Edo Dijksterhuis

DE WITTE RAAF

Editie 175 mei-juni 2015

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Pauline Boudry & Renate Lorenz

Dertigers en veertigers die zijn opgegroeid met no wave en minimal music herkennen in To Valerie Solanas and Marilyn Monroe in Recognition of their Desperation van Pauline Oliveros misschien de rauwe gitaarsymfonieën van Glen Branca. Het zijn monotone geluidsmuren, opgetrokken uit lang aangehouden noten. Het zaagt, hamert, vibreert, met hypnotiserend effect. Maar terwijl bij Branca’s concerten de gitaristen – vrijwel allemaal mannen – naar hun instrument op kruishoogte staren en soms naar de dirigent, is de dynamiek bij een opvoering van Pauline Oliveros’ compositie geheel anders. Bij de macho Branca heersen strakke structuur en hiërarchie, bij Oliveros juist losheid.

Pauline Boudry en Renate Lorenz registreerden een herneming van de compositie uit 1970 door kopstukken uit de Berlijnse postpunkscene, en toonden de film onlangs bij Ellen de Bruijne Projects. De muzikanten lopen door de ruimte, zoeken oogcontact, tasten elkaar af. Als een van de muzikanten iets te enthousiast het voortouw neemt – zangeres Peaches die gillend uithaalt – reageert de rest meteen. Een tandje bijsteken, de machtsgreep overstemmen of afzwakken. Het is een krachtenveld van geven en nemen, waarin groep en individu elkaar in evenwicht houden. Ook de camera speelt een rol in dit spel. Close-ups worden afgewisseld met totaalshots, de aandacht wordt democratisch verdeeld over alle muzikanten.

Boudry en Lorenz typeren To Valerie Solanas and Marilyn Monroe in Recognition of their Desperation als een poging ‘queerness’ te verklanken. Voor de kunstenaars is ‘queer’ een veel breder begrip dan het denigrerende ‘flikker’ in de Angelsaksische context of het label voor alternatieve genderopvattingen zoals dat binnen de LGBT-gemeenschap wordt gebezigd. Queerness is voor hen het afwijzen van iedere normatieve identiteit. Wie of wat iemand is, is fluïde. Het zichtbaar en inzichtelijk maken van juist dit ontsnappen aan vaststaande definities, is de kern van Boudry en Lorenz’ fascinerende oeuvre.

In het geval van Oliveros’ compositie is het resultaat bij vlagen spannend, maar soms ook stuurloos. Andere (hier niet getoonde) werken van Boudry en Lorenz zijn meer gestructureerd, hoewel ze zich stuk voor stuk bevinden in een grijs gebied tussen performance en film. Die structuur is doorgaans te danken aan de historische referenties, die explicieter worden uitgewerkt dan bij Oliveros’ muziekstuk, waar we het moeten doen met enkel de titel. In Contagious! bijvoorbeeld staat de cakewalk centraal, een dans waarmee Afro-Amerikanen in de negentiende eeuw blanke dansstijlen parodieerden. N.O. Body draait om ‘vrouw met baard’ Annie Jones (1865-1902). En in Normal Work worden de foto’s gereproduceerd van de victoriaanse bediende Hannah Cullwick, die koketteerde met haar onvrouwelijke spierballen, maar zich tegelijkertijd als slaaf opwierp voor haar geliefde meester. Boudry en Lorenz laten Cullwick uitbeelden door dragqueen Werner Hirsch, waardoor de gendertypologie helemaal op drift raakt.

Voor Opaque, het andere werk dat te zien was bij Ellen de Bruijne Projects, vormt een tekst van Jean Genet het uitgangspunt. Genets pleidooi voor een ‘perfecte tegenstander’, eentje die duidelijk en als zodanig te erkennen is, wordt in een aftands en verlaten binnenzwembad voorgedragen door leden van een ondergrondse actiegroep, gestoken in leer en roze camouflagepak. Man of vrouw – het wordt niet duidelijk. Dat ze de tekst ook nog eens playbacken vergroot de verwarring alleen maar.

De personages van Boudry en Lorenz zijn samengesteld, theatrale optelsommen van uitersten. Hierin klinkt de filosofie van Judith Butler door, die het begrip ‘performativiteit’ introduceerde: gender leer je door bepaalde dingen herhaaldelijk te doen zodat ze ‘ingeprent’ raken. De kunstmatigheid van de act wordt nog eens benadrukt door de filmklapper, die aan het begin nadrukkelijk in beeld komt, en het glittergordijn dat als decor dient. De voordracht is brechtiaans ontregelend en overdreven, al ontbreekt de nadrukkelijke uitleg die met een brechtiaanse voorstelling gepaard gaat, en ze wordt begeleid door lichteffecten en rookgordijnen. Identificatie is onmogelijk, daarvoor zijn tekst en beeld te ongrijpbaar. Maar door de installatie rondom het projectiescherm, die een imitatie is van het decor in de film, word je als kijker toch telkens het beeld ingezogen. Bijzonder knap hoe Boudry en Lorenz dat spel van afstoting en aantrekking tot het einde weten vol te houden, zonder het te laten stollen.

 

• Pauline Boudry & Renate Lorenz, tot 16 mei in Ellen de Bruijne Projects, Rozengracht 207 A, 1016 LZ Amsterdam (020/530.49.94; edbprojects.com).