Rixt Woudstra

DE WITTE RAAF

Editie 175 mei-juni 2015

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

African Modernism. The Architecture of Independence

Rem Koolhaas omschreef Lagos in het welbekende Fragments of a Lecture on Lagos (2002) als een ‘gigantische vuilnisbelt’, een stad gekenmerkt door ‘apocalyptisch geweld’. Hoewel Koolhaas tevens gefascineerd was door wat hij omschreef als een ‘self-organizing network city’, is zijn blik tekenend voor hetgeen over Afrikaanse architectuur en stedenbouw wordt geschreven. We lezen over snelgroeiende sloppenwijken, de ‘informele’ architectuur en achterliggende systemen, een enkele keer over een school, of ontwerpen voor een vluchtelingenkamp. Afrika wordt gezien als een continent zonder geschiedenis, als de ‘ander’, in alles tegengesteld aan westerse steden. Manuel Herz, een architect verbonden aan de Eidgenössische Technische Hochschule (ETH) in Zürich, presenteert in het prachtig vormgegeven African Modernism: The Architecture of Independence echter een heel ander Afrika dan Koolhaas’ explosieve metropool. Met zijn team van de ETH deed Herz jarenlang onderzoek naar de vergeten moderne architectuur in Ghana, Senegal, Ivoorkust, Kenia en Zambia uit de jaren vijftig en zestig. Dat resulteerde in een publicatie, maar ook in een tentoonstelling die nog tot 31 mei loopt in het Vitra Design Museum in Weil am Rhein. Terwijl het gedachtegoed van Le Corbusier, Mies van der Rohe en anderen in Europa en Amerika de vorm aannam van ‘corporate architecture’ – doorgaans fantasieloze kantoorgebouwen – leidde dit in Afrika tot futuristische architectuur, met sculpturale vormen en façades gedecoreerd met gekleurde mozaïeken.

Alleen al de foto’s van Iwan Baan en Alexia Webster maken dit boek het aanschaffen waard. De foto’s van meer dan tachtig gebouwen zijn bijzonder omdat ze een fundamenteel onderdeel van architectuur laten zien; ze portretteren niet het gebouw als een geïsoleerd ontwerp, maar tonen de relatie tussen mens en gebouw. Tevens laten ze de deplorabele staat zien waarin deze bouwwerken nu verkeren. De situatie is urgent; veel van de gebouwen worden met afbraak bedreigd, het UFO-vormige Chai House van Hughes & Polkinghorne’s Architects is afgelopen zomer vernietigd.

Tussen 1957 en 1966 werden 32 Afrikaanse landen onafhankelijk. Herz schrijft in zijn inleiding dat de modernistische architectuur functioneerde als een symbool voor de nieuwe natie; de architectuur weerspiegelde het dekolonisatieproces. Vele gebouwen in African Modernism zijn direct te relateren aan de staat: het zijn overheidsgebouwen, zoals het parlementsgebouw van Dakar (1952-56), officiële opdrachten als de Independence Arch in Accra (1961), en musea, zoals het Nationale Museum van Accra (1966-67). Uit de vele universiteiten, bibliotheken, ziekenhuizen en congrescentra die ontworpen werden, valt een optimisme af te lezen. Ze representeren een geloof in modernisering en vooruitgang. Tegelijkertijd werden vele hotels en andere infrastructuur voor toerisme opgetrokken. Herz beschrijft in een van de zes essays het fascinerende project voor Hôtel Ivoire, een luxehotel in Abidjan, centraal gelegen in wat de ‘Afrikaanse Rivièra’ had moeten worden. Modernisme als stijl zou Ivoorkust dichter bij een ‘westers niveau’ brengen. Toch is deze correlatie van vorm en inhoud enigszins problematisch; op welke manier is de vorm precies een directe representatie van de natiestaat? Kan een betonnen koepel van het Nationale Museum in Accra een symbool van de ‘principes van de nieuwe natie’ zijn? Daarbij is het belangrijk om te bedenken dat deze gebouwen ook onlosmakelijk verbonden zijn met de corruptie die plaatsvond onder de nieuwe staatshoofden, de ‘Big Men’, én onder het oude koloniale regime.

Vaak bouwden dezelfde architecten voor het koloniale en het postkoloniale bewind – iets dat kort wordt aangestipt in de inleiding. De Britse architecten Maxwell Fry & Jane Drew werkten voor het Britse regime in Afrika en waren na de onafhankelijkheid van Ghana in 1957 verantwoordelijk voor vele universiteiten, zoals Ibadan College, en onder meer ook het museum in Accra. Europese architecten waren de ‘experts’, er was op dat moment geen architectenopleiding in Afrika. De Architectural Association (AA) in Londen had in die jaren echter een speciaal departement ‘Tropical Architecture’ om architecten op te leiden om in Afrika te werken, en op termijn ook architecten uit Afrika te scholen. Het essay van Hannah Le Roux reflecteert op de carrière van een van deze architecten, Oluwole Olumuyiwa, opgeleid in Engeland en getraind in Europese bureaus zoals Van den Broek en Bakema in Rotterdam. Ook schrijft Le Roux over het Kumasi College of Architecture and Planning in Ghana, een opleiding verbonden aan de AA, opgezet in de jaren zestig. Door al deze relaties is het wellicht lastig om te stellen, zoals een enkele keer wordt gedaan in het boek, dat een architect een zogenaamde ‘Ghanese stijl’ heeft – als men überhaupt al van een specifieke nationale stijl kan spreken – of dat de architectuur na de onafhankelijkheid heel anders was dan het ‘Tropical Modernism’ van Drew, Fry en anderen.

African Modernism maakt tevens duidelijk dat onafhankelijkheid niet betekende dat westerse naties zich niet meer bemoeiden met het continent. Behalve dezelfde Britse en Franse architecten, waren er ook nieuwkomers aan het front. Zvi Efrats artikel laat zien dat er talloze Israëlische architecten en stedenbouwkundigen voor de nieuwe onafhankelijke Afrikaanse naties werkten. Architectuur was een exportproduct. Bauhausarchitect Arieh Sharon ging aan de slag in Nigeria, en Zalman Einav – afgestudeerd in 'Tropical Architecture' op de AA – ontwierp enkele gebouwen in Ethiopië, zoals het Ministerie van Buitenlandse Zaken (1965), het paleis van Haile Selassie, en militaire infrastructuur in Oeganda en Ethiopië. Ook het Hôtel Ivoire en het Rivièra-project was in Israëlische handen. Andere architecten kwamen uit Oost-Europa en Scandinavië – de Noorse architect Karl Henrik Nøstvik ontwierp bijvoorbeeld het Kenyatta International Conference Center in Nairobi (1967—1973). Maar, benadrukt Herz, waar architecten ook vandaan kwamen, er was altijd een politieke dimensie – architectuur was onlosmakelijk verbonden met diplomatieke strategieën.

Ondanks enkele momenten waarop African Modernism enigszins simplistisch overkomt, is het boek niet alleen een belangrijke aanvulling op onze kennis van architectuur in de jaren vijftig en zestig, maar herschrijft het ook deels de geschiedenis. In plaats van Afrika als een apart (of onbelangrijk) hoofdstuk te beschouwen, roepen Herz, La Roux en anderen het beeld op van een constante uitwisseling van ideeën over architectuur, van netwerken en relaties tussen Accra en London, Abidjan en Tel Aviv, Oslo en Nairobi.

 

African Modernism. The Architecture of Independence. Ghana, Senegal, Côte d’Ivoire, Kenya, Zambia (red. Manuel Herz i.s.m. Ingrid Schröder, Hans Focketyn, & Julia Jamrozik; foto's Iwan Baan & Alexia Webster) verscheen bij Park Books, Niederdorfstrasse 54, 8001 Zürich (044/262.16.62; park-books.com).