Paoletta Holst

DE WITTE RAAF

Editie 176 juli-augustus 2015

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

De ruimtelijke metamorfose van Nederland, 1988 – 2015

In de jaren 2004-2008 reisde ik vaak via het NS-traject op en neer tussen Breda en Eindhoven. Met ontzetting volgde ik vanuit de trein hoe de weilanden, aan de westkant van Tilburg, in rap tempo werden volgebouwd. Tilburg Reeshof was een van de VINEX-locaties waarmee Nederland vanaf de jaren negentig de suburbanisatie en verstedelijking gericht vorm wilde geven. Reeshof telt inmiddels zo’n 45.000 inwoners. Middelhoge appartementencomplexen onderbreken hier en daar de ruim opgezette woonblokken met rijhuizen in een architectuurstijl die sterk refereert aan de karakteristieke vooroorlogse tuin- en stadswijken van Willem Dudok en J.J.P. Oud. De woonblokken staan in een verzorgde openbare ruimte en worden van elkaar gescheiden door waterpartijen en groenzones. Reeshof weerspiegelt het ideaalbeeld van suburbaan wonen in een ruime en esthetisch aantrekkelijke eengezinswoning en volgt daarin de richtlijnen van het beleid omtrent de ruimtelijke ordening zoals dit vijfentwintig jaar geleden in de Vierde Nota werd omschreven.

Het boek De ruimtelijke metamorfose van Nederland, 1988 – 2015 bespreekt, analyseert en evalueert de belangrijkste kenmerken van het ruimtelijk beleid en de ruimtelijke ontwikkelingen in de periode die door de Vierde Nota werd afgebakend. Het boek, geredigeerd door Ries van der Wouden (Planbureau voor de Leefomgeving), volgt thematisch de lijnen van de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingscategorieën: vernieuwing in de steden, de suburbane VINEX-wijken aan de randen van het stedelijk gebied, de infrastructurele mainports Schiphol Luchthaven en de Haven van Rotterdam, de ontwikkelingen in het landelijk gebied en de veranderingen in de publieke en private instituties die de ruimtelijke ‘metamorfose’ hebben geproduceerd. Ieder hoofdstuk werd door een andere poule van auteurs geschreven waardoor er verschillende kritische nuances doorklinken. Die worden nog versterkt door een vijftal korte interviews met verschillende beleidsmakers en praktijkbeoefenaars, geplaatst tussen de hoofdstukken. Het boek eindigt met een beschouwing waarin de lijnen van het verleden worden doorgetrokken naar de agenda van de toekomst.

Veel aandacht gaat uit naar de vraag wat de invloed is geweest van de Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening (1988) en de Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening Extra (1990), kortweg VINEX genoemd, op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland. In hoeverre vormde deze nota een breuk met het verleden? Al in de jaren zestig trachtten planologen de suburbane trek en nieuwe woningbouw op bepaalde plekken te bundelen. De Tweede Nota over de Ruimtelijke Ordening werd ontworpen naar het voorbeeld van de Engelse garden cities en schreef groeikernen voor op ruime afstand van bestaande centrumsteden. Purmerend, Zoetermeer, Almere en Spijkenisse zijn daar voorbeelden van. In die tijd werden er voornamelijk sociale huurwoningen gebouwd. Door de uittocht van vooral de middenklasse naar de groeikernen, dreigden de oude steden te verpauperen. De grote steden zetten in de jaren tachtig een tegenoffensief in om hun bewoners, en vooral de middenklasse, te behouden. Zij hielden een pleidooi voor de compacte stad. De Rijksoverheid nam dit idee over in de Vierde Nota Extra. Het planconcept van de groeikernen maakte plaats voor de zogenaamde VINEX-nieuwbouwlocaties in en aan de rand van steden met, als compensatie voor het compactestadsbeleid, begrensde bufferzones voor natuur en recreatie.

Het idee van de compacte stad sloeg aan bij de Rijksoverheid omdat duidelijk werd dat de concurrentie tussen steden toenam door het drastisch veranderende economische speelveld. De industriële werkgelegenheid kromp met rasse schreden en de politiek zette in op een economie van logistiek en dienstverlening. De ruimtelijke ordening moest dit nieuwe perspectief mee faciliteren. De VINEX-nota werd daarmee een ‘doe-nota’. Een aantal projecten maakte dit concreet, zoals de ‘sleutelprojecten’ in een aantal steden, de Betuwelijn, de hogesnelheidslijn en de uitbreiding van Schiphol en de Haven van Rotterdam als internationale knooppunten.

Hoewel de Vierde Nota en VINEX veel aandacht besteedden aan de internationale positie van Nederland en het versterken van de stedelijke en infrastructurele netwerken, zijn het vooral de VINEX-wijken die door hun herkenbaarheid de aandacht hebben getrokken. De uitbreidingsopgave omvatte 650.000 nieuwe woningen in de periode van 1995-2005. Dit betekende circa vijftig wijken van een uiteenlopend formaat. De meeste VINEX-wijken zijn bedoeld als stadsuitbreiding, maar een groot aantal kon niet tegen de bestaande stad worden aangebouwd, en wordt ervan gescheiden door forse infrastructurele barrières, zoals snelwegen, kanalen en spoorwegen. De auteurs vergelijken de nieuwe stedenbouwkundige patronen die hierdoor ontstaan zijn met een eilandenrijk. De zelfstandig functionerende stedelijke gebieden vormen, samen met de groene ruimte ertussen, een nieuw stedelijk netwerk in relatie tot de bestaande steden. De eilanden bestaan niet alleen uit woonwijken, maar ook uit bedrijventerreinen, kantoorparken, scholenclusters, sport- en recreatiecentra en perifere winkelgebieden. Mensen die dit netwerk dagelijks gebruiken zijn aangewezen op de auto.

In de hoofdstukken over de VINEX-wijken wordt aandacht besteed aan de kritiek die vooral vanuit de architectuurwereld weerklonk. De beperkte variatie in woningtypen is in belangrijke mate het product van de invoering van marktmechanismen in de woningbouw. De VINEX-wijken zijn grotendeels gebouwd door investeerders, woningcorporaties en projectontwikkelaars. De door projectontwikkelaars aangeboden keuzevrijheid werd gerealiseerd met de prefab-productiemethoden die waren ontwikkeld voor de hoogbouw. Gevarieerde gevels maskeren een seriematige woningbouw met zeer eenvormige woningplattegronden. De logica van de planning en het ontwerp waren niet meer het resultaat van een sociale agenda, zoals bij de sociale woningbouw in de groeikernen, maar het product van financiële rekenmodellen. Waar in de groeikernen elke buurt zijn eigen kleinschalige netwerk van publieke, commerciële en groenvoorzieningen had, laten de VINEX-wijken schaalvergroting en een ontvlechting van functies zien.

Het boek presenteert een ander perspectief dan gebruikelijk is voor beleidsevaluaties. In plaats van het afmeten van resultaten aan de toenmalige doelstellingen, hebben de auteurs getracht de Vierde Nota en VINEX in hun huidige en historische context te plaatsen en gezocht naar de actuele betekenis en toekomstbestendigheid ervan. Het boek geeft een goed beeld van de periode waarin de Rijksoverheid, in aansluiting op de internationale vrijemarkteconomie, haar ruimtelijke verantwoordelijkheden steeds meer uit handen gaf. Dit heeft het fysieke uiterlijk van Nederland op veel plaatsen ingrijpend en bepalend veranderd. Ries van der Wouden eindigt met de tweeledige en opvallend optimistische conclusie dat het ruimtelijk ontwikkelingsmodel van de Vierde Nota mede door de vastgoedcrisis in 2008 is vastgelopen, maar dat de stedelijke en infrastructurele netwerken die zijn ontstaan kansen bieden voor de toekomst. Hoe die kansen kunnen worden benut of begeleid, blijft een open vraag. Maar volgens Van der Wouden is het zeker dat de burger een groeiende rol zal spelen in het maakbaarheidsproces van de toekomstige leefomgeving. De vraag is wat deze rol inhoudt, zeker wanneer hij schrijft dat 'de burgers gebaat zijn bij een actieve rol van overheid en markt'.

 

• De ruimtelijke metamorfose van Nederland, 1988 – 2015. Het tijdperk van de vierde nota (red. Ries van der Wouden), werd in 2015 uitgegeven door nai10 i.s.m. het Planbureau voor de Leefomgeving. Contact: nai010 publishers, Mauritsweg 23, 3012 JR Rotterdam (010/201.01.33; nai10.com).