Steven Humblet

DE WITTE RAAF

Editie 176 juli-augustus 2015

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Images à charge

Wat maakt het fotografisch, en bij uitbreiding mechanisch geproduceerde beeld tot een document met bewijskracht? De huidige tentoonstelling in het Parijse Le Bal probeert aan de hand van acht casestudies inzicht te geven in de processen die aan de constructie van zo’n document ten grondslag liggen. De wetenschappelijke fotografie laat ze grotendeels links liggen, ze concentreert zich vooral op het juridische, militaire en forensische gebruik van mechanische beelden: het foto-, film- of videobeeld beslecht hier een geschil, legt een verborgen werkelijkheid bloot of demonstreert militair succes.

Een eerste observatie: het is alvast niet het puur mechanische karakter van de opname dat het beeld tot een overtuigend document maakt. Want ook al verloopt het opnameproces volledig automatisch en zonder tussenkomst van de menselijke hand, en ook al registreert de camera alles wat binnen haar optisch bereik valt, het mechanisch geproduceerde beeld behoeft (of behoefde tot voor kort althans) uiteindelijk nog steeds een bedienaar. En die operator staat uiteraard ergens, neemt (letterlijk en figuurlijk) een standpunt in, kiest wanneer hij afdrukt of filmt. Wil het mechanische beeld geldigheid verwerven in een juridisch dispuut, dan moet het menselijk perspectief van de bedienaar, met al wat dat aan subjectieve keuzes impliceert, uitgeschakeld worden. De eerste casus, een voorstelling van de crime scene photography ontwikkeld door Alphonse Bertillon (1853-1914), maakt al meteen duidelijk hoe dat gebeurt. Het door de Franse antropoloog ontwikkelde protocol dwingt de maker van het beeld tot het innemen van een ‘onmenselijk’ standpunt: uitgerust met een statief op hoge poten (wel twee meter lang) laat hij de loodrecht naar beneden gerichte camera boven het lichaam zweven en een beeld maken. Het protocol leidt hier tot een beeld zonder verbeelding, zonder sentimentaliteit, maar ook zonder enige morele kwaliteit. De fotografische blik kijkt onbeschroomd neer op een lijk, schort elk oordeel op ten voordele van een zo accuraat mogelijke beschrijving, en wordt even kil en genadeloos als de machine die het beeld maakt.

In het algemeen gaat het protocol niet alleen vooraf aan het beeld, het begeleidt dat ook bij de distributie en receptie. Vandaar dat het document altijd omgeven wordt door een of andere vorm van tekst. Die tekstuele omkadering kan in het ene geval heel summier zijn, zoals bij de militaire luchtfoto’s gemaakt tijdens de Eerste Wereldoorlog die volgens een simpel ‘before’- en ‘after’-schema werden geschikt, maar in andere gevallen heel uitvoerig, zoals in de grondige analyse van een video-opname van een droneaanval in Pakistan. Een tweede observatie: de bewijskracht van het mechanische beeld ligt niet zozeer in wat het toont, maar evenzeer in het discours dat het omgeeft. Dat legt niet alleen uit dat het gebruikte beeld volgens de geijkte regels is gemaakt, maar geeft ook aan wat er precies te zien is. Het beeld kadert, de tekst duidt. Zoals de luchtopnames van de Eerste Wereldoorlog duidelijk maken, dienen documenten vooral ter verificatie: ziehier het bewijs dat het juiste doelwit gekozen en op gepaste wijze vernietigd werd. Buiten deze context verliezen ze hun betekenis en worden ze letterlijk onleesbaar.

Twee andere casestudies, de ene over de amateurvideo van een droneaanval in Pakistan en de andere over een zestig jaar oude luchtfoto van de Negevwoestijn, reveleren samen nog een ander, en problematisch, aspect van de mechanische opname. Derde observatie: soms zijn de verwachtingen ten aanzien van het mechanische beeld te hoog gespannen. Zo schiet de luchtfoto van de Negevwoestijn, een beeld dat een belangrijke rol speelde in een juridisch geschil tussen Israëlische kolonisten en plaatselijke bedoeïenen, tekort: hoe gedetailleerd het beeld ook lijkt, het kan niet alles vatten. Het conflict draait om de ouderdom van een begraafplaats die toebehoorde aan de bedoeïenenfamilie al-Turi. Als deze kon bewijzen dat de grafstenen (die zelf namen noch data bevatten) daar al generaties lang aanwezig waren, dan konden de kolonisten geen recht op hun grond laten gelden. Een luchtfoto uit 1945 moest soelaas brengen. Op deze foto blijken de grafstenen echter niet zichtbaar omdat ze door hun geringe omvang in de korrel van de emulsie zijn opgelost, een onzichtbaarheid die in de rechtszaak als doorslaggevend argument werd gebruikt om de bezetting van dit stukje woestijn door de kolonisten alsnog te legitimeren. Het beeld wordt hier nogal naïef (of eerder moedwillig) als een transparante en dus onproblematische weergave van de werkelijkheid gezien. Precies door niet te kijken naar het ‘systeem’ dat het beeld produceerde – door geen rekening te houden met de chemische samenstelling van de lichtgevoelige laag, de afstand tot het onderwerp en de atmosferische omstandigheden tijdens de opname – ‘mislukt’ de lectuur. Het ‘gebrek’ dat de analyse van de amateurvideo over een droneaanslag tekent, is van een andere orde. Ook al kan de video ons meer informatie verschaffen over de precieze plaats van de aanval en het gebruikte oorlogsmateriaal, van de politieke, strategische beslissingen die aan de raketaanval voorafgingen, reveleert hij niets. Hier registreert de opname wel de effecten van de aanval, maar openbaart ze niets over de achterliggende militaire en politieke logica die de drone aanstuurde. Wat de registratie niet kan aantonen – waarom werd precies dit gebouw gebombardeerd, hoeveel mensen (en wie) zijn er omgekomen, zijn er eventueel burgerslachtoffers gevallen… – is nochtans wezenlijk om de politieke betekenis van dit evenement te doorgronden. Het document bewijst hier enkel dat er ‘iets’ gebeurd is, maar het blijft blind voor wát er precies plaatsvond.

 

Images à charge. La construction de la preuve par l'image, tot 30 augustus in Le Bal, 6 Impasse de la Défense, 75018 Parijs (01/44.70.75.50; le-bal.fr).