Valerie Smith

DE WITTE RAAF

Editie 46 november-december 1993

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Aantekeningen bij Sonsbeek 93

25 juni

Het plezier is er grotendeels af. Nu hoor ik vooral klachten, die doorgaans te maken hebben met de gebrekkige gids - waarmee ik moet instemmen - en de afwezigheid van efficiënte bewegwijzering. De bezoekers zeggen dat ze de kunstwerken niet kunnen vinden. Niemand heeft opbouwende kritiek, erg weinig mensen hebben de tijd genomen om de tentoonstelling te bekijken. Ze raken al dadelijk de moed kwijt als ze beseffen dat ze over de hele stad verspreid ligt. Als ik mensen erover hoor klagen dat ze moeten lopen of rondrijden om een kunstwerk te zien, dan kan ik me niet van de indruk ontdoen dat ze liever televisie zouden kijken. Ik vraag me af of het anders zou zijn in een cultuur die geen televisie kent. Zouden we dan meer bereid zijn om alles op eigen houtje te verkennen, zouden we dan nieuwsgieriger zijn naar de wereld om ons heen?

Ik zou me vereerd voelen als ik opbouwende kritiek over de expositie kreeg. Ik hoop dat die geschreven wordt, anders is dit allemaal vergeefs geweest.

Ik heb spijt over de bezoekersgids. Die is overduidelijk een ramp. Ik had op mijn intuïtie moeten afgaan, ik had moeten aandringen op onmiddellijke wijzigingen, te allen prijze. We hebben wel het cynisme ten dele uit de Bilwet-tekst gehaald en de kaarten hertekend, maar dat was niet genoeg. Ik had nee moeten zeggen, ook al zou de gids daardoor te laat verschenen zijn. Zo’n twee, drie weken voor de opening zag ik het resultaat en raakte in paniek, maar ingrijpende wijzigingen waren niet genoeg om een verschil te maken. Ik had moeten beseffen hoe belangrijk het was om gedetailleerde en nauwkeurige kaarten van de verschillende locaties te maken.

 

28 juni

De voorbije nacht werd ik volledig in beslag genomen door de paniekerige reactie om kost wat kost de grote massa naar de tentoonstelling te krijgen, maar eigenlijk verafschuw ik deze mentaliteit. Ik vind niet dat ik de integriteit van de tentoonstelling moet compromitteren om de grootste gemene deler aan te trekken. Ik vraag me af of pogingen om slogans te verzinnen zoals “culturele safari” geen compromis zijn, een vorm van minachting tegenover de kracht en de zuiverheid van de tentoonstelling.

 

3 juli

In je relatie tot een tentoonstelling is er altijd een idyllische fase die onveranderlijk begint te slijten zodra de realiteit doorbreekt… Ik heb nog altijd geen afstand tegenover de tentoonstelling - heb nog altijd geen afstand ontwikkeld. Nu ik een week weg ben, denk ik er voortdurend aan en heb ik nachtmerries - terugkerende angstaanvallen over verschillende aspecten die beter konden, waaraan ik zorg had moeten besteden, enzovoort. Een van de verwijten die het hardnekkigst aanhouden, is mijn spijt over de hele technische kant van de tentoonstelling.

 

8 juli

Daarnet een bestuursvergadering gehad. Het bestuur maakt zich zorgen over het bezoekersaantal. Maar 3000 in één maand tijd! Dat is verschrikkelijk. Het is moeilijk te begrijpen waarom het er zo weinig zijn. Bij de balie hebben ze het gevoel dat de mensen verwachten dat ze sculpturen in het park zullen zien, en dat ze erg in de war raken als ze ontdekken dat de tentoonstelling over de hele stad en de wijde omgeving verspreid ligt. Het concept van de drie cirkels hebben we erg benadrukt, maar toch dringt de betekenis ervan niet door - 3 cirkels betekent overal verspreid, en overal verspreid betekent dat een bezoek aan de hele tentoonstelling op zijn minst twee dagen of één lange dag in beslag neemt. Een ander probleem is volgens hen dat de mensen de kunstwerken niet begrijpen - ze hebben toelichting nodig, de tentoonstelling is op het eerste gezicht te complex. De som van overal verspreid en het concept sociale interventie ontreddert de gemiddelde tentoonstellingsbezoeker. Als er iets is wat ik geleerd heb, dan is het dat je twee soorten publiek moet proberen aan te trekken: 1) je collega’s in de kunstwereld en 2) het grote publiek, en het is het grote publiek dat je maakt of kraakt. Hoe interessanter en complexer je het maakt, hoe meer belangrijke kwesties je probeert aan te snijden, des te meer respect krijg je van je collega’s. Maar als je het grote publiek ertoe aanzet na te denken en tijd uit te trekken om de tentoonstelling te zien, dan neemt het je dat kwalijk. De meeste mensen willen helemaal geen tijd uittrekken - ze hebben maar één namiddag en daarmee uit.

Ik had moeten capituleren voor het verwachtingspatroon van het publiek en een erg makkelijke en handige gids maken, of misschien de Bilwet-tekst moeten opnemen samen met eenvoudige toelichtingen. Maar ik had geen ervaring met dit soort zaken en wilde te radicaal te werk gaan, zoals we dat voor de catalogus hadden gedaan. Ik had het extremisme van de catalogus moeten compenseren met een erg conservatieve gids.

 

10 juli

Er is niets zo deprimerend als zien dat je inspanningen in het wilde weg tenietgedaan worden. Gisteravond ging ik met Thomas Kellein het werk van Jan van de Pavert bekijken. De kinderen die het als clubhuis gebruiken, hebben de stoeltjes op de grond in puin geslagen. In het huis zelf hebben ze vuurtjes gestookt, de muren hebben ze beklad met graffiti. Er lag overal rommel. Het was deprimerend om het geweld tegen Jans huisje te zien, het was ook deprimerend om dat pas nu te ontdekken - het is gewoon gênant om mensen mee te nemen naar een kunstwerk dat vernield is. Deze depressie en gêne zijn me constant een doorn in het vlees. Elke dag duikt een nieuw probleem op; er ontstaat een gevoel van hulpeloosheid. Het herstel van de beschadigingen neemt erg veel tijd in beslag. Maar intussen zien de bezoekers het in deze belabberde staat, en dat wordt dan een afspiegeling van de tentoonstelling. Natuurlijk is dit niet zo, het is veeleer een afspiegeling van het gebrek aan respect dat de burgers van Arnhem hebben voor bezittingen, voor objecten in de open lucht - want ze beschouwen ze natuurlijk niet als kunstwerken. Ze zien de tentoonstelling gewoon als een plaats waar je kunt schenden en beschadigen. Het beschadigen van privé-bezittingen is een wat vreemde vorm van toeëigening - net zoals iemand beledigen trouwens. Je beledigt iemand om hem of haar te kneden naar je eigen beeld - met die beledigingen laat je je aanspraken op iemand gelden. Als je intens van iemand houdt, dan bezit je hem of haar ook, en waarom zouden beledigingen niet op dezelfde manier kunnen functioneren. De kinderen die in Jan van de Paverts huisje spelen, eisen het op gewelddadige wijze voor zichzelf op. Ze zouden dat ook op een liefdevolle manier kunnen doen - met respect - maar dat hebben ze nooit geleerd. Van Andreas Siekmanns 152 prenten zijn er 40 vernield - ook dat is een deprimerende gewelddaad die we zouden moeten proberen te begrijpen, die we zouden moeten bespreekbaar stellen. 

 

11 juli

Vandaag is het zondag en ik zit alleen op kantoor om te proberen de interesse van het publiek voor Sonsbeek aan te zwengelen. Ik schrijf brieven naar directeurs en pr-mensen van allerlei musea - mensen die ik niet eens persoonlijk ken, die ik nooit heb ontmoet, met wie ik nooit heb gesproken - om hen te vragen of ze geïnteresseerd zijn in een lezing over Sonsbeek in hun museum. Zo willen we de belangstelling van het publiek stimuleren en hen ertoe aanzetten de tentoonstelling te bezoeken.

Vanuit het raam zie ik hoe de mensen naar het werk van Tom Burr kijken. Ik vraag me af wat hen door het hoofd gaat. De gemiddelde bezoeker heeft het er waarschijnlijk moeilijk mee om plaatsen als sociale en seksuele omgevingen te denken. Gewoonlijk is een plaats seksueel neutraal, om over parken maar te zwijgen. Toms lapje grond ziet er almaar smeriger en miserabeler uit. Ik beschouw dat als iets positiefs, het begint inderdaad in een stukje New York te veranderen.

 

21 juli

Een erg moeilijke week achter de rug - werkweek en weekend lopen in elkaar over, een doorlopende reeks gebeurtenissen zonder rustpauze.

Zaterdag leidde ik Jean-Christophe Ammann, Mario Kramer en een tiental vrienden van het Frankfurtse Museum für Moderne Kunst rond. We hebben haast alles gezien en ik denk dat ze erg enthousiast waren, ze stelden vragen die me extra energie gaven. Ze gaven me de kans ontspannen van de rondleiding te genieten en, wat belangrijker is, relaties met de kunstwerken aan te gaan die ik nog niet was aangegaan. Omdat de meesten geen kunstkenners waren, waren hun vragen zo direct en fundamenteel dat ze je aan het denken zetten.

Zondag was de ergste dag. Bestuursvergadering van 3.30 tot 7.00 uur. Het staat vast dat er een deficit zal zijn. Dit is een schok voor mij, omdat we met z’n allen hard hebben gewerkt om de fouten die we in het begin hadden gemaakt weer recht te zetten - om de tentoonstelling voor het publiek inzichtelijker en toegankelijker te maken. Toch zullen we de vooropgezette 60.000 bezoekers niet halen. Dat heeft te maken met een reeks erg complexe omstandigheden waarvan ik denk dat ze buiten mijn controle liggen. 60.000 was eigenlijk een willekeurig aantal, gebaseerd op “Sonsbeek 86”. In 1986 waren er verschillende factoren die het mogelijk maakten dat dat aantal ook werd gehaald. Ten eerste is er het feit dat ’86 in Europa en de VS nog een voorspoedige tijd was. De mensen waren nog echt geïnteresseerd in kunst als koopwaar, als belegging, en openluchttentoonstellingen leidden tot geanimeerde debatten over de rol van openbare sculpturen. In de tweede plaats had en heeft Saskia Bos, directeur van De Appel, in Nederland een grote aanhang. Ze is bekend bij het grote publiek en haar reputatie in de kunstwereld zette mensen ertoe aan naar Arnhem te komen om de tentoonstelling te zien. Voor het Nederlandse publiek ben ik daarentegen een grote onbekende, en ik sta evenmin aan het hoofd van een prominente expositieruimte in Amsterdam. In de derde plaats zijn de kunstenaars die ik voor “Sonsbeek 93” heb gekozen nog grotendeels onbekend. Saskia had gekozen voor kunstenaars die een coherente en specifieke benadering gemeen hebben. Ten vierde ligt mijn tentoonstelling over de hele stad verspreid en is de periferie ervan soms moeilijk te bereiken - wat hoge eisen stelt aan het geduld en het bevattingsvermogen van de bezoekers. Het is geen expositie van parksculpturen. Deze tentoonstelling omvat een aantal interventies in het sociale, historische, architecturale leven van de stad en zijn natuurlijke omgeving. Oorspronkelijk wilde ik dat de tentoonstelling gratis toegankelijk zou zijn - dat had eigenlijk gemoeten. We hadden nooit op inkomsten moeten rekenen - we waren allemaal veel te enthousiast en te naïef.

 

29 juli

Nogal geschokt en gedeprimeerd gisteren toen ik met Stuart Morgan naar de Hohenbüchler-paviljoenen bij de gevangenis ging kijken. Rond de paviljoenen waren enorme grachten gegraven, alsof iemand erin wilde klimmen. Ik was razend en ging dadelijk naar de receptie om te vragen wat er aan de hand was. Stuart en ik moesten in de pasgebouwde gevangeniswachtzaal vijf minuten wachten - dat bleek uiteindelijk een half uur te zijn - op iemand die op de kunstafdeling insprong voor iemand anders. Natuurlijk wist hij er niets van af, en toen ik woedend om een verklaring vroeg, stond hij daar wat dwaas te lachen. We maakten een afspraak voor ‘s anderendaags om 11.00 uur. Ik ging er samen met Bram heen. We werden opgevangen door dezelfde man, die ons naar het kantoor van de directeur loodste. Daar werd ik voorgesteld aan drie mannen. Twee van hen waren specialisten op het gebied van vorkheftrucks en het transporteren van voorwerpen, de derde was een bewaker of een opzichter die verantwoordelijk was voor het project. Er bleek iemand te zijn die geen militaire dienst had willen doen en verkoos om de gevangenis in te gaan, zijn straftijd zat er bijna op toen de autoriteiten erachter kwamen dat hij een tuinbouwexpert was, en dat ze hem voor 5 gulden per uur konden gebruiken om het onkruid weg te halen dat rond de gevangenismuren groeide en waarover de buren al vaak geklaagd hadden. Goed, de man komt met een plan op de proppen, en de Hohenbüchler-paviljoenen blijken precies in het midden van zijn tuinontwerp te staan. Zonder Sonsbeek ook maar iets te vragen, zijn ze dan maar begonnen met het uitgraven van de paviljoenen. Ik was woedend omdat ze zo weinig respect hadden, zowel voor het kunstwerk als voor de inspanningen van de gevangenen, maar ik bleef bereid om mee te werken aan een compromis. Het was duidelijk dat ze niet van plan waren het werk aan te kopen of te behouden, omdat de paviljoenen toevallig net op de plaats stonden waar ze een vijver wilden aanleggen. Eerst hadden ze het geld willen gebruiken om de bouwwerken van de grond te tillen en op het parkeerterrein te zetten. Maar toen bleken er verzekeringsproblemen te rijzen, en de gebouwen liepen gevaar in te storten. Het gesprek begon helemaal in hun voordeel te verlopen toen de directeur binnenkwam. Ik herinnerde hen eraan dat de gevangenis beloofd had de paviljoenen op te nemen en te behouden. Deze overeenkomst en het feit dat het veel geld zou kosten om de paviljoenen te verhuizen bracht hen ertoe dat toch maar niet te doen. Maar het was duidelijk dat ze geen enkele loyauteit voelden tegenover het kunstwerk of tegenover het idee van een project waaraan de gevangenen samen hadden gewerkt. Wat hen interesseerde was hoe ze de vakkennis van hun gevangene konden uitbuiten, hoe ze zoveel mogelijk voordeel uit hem konden halen voor hij half augustus vrijgelaten werd.

Ik ben ook woest over het feit dat het werk van Zaugg sinds de opening nog niet verlicht is geweest en dat niemand daar iets aan doet. De PGEM wordt verondersteld eraan te werken, maar daar beweren ze dat iedereen met vakantie is.

 

4 augustus

Het is 7.00 uur in de ochtend en ik werd wakker met dat verschrikkelijke woord mislukking dat in mijn hoofd rondzeurt. Maar dat woord mislukking - het idee om in deze termen over Sonsbeek te praten, het als gespreksthema te beschouwen - is destructief. Ik denk niet dat ik op artistiek vlak mislukt ben. Op publicitair vlak daarentegen zijn we zeker mislukt - we zijn er onvoldoende in geslaagd aansluiting te vinden bij het grote publiek, het te informeren over hoe ze naar Sonsbeek moeten kijken. Maar dat is een reusachtige onderneming in een land en een deel van Europa waar het publiek nog altijd formele sculpturen wil zien, sculpturen die in zichzelf besloten zijn, een land waarin dergelijke sculpturen en masse worden geproduceerd en ook de meeste media-aandacht kijgen.

 

5 augustus

Dit boek is voor mij een soort therapie. Het lijkt alleen maar m’n zorgen en problemen te mogen bevatten, zelden de uitgelaten momenten. Dit is al de tweede ochtend dat ik spontaan om 7.00 uur wakker word. Gisterenavond hadden we een van onze bestuursvergaderingen. Uiteindelijk vond ik ze vrij constructief. Maar in de loop van de vergadering begonnen we te praten over publiciteit en over de problemen rond Andreas Siekmann, en hoe we daar voordeel uit kunnen halen. Ik had Andreas gevraagd om op zaterdag 14 augustus om 14.00 uur vlakbij de fontein te komen praten over zijn werk en over de problemen dat het met zich meebrengt. Hij stond daar wat afkerig tegenover, maar toen hij besefte dat ik er ook zou zijn, kreeg hij er al wat meer zin in. De aanleiding voor de hele zaak waren enkele jongeren die zijn tekeningen begonnen te vervangen door zelfgemaakte borden met boodschappen als: “als dit een pleintje voor de jongeren is, waarom mogen we er dan niet in”. Daarop schreef Andreas een repliek, die samen met de reacties van de jongeren op de muur werd aangeplakt. We willen de afgesproken dag ook benutten voor open communicatie. Het bestuur vond unaniem dat dit een uitstekende gelegenheid was om de publiciteit te krijgen die voor de tentoonstelling van levensbelang is.

 

5-6 augustus, 5.30 uur in de ochtend

Het bestuur is bang, haast in paniek. Ze hebben druk uitgeoefend op mij en de rest van de ploeg om elk aspect van de tentoonstelling te “verkopen”. In feite jakkeren ze ons echt af. Ieder van ons werkt 6 tot 7 dagen per week, van 9.00-10.00 uur ‘s ochtends tot 19.00-20.00 uur ‘s avonds. De fout die ze gemaakt hebben is dat ze rekenden op de inkomsten van 60.000 bezoekers. Het zou me verbazen als het er 30.000 worden. Oorspronkelijk had ik gewild dat de hele tentoonstelling gratis zou zijn; door de toegenomen druk betaalt de hele ploeg nu erg duur voor de vergissing die het bestuur gemaakt heeft. Natuurlijk neem ik de verantwoordelijkheid op mij voor het mislukken van de bezoekersgids, maar gids of geen gids, het publiek blijft weg. Ze hebben gewoon geen interesse; ze gaan veel liever naar de Zoo of naar het Openluchtmuseum. Arnhem en omgeving staan model voor religieuze en conservatieve familiale waarden, en Sonsbeek onderwerpt die waarden aan kritiek. Waarom zouden ze dan komen kijken? Stilaan raak ik verontwaardigd over wat met de tentoonstelling gebeurt. Ik beleef er geen plezier meer aan, en mijn enthousiasme is flink bekoeld.

 

8 augustus

De druk houdt aan. Op kantoor is de nervositeit overal zeer hoog, nooit is er een adempauze. De kern van het probleem met grote tentoonstellingen is dat ze altijd aarzelen tussen populariteit en een kritische houding. Hoe moet je zowel het publiek als de kunstwereld tevredenstellen? Hoe kun je je integriteit bewaren en toch aantrekkelijk blijven? Zijn deze tegenstellingen wel met elkaar te verzoenen? Ik maak liever een belangrijke, kritische 
tentoonstelling die reële kwesties aansnijdt - de complexe kwestie van kunst in de openbare ruimte, de herdefinitie van monumenten en gedenktekens, de herformulering van de context waarin we leven, zowel privé als publiek - dan een pop-poll te winnen. Ik zal het Nederlandse publiek nooit kunnen overtuigen. Als het hele bestuur en wijzelf dit hadden aangepakt zoals het hoort, dan had eerst de (commerciële) haalbaarheid van de tentoonstelling onderzocht moeten worden.

 

15 augustus

Het voorbije weekend zat boordevol speciale rondleidingen en lezingen voor zakenlui uit de omgeving van Arnhem en voor vrienden uit musea. Het is boeiend om te zien hoe de stemming en de respons van deze groepen elke dag anders is. Ik stel ook vast dat hoe meer uitleg en informatie je geeft, hoe opener en ontvankelijker de mensen tegenover het hele Sonsbeek-project staan. Over het algemeen is het zo dat het publiek bij het handje genomen wil worden. De mensen willen dat je hen vertelt waar het over gaat. Een werk waarmee ze nog niet vertrouwd zijn, is voor de meesten iets negatiefs. Ze zijn niet nieuwsgierig, ze zijn niet ondernemend genoeg om alles op eigen houtje te onderzoeken en te ontdekken. Maar als ze er eenmaal zijn, zijn ze gelukkig en danken ze me voor een “provocerende” of “interessante” of “stimulerende” namiddag. Ik moet zeggen dat ik blij ben om dit te doen, maar het maakt me triest dat de tentoonstelling voor zoveel mensen zo moeilijk blijkt. Dat ze er nog altijd over klagen dat ze niet op hun luie kont kunnen blijven zitten als ze een kunstwerk willen zien. Ze zouden echt willen dat het hen op een zilveren schoteltje wordt aangereikt. De oudere generatie is onverzettelijk en honkvast en de jongeren behoren tot een zap-cultuur, ze weten niet meer hoe je voor jezelf kunt denken, hoe je analyseert, hoe je verbanden legt.

Het is ook deprimerend dat we nu een uiterst negatieve recensie krijgen in de NRC, net op het moment dat ik ga denken dat de mensen het eindelijk beginnen te begrijpen en te aanvaarden. Maar het artikel of de recensie is gelukkig zo doorzichtig dat het ongeloofwaardig wordt. Het ligt er vingerdik op dat de recensent de tentoonstelling niet heeft gezien en bovendien al onze inspanningen heeft genegeerd - al de mailings met de nieuwe routes die we haar hebben gestuurd. Het is een ergerlijk staaltje van onverantwoordelijke journalistiek, dat de hele journalistiek een slechte reputatie bezorgt. Ze heeft geen enkele inspanning gedaan om de kunstwerken zelf te bespreken, wat ze uiteraard ook niet kon omdat ze de tentoonstelling niet gezien heeft. Maar goed, de tentoonstelling zal in elk geval belangrijk zijn geweest voor de betrokken kunstenaars en voor de collega’s die ik respecteer; en ik denk dat veel mensen hebben genoten van het werk van Marc Quinn, de tentoonstelling van Mike Kelley en het werk van Van de Pavert, om er maar enkele te noemen.

 

29 augustus

Een aantal dagen geleden werd de fontein van Marc Quinn zwaar beschadigd. Iemand heeft geprobeerd het glas kapot te slaan om in de sculptuur binnen te geraken. Hij is erin geslaagd om in het midden een groot gat te slaan, maar kon toch niet naar binnen. Met een zwarte spuitbus heeft hij op de bovenkant “Goddeloos” geschreven. De achterkant heeft hij beklad met graffiti. Deze tekens waren aanvankelijk moeilijker te lezen, maar later zag ik (half aan het gezicht onttrokken door de graffiti) de handtekening “Jerry”. Toen ik de vernielingen zag, had ik het vreemde gevoel dat de sculptuur verkracht was. Het was alsof ik de nasleep van een moord meemaakte: ik hoorde allerlei commentaren, zowel van mensen die de vernietiging goedkeurden als van anderen, de meerderheid, die verdrietig het hoofd schudden. Bram vertelde me dat hij iemand had horen zeggen dat de kerel beter het hele zaakje kapot had kunnen slaan.

Nederland is een vreemde combinatie van enerzijds hardnekkig conservatisme en oude Europese waarden en anderzijds het streven naar sociale voorzieningen voor iedereen, tolerantie en het afdwingen van mensenrechten. Het is de contradictie van een tolerantie die begrensd is. Maar dat soort geweld is symptomatisch voor het grensstadje dat Arnhem is, vlakbij de Duitse grens - er heerst hier een soort stadscowboy-mentaliteit.

Eigenlijk laat wat met Quinns werk gebeurd is me bijna koud. Ik had het verwacht. Ik raak meer verontwaardigd door wat er met de parachute van Balka gebeurt, die als een vuilnisemmer wordt behandeld - voortdurend worden allerlei spullen in het gat gegooid. Volgens mij getuigt zoiets nog veel meer van een duidelijk gebrek aan respect. Wat me ook ontstemt, is het feit dat ondanks al mijn zagen en klagen het werk nog altijd niet is afgewerkt zoals het hoort. In dit soort situaties beschik ik over geen enkele macht - onlangs kreeg ik een rekening voor de totale kostprijs, meer dan 4000 gulden. Waarom moet ik deze rekening nu krijgen? Waarom is dit al niet veel vroeger in orde gebracht? Het is respectloos tegenover de kunstenaar, en voor mij is het pijnlijk om zijn werk in die toestand te tonen aan mensen die hem en zijn werk misschien kunnen helpen.

 

1 september

Vreemd genoeg kijk ik uit naar het evaluatiedebat dat we voor Sonsbeek aan het voorbereiden zijn. Ik hoop dat het een hoogtepunt wordt, een soort samenvatting van al onze inspanningen, ten goede of ten kwade, voorgelegd aan het oordeel van een groot publiek. Ik geloof niet dat er erg veel tentoonstellingsmakers zijn die zo’n moment van kwetsbaarheid zouden toelaten. Maar dit maakt deel uit van het oorspronkelijke concept. Het ging erom me bloot te stellen aan de onderzoekende blik van iedereen. De kritiek is fel geweest, maar jammer genoeg heb ik nooit het gevoel gehad dat ze zich concentreerde op de artistieke kwesties die deze tentoonstelling aansnijdt. Het is doodjammer dat de pers zozeer begaan is met het aantal verkochte tickets en met het feit dat weinig mensen de kaarten kunnen lezen.

 

3 september

De reacties op de vele lezingen die ik gegeven heb, waren altijd erg enthousiast. Wat ik daardoor ben gaan beseffen, is dat de media erg belangrijk zijn. Ik bedoel dat de lezingen met dia’s en de video over Sonsbeek zoveel succes hebben en zo overtuigend werken omdat ze op tv-programma’s lijken. Als we twee keer per maand een tv-spotje hadden gehad, dan ben ik er zeker van dat er heel wat meer mensen zouden zijn opgedaagd. Als ik mijn lezingen al voor de opening klaar had gehad, als ik voor het begin van de tentoonstelling was gaan preken in scholen en musea, dan hadden we waarschijnlijk prachtige resultaten behaald. De opening voor de pers was de grootste catastrofe. En de fout die ik heb gemaakt is dat we bij het concipiëren van de bezoekersgids onvoldoende aandacht hebben besteed aan de behoeften van het publiek. Ik heb geen ervaring met publiciteit. Mijn gebrek aan visie en ervaring op dit domein heeft bijgedragen tot de negatieve reacties in de pers. Maar als je anderzijds denkt aan iemand als Jan Hoet, die geruggesteund werd door een grote en dure publiciteitsmachine en toch ook negatieve persreacties kreeg, dan lijkt het allemaal niets uit te maken. Uiteindelijk krijgen ze je toch te pakken.

De hedendaagse Nederlandse kunst bevindt zich in een crisissituatie. Nederland bezit enkele van de beste musea in Europa, maar het staat niet bekend als een land dat een speerpunt is, dat op kunstgebied een voorhoedepositie inneemt. Als dit land meer moeite zou doen om onbekende en opkomende kunstenaars te tonen, in plaats van de oude vertrouwde namen, dan zou hier misschien minder weerstand en meer begrip groeien: meer bereidheid om open te staan. Maar ze zijn allemaal zo verdomd bang. Niemand wil echt zijn nek uitsteken, niemand wil opdraaien voor tentoonstellingen die nog geen geschiedenis hebben. Er zijn zo weinig mensen die risico’s willen nemen.

 

8 september

Net een sterk staaltje van Arnhems provincialisme meegemaakt. Ik hield een dialezing voor de vrienden van het Gemeentemuseum, en ik was echt verontwaardigd toen een vrouw opmerkte dat mijn tentoonstelling elitair was en dat ze behoefte had aan mijn toelichtingen. Wat moet je zo iemand antwoorden? Ik voelde dat ik mezelf en mijn geloof in de tentoonstelling moest verdedigen. Je spendeert geen twee jaar van je leven aan een onderneming als deze om je dan in de grond te laten boren door de inwoners van Arnhem, de mensen dus tot wie je je dacht te richten. Welke toelichting heb je dan wel nodig bij de werken van Zaugg of Quinn of zelfs Boetti? Zelfs een complex werk als dat van Ruppersberg wordt duidelijk als je de boeken kunt lezen, de caravan kunt zien, zijn tekst kunt lezen. Hoe kan dit werk je koud laten? Maar hedendaagse kunst is niet voor iedereen, en ik kan niet iedere keer weer boos en verontwaardigd worden omdat iemand me zegt dat hij er niets aan heeft of dat het elitair is. Ik heb een fout gemaakt door geen grootscheeps educatief programma op te zetten. Ik heb mijn publiek overschat. Ik dacht dat ze voorbereid waren. Maar dat was niet zo, en er was niemand die me er op wees dat het mijn taak was om het publiek voor te bereiden.

 

13 september

Gisterenavond was er een confrontatie met de stad. De bedoeling was dat het een debat zou worden over kunst in de openbare ruimte, maar de mensen in de zaal wilden vooral hun woede ventileren over het feit dat ze Engels moesten praten (hoewel er een tolk aanwezig was), over de tegenvallende kaartenverkoop en over geld. Daar zaten we dan: Sabine Vogel, Jouke Kleerebezem, Jan Hoet, Anna Tilroe, Hermann Pitz, Paul Baeten, Antje von Graevenitz, Maria Roosen, Ronald van Tienhoven, Harmen de Hoop, Joke van Doorne, Eran Schaerf, en het enige waarover de mensen in de zaal konden praten was tickets, geld, en het ontbreken van een dialoog! Het was echt kwetsend. Kwetsend voor de gasten, die op vrijwillige basis waren gekomen om over kunst te spreken en die in de plaats daarvan geconfronteerd werden met allerlei onzin uit het publiek. Het zou me niet verbazen als de gasten Arnhem hebben verlaten met het vaste voornemen er nooit nog één stap te zetten. Arnhem liet gisterenavond zijn ware provincialistische gezicht zien. Dat was niet alleen erg triest, het was ook puur tijdverlies en een verspilling van het weinige geld dat we aan dit debat konden spenderen.

Ik was erg onder de indruk van het artikel van Rudi Fuchs in Het Parool. Ik vroeg me af waarom hij een tentoonstelling wilde steunen die hij nog niet bezocht heeft. Anna Tilroe vermoedde dat het was omdat hij besefte wat op het spel stond: het teloorgaan van de hedendaagse kunst, het teloorgaan van de kansen om innovatief te programmeren op kunstgebied: als de professionelen deze tentoonstelling niet ondersteunen, zagen ze de tak af waarop ze zitten, boren ze hun kansen om gelijkaardige tentoonstellingen op te zetten en daar subsidies voor te krijgen de grond in. Wat ik me nog niet gerealiseerd had, is dat er een voortdurende strijd aan de gang is, tussen een conservatieve fractie, een conservatief publiek, dat in de eerste plaats ontspanning wil, onmiddellijk succes, spektakel, geld, sport, enz., en mensen die het niveau van de grootste gemene deler willen verhogen, die willen experimenteren, die weigeren om het publiek keurige, geruststellende tentoonstellingen voor te schotelen, tentoonstellingen die de schijn ophouden dat op onze wereld alles in orde is, terwijl dat niet zo is.

Ik hou mezelf voortdurend de vraag voor die Hermann Pitz me heeft gesteld: wat ben je van plan te doen met de informatie die je door “Sonsbeek 93” hebt verzameld? Als je iets doet, als je iets creëert, dan leer je daar iets uit, en dan komt het er op aan hoe je die ervaring ten volle kunt benutten. Dat wil zeggen: de mate waarin je ze kunt benutten. Die ervaring ligt daar als onbewerkt materiaal, klaar om op de een of andere manier hergebruikt te worden. Het komt er alleen op aan hoe en op welke manier je ze gebruikt. Veel mensen zullen iets aan deze ervaring hebben. Ze zullen ze gebruiken. Dat moet ik ook leren: de ervaringen gebruiken, het proces voortzetten. Ervoor zorgen dat het de moeite waard wordt.

 

Vertaling: Eddy Bettens

 

“Sonsbeek 93” vond van 5 juni tot 26 september plaats in Arnhem.