Marc Goethals

DE WITTE RAAF

Editie 177 september-oktober 2015

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Nieuwe publicaties

Stefanie Kreuzer (red.). more Konzeption Conception now. Dortmund: Verlag Kettler, 2015. 232 + 236 blz. ISBN 978-3-86206-429-8

Hoewel de zogenaamde conceptuele kunst zich aanvankelijk ontwikkelde in de Verenigde Staten, had de eerste museale presentatie van deze 'kunststroming' plaats in het Städtisches Museum Leverkusen Schloß Morsbroich in 1969. De verklaring hiervoor is dat Konrad Fischer, de bekende galeriehouder uit Düsseldorf, een pioniersfunctie vervulde in het verspreiden van conceptuele kunst in Europa. Het was zijn goede verstandhouding met de toenmalige directeur Rolf Wedewer die leidde tot deze tentoonstelling, getiteld Konzeption – Conception. De catalogus is iconisch, vooral omdat veel kunstenaars de pagina’s die ze toegewezen kregen gebruikten om werken te realiseren. Zowat alle belangrijke 'conceptuele' kunstenaars waren bij deze tentoonstelling betrokken: onder anderen Sol LeWitt, Joseph Kosuth, Lawrence Weiner, Ed Ruscha, On Kawara, Bruce Nauman, maar ook Europese kunstenaars zoals Marcel Broodthaers, Daniel Buren, Sigmar Polke en Jan Dibbets. Dit voorjaar organiseerde Museum Morsbroich een tentoonstelling onder de titel more Konzeption Conception now, met 25 jonge kunstenaars die zich laten inspireren door de conceptuele kunst van toen. Bij deze tentoonstelling verscheen een tweedelige catalogus. Het eerste deel is een facsimile van de catalogus uit 1969. Aangezien het origineel zeldzaam is en dus peperduur, is deze heruitgave een uitstekende zaak. Het tweede deel is de catalogus van de recente tentoonstelling. Naast beeldmateriaal van 25 kunstenaars staan ook een drietal teksten afgedrukt. Ze beperken zich evenwel tot beschouwingen over de tentoonstelling van 1969 of behandelen de vroege geschiedenis van de conceptuele kunst. Het tweede deel sluit af met archiefmateriaal van de tentoonstelling uit 1969, zoals correspondentie, voorstellen van kunstenaars en knipsels. Door deze eenzijdige focus op de historische tentoonstelling van 1969 komen de jonge kunstenaars helemaal in de schaduw van hun voorgangers te staan. Het is duidelijk dat de organisatoren het belangrijker vonden om de oorspronkelijke tentoonstelling te documenteren dan om het werk van jonge kunstenaars toe te lichten. Met deze nieuwe tentoonstelling tonen ze dat conceptuele kunst, na bijna 50 jaar, nog steeds navolgers heeft. Deze constatering is nogal dunnetjes voor een museale presentatie.

 

Gerhard Richter. November. London: Heni Publishing, 2013 (tweede druk 2015). 62 blz. 54 afb. ISBN 978-0-9930103-1-6

In 2008 morste Gerhard Richter toevallig zwarte inkt op een stapeltje absorberend papier. Er tekende zich niet alleen een vlekkenpatroon af op het bovenste blad, maar ook op het onderliggende. Wat Richter echter het meest interesseerde was dat de achterkant van het eerste blad een spiegelversie te zien gaf van de voorkant. Dit oncontroleerbaar ‘uitvloeisel’, ontstaan door toevallige vlekken, was de aanleiding voor het maken van de reeks November. Spelend met het idee van spiegelende recto’s en verso’s verdunde hij de inkt met onder meer benzeen en aceton. De inkt liet hij druppelen, zonder gebruik te maken van penselen of pennen. Door de bladzijden te kantelen manipuleerde hij de inktvlekken. Op sommige vellen bracht hij potloodlijnen aan, andere kregen een transparante laag lak. Van de 27 vellen die hij zo bewerkte liet hij 54 inkjetprints maken, 27 van de recto- en 27 van de versozijde, waardoor hij de reeks volledig kon presenteren op een muur. Om het artificiële effect nog te verhogen keerde hij sommige vellen ondersteboven. Ten slotte dateerde hij de originele 27 bladen tussen 2 november en 28 november 2008, alsof hij gedurende die periode elke dag een tekening had voltooid. Deze fictieve dateringen zijn bedoeld om het geheel een metaforische samenhang te geven. Door zijn aard vraagt dit werk bijna om ook als kunstenaarsboek te worden gepresenteerd. De specifieke vorm van een boek laat op natuurlijke wijze de recto- en versozijde van elke pagina afwisselen. Nu is er van dit kunstenaarsboek een tweede druk verschenen.

 

Wolfgang Tillmans. The Cars. Köln: Verlag der Buchhandlung Walther König, 2015. 128 blz. 150 afb. ISBN 978-3-86335-752-8

De auto gebruiken we niet alleen als vervoermiddel. De auto is ook een belangrijke plaats geworden van waaruit we de wereld bekijken. De alomtegenwoordigheid van de auto maakt ook dat hij voortdurend opduikt in ons blikveld. Dat wekt veel irritatie, maar tegelijk is hij onmisbaar en vervult hij dikwijls de rol van statussymbool. Zijn evidente aanwezigheid maakt wellicht dat hij als artistiek onderwerp verwaarloosd is binnen de beeldende kunst. Alleen in films is de auto soms een prominent onderdeel van de verhaallijn. In zijn nieuwste fotoboek The Cars richt Wolfgang Tillmans zijn blik op de alledaagsheid van de auto. Hij doet dit met een 150-tal foto’s die hij nam tijdens zijn reizen door verschillende continenten. Zo zien we auto’s in stedelijke en landelijke omgevingen, zowel overdag als ’s nachts. Soms focust hij op details van auto’s of op de wegeninfrastructuur. Chauffeurs, passagiers, voetgangers en andere weggebruikers komen nauwelijks in beeld. Wolfgang Tillmans verzorgde zelf de vormgeving van het boek. Soms zijn de foto’s bladvullend, soms schuift hij ze over elkaar of creëert hij kleine reeksen binnen het geheel. Door deze samenhangende variaties is het boek erg plezierig en verrassend. In 1997 publiceerde Wolfgang Tillmans een gelijkaardig boek over het supersonische passagiersvliegtuig Concorde. En in 2012 verscheen van hem een fotoboek over een internationale fruitbeurs in Berlijn onder de titel Fruit Logistica. Door hun gelijkaardige vormgeving vormen deze drie boeken samen een reeks.

 

Alexandra Whitney (red.). No Problem: Cologne / New York 1984 – 1989. New York: David Zwirner Books, 2015. 276 blz. 239 afb. ISBN 978-1-941701-02-7

In 2014 was bij David Zwirner in New York een tentoonstelling te zien onder de titel No Problem: Cologne / New York 1984 – 1989. Nu, een jaar later, verscheen een publicatie die de tentoonstelling documenteert. Aan de hand van 148 kunstwerken van 21 kunstenaars wordt aangetoond dat Keulen en New York de belangrijkste centra waren van de kunstmarkt in de tweede helft van de jaren tachtig. Walther Dahn, Jiri Georg Dokoupil, Fischli & Weiss, Mike Kelley, Martin Kippenberger, Jeff Koons, Richard Prince en Cindy Sherman waren toen ‘jonge’ kunstenaars die stonden te trappelen om de neo-expressionistische werken van de Neue Wilde en de Italiaanse Transavanguardia van het podium te verdringen. Maar een tweede en meer onderliggend thema in dit boek is de uitwisseling van kunstenaars door jonge galeries. In Keulen waren dat vooral Gisela Capitain, Max Hetzler, Rafael Jablonka en Monika Sprüth. Ze zochten allianties met galeries in New York zoals Mary Boone, Barbara Gladstone, Luhring, Augustine & Hodges, Metro Pictures en Nature Morte. Met succes, zo bleek. Uiteraard toont dit boek slechts een beperkt segment van de toenmalige kunstwereld. Maar het evoceert wel de levendige, provocerende en op innovatie gerichte sfeer die er toen heerste. Veel van de kunstwerken representeren deze markante periode nog steeds op een overtuigende manier. Het boek bevat een tekst van Diedrich Diederichsen, die de kunstwereld van Keulen in de jaren tachtig zelf meemaakte. Onder de titel Before Globalisation: Cologne and New York in the 1980s beschrijft hij onder andere een hilarische trip naar New York die hij maakte samen met Martin Kippenberger. Een tweede tekst van de hand van Bob Nickas behandelt de toenmalige scene van New York. Het boek sluit af met een geïllustreerde chronologie, biografieën en een lijst van de tentoongestelde werken. De titel No Problem is ontleend aan een werk van Martin Kippenberger.