vergelijkende analyse te maken. Bovendien, de kaarten pretendeerden wetenschappelijk te zijn, objectief, maar de architecten, vrij onwetend wat betreft het plannen van steden, behandelden de grote papieren oppervlakte voornamelijk als een esthetisch medium.

Het tweede deel bestaat uit deze kaarten, besproken per deelnemend land en begeleid door een kort artikel. Niet alleen wordt duidelijk hoe grootschalig deze onderneming was – de meeste architecten waren al jaren bezig met de kaarten en het verzamelen van data, er was zelfs een voorbereidend congres in Berlijn in 1931 – maar ook komen de verschillende opvattingen over de toekomst van de stad tot uiting, via de verhalen achter elke individuele bijdrage. Terwijl de Italiaanse architect Giuseppe Terragni grote slooppartijen voorstelde in Como, zag de Noorse CIAM-groep heil in het ontwikkelen van efficiënte en economische transportmogelijkheden; hierdoor zou het mogelijk worden om grootschalige wijken in de periferie van Oslo te bouwen. Tot slot publiceren de redacteuren een vertaling van de ‘Conclusies van het Vierde Congres’ – die minder simplistisch blijken te zijn dan in Le Chartres d’Athènes – en afbeeldingen van de succesvolle tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam in 1935, gebaseerd op CIAM 4.

Een ander foto-essay – met recentelijk herontdekte foto’s uit het archief van de Zwitserse ingenieur Carl Hubacher en zijn vrouw Grete – geeft eveneens aanleiding tot een herinterpretatie van het ‘CIAM-erfgoed’: het congres vond plaats op een boot, die op een maand tijd van Marseille naar Athene en terug zeilde. Behalve scènes met leden van de Europese avant-garde op het dek van de Patris II, liggend in de mediterrane zon, zien we ook foto’s die een interesse verraden in monumentale structuren als de Acropolis, én in de anonieme, simpele architectuur aan de kust van de Middellandse Zee – een aspect waar wellicht meer aandacht aan besteed had kunnen worden. De keuze voor deze plek, als oorsprong van de westerse beschaving, was bewust, en benadrukte de continuïteit met het verleden.

Atlas of the Functional City is een boek waar lang op is gewacht. Met medewerking van vele experts, zoals Eric Mumford en Josep Rovira, bevatten deze essays een rijkdom aan overtuigende details, interpretatieve inzichten en nieuw beeldmateriaal. Deze publicatie bezit het vermogen de bestaande interpretatie van de ‘functionele stad’ en de gevolgen van CIAM voor de stedenbouw te herzien.

 

Atlas of the Functional City – CIAM 4 and Comparative Urban Analysis (red. Evelien van Es, Gregor Harbusch, Bruno Maurer, Muriel Pérez, Kees Somer, Daniel Weiss), verscheen bij Uitgeverij THOTH,
 Nieuwe ‘s-Gravelandseweg 3,
 1405 HH BUSSUM
 (035/694.41.44; thoth.nl).