Edo Dijksterhuis

DE WITTE RAAF

Editie 176 juli-augustus 2015

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Renzo Martens and the Institute for Human Activities: A New Settlement

Weinig kunstwerken hebben de afgelopen jaren het publieke debat zo weten op te stoken als Episode III: Enjoy Poverty (2008) van Renzo Martens. De film werd vertoond op uiteenlopende podia, van het documentairewalhalla IDFA tot het Centre Pompidou, wat de impact nog vergrootte.

Episode III vormt de weerslag van twee jaar reizen door de Democratische Republiek Congo. In dit Centraal-Afrikaanse land ligt het gemiddelde jaarinkomen rond de 300 dollar per hoofd van de bevolking. Volgens Martens zijn de Congolezen niet alleen het slachtoffer van mijnbouwmaatschappijen en houtkapbedrijven die hun arbeiders uitbuiten, maar ook van de hulpverleningsindustrie. Die pompen namelijk jaarlijks 1,8 miljard euro het land in, maar zonder wezenlijke lotsverbetering van de bevolking. Ondertussen documenteren ze hun goede daden uitbundig en overspoelen ze de thuismarkt met 'armoedeporno' uit het oerwoud. In zijn film roept Martens de Congolezen op hun ellende te omarmen als een unique selling point en te vermarkten in de vorm van nieuws. Hij schoolt huwelijksfotografen om tot oorlogscorrespondent en spoort ze aan beelden van ondervoede kinderen en oorlogsslachtoffers te slijten aan Reuters en AP. De kunstenaar treedt afwisselend op als idealistische missionaris en onbetrouwbare opportunist, die zijn pupillen keihard laat vallen als het plan mislukt.

Martens is exploitatie verweten en cynisme, vooral ook omdat hij zelf flink verdiend heeft aan de film en er diverse kunstprijzen aan overhield. Maar bewonderaars heeft hij ook. In zijn boek Het Streven rekent criticus en tentoonstellingsmaker Hans den Hartog Jager Martens onder de selecte groep hedendaagse kunstenaars die werkelijk geëngageerd zijn. Yale University kende de kunstenaar een fellowship toe en nodigde hem uit voor het prestigieuze Signature Leadership Program.

Zijn tijd aan Yale heeft Martens gebruikt om zijn in 2012 opgerichte Institute for Human Activities (IHA) verder uit te bouwen. Een film maken was niet meer voldoende voor de kunstenaar, er moest werkelijk actie ondernomen worden. Op 800 kilometer van de hoofdstad Kinshasa, in het geïsoleerde Oost-Congo waar op hol geslagen milities en gewetenloze grondstoffendelvers de scepter zwaaien, stichtte hij een kunstencentrum. Dit moet de aanzet zijn voor een proces van gentrification, het opwaarderen van de omgeving en het verbeteren van de levenskwaliteit. Keynotespreker bij de opening was Richard Florida, de Amerikaanse socioloog die begin deze eeuw furore maakte met zijn The Rise of the Creative Class.

In Galerie Fons Welters werden de eerste resultaten getoond van de activiteiten die in Congo zijn ontplooid. Na workshops in het kader van een zogenaamd Kritisch Curriculum, waarin plantagearbeiders hun dromen en angsten onder woorden leren brengen, is de lokale bevolking aan de slag gegaan met klei en spatel. De zelfportretten die ze boetseerden, zijn ter plekke ingescand. In Europa zijn er vervolgens mallen van gemaakt en afgegoten in cacao. Het materiaal is natuurlijk een directe verwijzing naar de plantage waar de nieuwbakken kunstenaars normaliter werken, maar het is ook een mooie knipoog naar de grondstoffen die Joseph Beuys en Dieter Roth voor hun kunst gebruikten. Dat de sculpturen nu te zien waren in Amsterdam, ’s werelds grootste cacaohaven, voegde nog een extra betekenislaag toe.

Het zijn behoorlijk grote werken die bij Welters getoond werden: een onthoofde vrouw, een man zittend op een blok met een slang eromheen, een staande figuur met een geitenkop, een grotesk groepje rondom een boek. De krachtige beelden, rauw en soms een tikje karikaturaal, laten zich niet zo makkelijk als professionele kunst inschatten. Ze zijn duidelijk van een andere orde dan de souvenirrommel die voor de toeristenindustrie wordt geproduceerd. Het zijn geen generieke kopietjes van vruchtbaarheidsbeeldjes of kunstmatig verouderde schilden en speren. Het zijn individuele uitingen, zelfportretten bovendien. Maar ook als outsider art ademen ze een moeilijk vast te pinnen exotisme. Ze zijn per slot van rekening gemaakt op initiatief van een westerling en expliciet bedoeld voor de westerse markt.

Kunst is in het Institute for Human Activities geen doel op zich, maar een breekijzer, en daar windt Martens geen doekjes om. De mededeling ‘Made possible by Barry Callebaut’, een verwijzing naar de Frans-Belgische chocoladeproducent die de tentoonstelling sponsort, onderstreepte nog eens de economische bedoelingen van het project. Door middel van foto’s krijgen de makers een gezicht, maar de persoonlijke verhalen die ze in hun creaties stopten, worden niet verteld en daardoor zijn de beelden toch meer product dan kunstwerk. In een video was te zien hoe Martens na een eerste tentoonstelling in Brussel rapport komt uitbrengen bij de Congolezen en een check ter waarde van tweeduizend euro opbrengst overhandigt, die gevierd wordt met champagne.

A New Settlement zette aan tot denken over scheve machtsverhoudingen in de wereldeconomie en de rol die kunst zou kunnen spelen bij het beïnvloeden ervan. In dat opzicht vormde de tentoonstelling een consequente voortzetting van Martens eerdere werk. Toch miste ze de subversieve, schurende ondertoon van Episode III. Het werk was rechtlijniger en minder ongemakkelijk. Tenzij natuurlijk de kopers van de 39,95 euro kostende multipel in de war raken over hun motivatie: sympathie, schuldgevoel of esthetisch genot.

 

• Renzo Martens and the Institute for Human Activities: A New Settlement, 2 mei – 6 juni 2015, Galerie Fons Welters, Bloemstraat 140, 1016 LJ Amsterdam (020/423.30.46; fonswelters.nl).