Dominic van den Boogerd

DE WITTE RAAF

Editie 176 juli-augustus 2015

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Les clefs d’une passion

Een tentoonstelling van uitsluitend topstukken – die luxe bestaat. In het fonkelnieuwe, spectaculaire museum van de Fondation Louis Vuitton in het Bois de Boulogne, ontworpen door Frank Gehry, zijn zo’n zestig schilderijen en sculpturen van 22 kunstenaars uit de eerste helft van de twintigste eeuw bijeengebracht onder de titel Les clefs d’une passion. Het is een adembenemende expositie in een extravagant gebouw.

De werken zijn gegroepeerd rond vier thema’s in zes zalen. In de eerste zaal, gewijd aan ‘subjectief expressionisme’, is De Schreeuw (1893) van Munch de blikvanger. Het bekendste schilderij ter wereld, in 2004 gestolen en twee jaar spoorloos, wordt beschermd door kogelvrij glas en een permanente bewaker. Dat is afleidend, maar het doet aan de hypnotiserende kracht van het werk niets af. De figuur op de voorgrond, bevangen door ontzetting, met ogen zonder pupillen en de mond wijd opengesperd, resoneert in de golvende lijnen van hemel en aarde, als de rollende echo van een door merg en been gaande oerschreeuw. Het werk bevindt zich in gezelschap van Francis Bacons Study for Portrait (1949), waarin de krijs uitdrukking is van woede, misschien van het kwaad zelf, en van Alberto Giacometti’s Portret van Jean Genet (1954-1955). De schrijver, een onbeholpen, massieve gestalte met nerveus wringende handen, heeft een smal hoofd dat zo gespannen lijkt dat het elk moment kan exploderen. Het werk van Kazimir Malevich valt hier enigszins uit de toon, door zijn heldere kleuren en geometrische vormen, maar getuigt van een vergelijkbare existentiële somberheid. Malevich schilderde Complex voorgevoel (1928) nadat staatsterreur en hongersnood de Sovjet-Unie in duisternis hadden gehuld. De kunstenaar kon zich de toekomstige mens niet anders voorstellen dan als een gezichtsloze personificatie van een ongewis en tragisch lot. Veel minder bekend – maar verrassend sterk – zijn de zelfportretten van de Finse Helene Schjerfbeck, de vroegste uit 1915, de laatste uit 1944. De rij kleine doeken toont hoe de ogen steeds dieper in hun kassen zinken en de mond met de jaren verandert in een donker gat: het leven als een onomkeerbaar proces van ruïnering.

Na dit sinistere ensemble volgt in zaal 2 en 3 de ‘contemplatie’, zoals de bezoekersgids meldt, eerst in weergaven van de natuur, vervolgens in radicale abstractie. Opnieuw rijgen de meesterwerken zich aaneen. De waterlelies die Claude Monet schilderde op 75-jarige leeftijd zijn nog altijd een lust voor het oog. Van Piet Mondriaan zijn duinlandschappen te zien die hij in 1909 schilderde in Domburg. De spaarzame, lumineuze doekjes worden hier geflankeerd door vurige landschappen van Emil Nolde. Tegenover de serene Alpentoppen van Ferdinand Hodler hangen vier bosgezichten van Akseli Gallen-Kallela, een Finse schilder van wouden en meren die pas onlangs tot het pantheon van de moderne kunst is doorgedrongen. Zijn schilderijen uit 1904-1905 evoceren een majestueuze stilte.

In de belendende zaal vormen Malevich’ Zwart VierkantZwarte Cirkel en Zwart Kruis (1923) een overdonderende iconoclastische oekaze. Zij hebben gezelschap van vier Mondriaans, waaronder de even summiere als sublieme Ruitcompositie met twee lijnen (1931) en Ruitcompositie met gele lijnen (1933), opgehangen met de onderste punt op ooghoogte. De combinatie met Brancusi’sEindeloze kolom, versie 1 (1918) valt te begrijpen, vanwege de expansieve ruimtelijke werking, maar de introverte Rothko, hoe fraai op zichzelf ook, is in dit gezelschap wat misplaatst.

Zaal 4 heet eveneens een ode aan de contemplatie, maar is eerder een lofzang op de lust. Zinnelijk zijn de vier schilderijen die Picasso begin jaren dertig maakte van Marie-Thérèse Walther, het 17-jarige meisje dat de kunstenaar ontmoette in het warenhuis Lafayette en dat zijn geheime minnares werd. De bevalligheid van de maîtresse zou ten grondslag hebben gelegen aan Picasso’s opgeleefde interesse voor plasticiteit en volume, voor krullen en rondingen, niet alleen in zijn schilderijen, maar ook in zijn sculpturen, waarvan een grote gipsen vrouwenkop met uitpuilende ogen en een neus als een fallus het verbazende bewijs is. Het zinderende zomertafereel van Pierre Bonnard sluit naadloos op Picasso’s eroticisme aan.

In zaal 5 klopt de polsslag van de moderne metropool. De populaire beeldcultuur dringt zich naar voren: de pin-ups die Francis Picabia in de jaren veertig als model voor zijn schilderijen nam, de affiches en sportfoto’s die Robert Delaunay inspireerden, het circus dat zijn weerslag kreeg op de doeken van Ferdinand Léger.

In het slotakkoord in de laatste zaal is een kwartet van muzikale composities van Wassily Kandinsky gecombineerd met twee sonore fuga’s van František Kupka en een wervelende dans van Gino Severini. Een vroeg en een laat topwerk van Matisse markeren de hoogtijdagen der modernen: De Dans (1910) en The Sorrows of the King (1952), een knipselwerk waarover de maestro zei dat het meer voldragen is dan welk van zijn andere werken ook.

Vrijwel zonder uitzondering zijn dit kunstwerken die het speelveld van de kunst radicaal hebben veranderd. Verademend is dat zij niet worden gepresenteerd als illustraties van kunsthistorische stromingen of sociaal-politieke gebeurtenissen, maar als iconen van creatieve scheppingskracht. Hoewel overbekend uit de handboeken, is het toch alsof je ze voor de eerste keer ziet, in ieder geval in dit verband. Het is de verdienste van curator Suzanne Pagé dat zij het bekende weet te introduceren als een verrassing.

Hoe kan een particulier museum dat pas vorig jaar oktober zijn deuren opende zulke uitzonderlijke, kostbare bruiklenen krijgen van het MoMA, de Hermitage, de Tate? Het zal ermee te maken hebben dat Bernard Arnaults LMVH, het conglomeraat waartoe behalve Vuitton ook Moët & Chandon, Dior, Givenchy en andere fabrikanten van luxemerken behoren, de grote musea al jarenlang ruimhartig ondersteunt. Nu LMVH zijn eigen museum heeft, is het pay back time. Wanteen etalage voor de eigen collectie hedendaagse kunst voldoet niet; de bedrijfsverzameling dient te worden ingebed in het heroïsche avontuur van de moderne kunst. Het veredelingseffect is overigens gering. De werken van Schütte, Tillmans en andere collector’s darlings elders in het gebouw profiteren nauwelijks van het aura der klassiek modernen. Om de samenhang tussen hedendaagse en klassiek moderne kunst aan te tonen zijn algemene thema’s als ‘subjectieve expressie’ simpelweg ontoereikend. Maar Les clefs d’une passion illustreert wel de groeiende machtspositie van de luxemerken in kunstenland, van het dertig jaar oude Fondation Cartier in Parijs tot het zojuist geopende Fondazione Prada in Milaan. Geen grotere luxe dan grootse kunst.

 

• Les Clefs d’une Passion, 1 april – 6 juli 2015, Fondation Louis Vuitton, 8 Avenue de Mahatma Ghandi, Bois de Boulogne, 75116 Parijs (01/4069.9600; www.fondationlouisvuitton.fr).