Esther Severi

DE WITTE RAAF

Editie 176 juli-augustus 2015

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Lili Dujourie – Plooien in de tijd

Mu.ZEE (Oostende) en S.M.A.K. (Gent) wijden samen een tentoonstelling aan het oeuvre van de Belgische kunstenares Lili Dujourie. In beide musea is een selectie uit haar werk te zien van einde jaren zestig tot vandaag. Eén belangrijk werk – Maagdendale (1982), haar eerste werk in fluweel — wordt bovendien geëxposeerd in het Gentse Museum voor Schone Kunsten, in de nabijheid van het restauratieatelier van het Lam Gods.

Bij een oppervlakkige blik op de tentoonstellingen, waarin werk in uiteenlopende materialen, vormen en media verzameld wordt, maakt Dujouries oeuvre een heterogene indruk. In de jaren zestig en zeventig realiseerde de kunstenares constructies met stalen platen en stangen – werken die verwijzen naar het Amerikaanse minimalisme van die tijd. In de jaren zeventig werkte ze daarnaast met video en maakte ze delicate werken met snippers papier. In de jaren tachtig en negentig ontstonden grotere sculpturen met zware stoffen, die ze vanaf midden jaren tachtig combineerde met architecturale elementen. Na de eeuwwisseling gebruikt ze weer papier en papier-maché – zij het in driedimensionale sculpturen – naast materialen als klei en ijzerdraad. In beide tentoonstellingen is echter niet gekozen voor een chronologische opbouw, maar worden werken uit verschillende periodes met elkaar geconfronteerd. Zo krijgt de verscheidenheid van het oeuvre de nadruk, en wordt duidelijk dat Dujouries werk bij nader inzien allerminst heterogeen is: door de wisselwerking tussen formeel verschillende werken worden de inhoudelijke relaties tussen de verschillende werkformaties of deeloeuvres juist blootgelegd.

Misschien is het meest gekende 'motief' in het werk van Dujourie de plooienval. De tentoonstelling heet dan ook Plooien in de tijd – een verwijzing naar zowel de vorm en het materiaal als, meer abstract, naar de ‘tussenruimte’ die in haar oeuvre wordt afgetast. Die tussenruimte ontstaat door dualiteit als principe te hanteren, in ieder werk afzonderlijk, maar ook in de onderlinge confrontatie van de werken in deze tentoonstelling. Het kan gaan over de dualiteit tussen beeld en ruimte (2D versus 3D), tussen harde en zachte materialen (marmer versus fluweel) en tussen media (schilderkunst versus sculptuur in Amerikaans Imperialisme / fotografische versus videowerken in de tentoonstelling), maar evengoed om choreografische en plastische tegenstellingen (beweging versus stilstand / vloeibaar versus vast / hol versus bol).

In de werken waarin een lichaam of een persoon optreedt, speelt Dujourie vaak zelf het model. Voorbeelden zijn de video’s Sonnet (1974) en Passion de l’été pour l’hiver (1980), die telkens een vrouw tonen in een woonkamer, voor een indrukwekkende vensterpartij. Ze doolt rond, kijkt naar buiten… Ze wacht, verveelt zich of denkt na. Sterk zonlicht dat binnenvalt, verre bewegingen van de zee of een slapende hond in de kamer versterken een gevoel van leegte rond de vrouw. Het lijkt alsof ze vastzit in de ruimte, en in de tijd die tergend traag voorbijgaat. Haar aanwezigheid, en daarmee ook haar bestaan, lijkt futiel, losgeknipt van iedere realiteit buiten die ruimte.

Opmerkelijk zijn de poëtische titels van de video’s, en van verschillende andere werken van Dujourie: Effen spiegel van een stille stroom (video, 1976), De ochtend die de avond zal zijn (sculptuur, 1993), In mijn nacht nadert niemand (sculptuur, 1985). De poëtische titel beschrijft of benoemt het werk niet, maar maakt het nog raadselachtiger. Dujourie opent een veld aan mogelijke betekenissen, die als kringen in het water uitdijen rond de eigenlijke onbestemdheid en onvatbaarheid van het werk.

In Zonder titel (blauw naakt) (1980) – getoond aan de ingang van de tentoonstelling in Oostende – staat net als in veel video's een vrouwelijk naakt centraal (dit keer niet gespeeld door de kunstenares zelf). Het werk bestaat uit twee muurgrote diaprojecties opgesteld tegenover elkaar. Voor een blauw doek in plooienval staat de vrouw, in het ene beeld zijlings en met gebogen hoofd. Het naakte lichaam wordt te kijk gezet, maar doordat het model haar gezicht niet toont, lijkt ze mijlenver, ongrijpbaar. In het tweede beeld staat ze frontaal, het gelaat afgewend, maar zichtbaar – een aanzet tot nabijheid: het lichaam wordt een persoon. In beide afbeeldingen is rechts een deel van een radiator te zien, wat naast de enscenering met doek en model wijst op de realiteit van het beeld als een moment in een bepaalde (werk)ruimte. De klassieke opstelling als ‘beeld’, benadrukt door de klassieke combinatie van vrouwelijk naakt en gedrapeerde stof, wordt doorbroken door die realiteit als een hedendaagse ‘situatie’ te laten zien. Waar in de video’s subtiele bewegingen een toestand van stilstand benadrukken, wil het gefixeerde beeld zich hier los rukken uit het moment. De verschillen in beide beelden, die een verloop suggereren, de presentatie ervan als projectie, de vreemde, bewust nonchalante kadrering, het naakte lichaam, de plooienval van het doek en de levendige kleuren suggereren niets anders dan beweging.

Ook de sculpturen van Dujourie spelen met beweging en stilstand, zoals de kleine, gedrapeerde doeken die ze tentoonstelt in zwarte 'kijkdozen' en tegen verticale zwarte platen op fijne poten. Enkel van dichtbij wordt duidelijk dat de doeken gemaakt zijn uit gips. Het doek is als een beweeglijk object gevangen en gefixeerd in de tijd – bijna zoals een fossiel. De sculptuur wordt een archeologisch object, dat terugwijst naar de menselijke cultuur – de plooienval als symbool van verfijning, of negatief, van extreme gemaaktheid.

Die gemaaktheid komt nog sterker aan bod in de grote sculpturen met gedrapeerde, fluwelen stoffen. Ook hier gaat het om een bevroren moment, vastgelegd als op een foto – de wetten van de zwaartekracht hebben geen effect op de gedrapeerde stof. Deze assemblages creëren een eigen verhaal. Het textiel is niet functioneel – het is een object op zichzelf. Toch komt het doek niet los van functionele connotaties: als we het oplichten of openschuiven, wat geeft het dan prijs? Niets natuurlijk – het zware fluweel verbergt dat er niets te verbergen is. Het is, in extreme mate, ‘gemaakt’. Het 'grote niets' krijgt bij Dujourie, toepasselijk, een bombastisch ‘iets’ omgehangen.

Wat een vreemde ontdekking om in Mu.ZEE, centraal in de tentoonstelling, op Apollo en de Phython te stoten, een schilderij van Jan Boeckhorst uit de 17e eeuw. Natuurlijk springt de hevig rode, wervelende cape van Apollo in het oog, in contrast met diens uiterst beheerste lichaam. De wilde plooienval van de cape sluit aan bij de waanzinnige kronkeling van de slang, die Apollo net overmeesterd heeft: het beheerste, menselijke lichaam overwint het wilde dier – enkel de wervelende cape wijst op de gewelddadigheid van die actie. Hier zit de relatie met het werk van Dujourie. Ze zet in op een verregaande stilering: een overwicht op vorm, waardoor die vorm uiteindelijk bevriest of versteent. Het natuurlijke, de mens, komt daarin onwrikbaar vast te zitten. Lichamen en personages bij Dujourie lijken dan ook steeds doelloos, lusteloos, ontdaan van enige persoonlijkheid, rond te hangen. Zo doorprikt Dujourie een heersende illusie: die van de zogenaamde levendigheid van ‘onze tijd’ of de moderne tijd – beweging is bij Dujourie slechts een objet trouvé, tentoongesteld in een ijzig koude wereld.

 

• Lili Dujourie, Plooien in de tijd, tot 4 oktober in het S.M.A.K., Jan Hoetplein 1, 9000 Gent (09/240.76.01; www.smak.be), en in Mu.ZEE, Romestraat 11, 8400 Oostende (059/50.81.18; www.muzee.be).