Louis De Mey

DE WITTE RAAF

Editie 178 november-december 2015

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

The Corner Show

De hoek is de negatie van het universum, zo schrijft Gaston Bachelard in La Poétique de l’Espace (1957). De hoek is namelijk een eenzame plaats in de periferie van een ruimte en krijgt vele negatieve connotaties toebedeeld. The Corner Show, gecureerd door Wouter Davidts in samenwerking met kunstenaar Philip Metten en artistiek directeur van Extra City Mihnea Mircan, keert Bachelards uitspraak om en plaatst de hoek voor even in het centrum van de aandacht. De 'uithoek' van de ruimte krijgt de hoofdrol toebedeeld en wordt via beeldende kunst van alle mogelijke kanten belicht. Er zijn metaforische hoeken, vormelijke hoeken, conceptuele hoeken en abstracte hoeken. Maar het is een show, geen analyse, en de tentoonstelling wil dan ook niet alomvattend of extreem diepgravend zijn. We krijgen in Extra City kunsthal in de eerste plaats een celebratie van de hoek.

Nog voor het betreden van de kunsthal wordt de toon gezet. De ingang van Extra City is voor de gelegenheid namelijk verbouwd: in de inham van het portaal steekt een hoek uit. Naast die uitstekende 'buitenhoek' ontstaan automatisch twee ‘binnenhoeken’, als negatief: zo maken we meteen ook kennis met de negatieve en positieve hoek, of de voor- en achterkant van een hoek. Via deze 'hoekige' inkom betreden we de eigenlijke vierhoekige inkom van Extra City. Op het boven- en ondervlak van de entree staat telkens een lijnenfiguur afgebeeld die doet denken aan een tangram. Het gaat om een ingreep van kunstenaar Philip Metten, die teruggrijpt op de tekening die aan de basis lag van zijn architecturale ingreep BAR in het Antwerpse Café Homey in 2013 (in het kader van de stadstentoonstelling 21ste eeuw buiten! (2013-2014)). Deze tekening vormt in Extra City de basis voor de scenografie. De negatieve vormen uit de tekening werden geëxtrudeerd tot kamerhoge elementen, waarvan er een als kolom ter illustratie in de inkom staat. Ze bieden de curatoren de mogelijkheid om zeer atypische hoekconfiguraties te creëren, zonder vast te lopen in willekeur.

De scenografie wordt dan ook beheerst door een spel van volumes in plaats van muren, en is daardoor erg aanwezig. Tussen de geëxtrudeerde vormen van Metten ontstaan kleinere kabinetten waar de werken een intieme dialoog met elkaar aangaan. Toch zorgt de schaal van de scenografische volumes er binnen de riante ruimte van Extra City voor dat de expohal wordt waargenomen als één ruimte, overladen met kunstwerken. Het geheel heeft dan ook iets weg van een Wunderkammer waarin een verzamelaar op een eerder willekeurige manier kostbare objecten tot een collectie samenbrengt, die in haar rijkdom en verscheidenheid een veruiterlijking van zijn kennis moet zijn. Een soortgelijke lichtvoetigheid vinden we terug in deze tentoonstelling, die werken met elkaar in relatie brengt die vanuit uiteenlopende strategieën met het gegeven van de hoek omgaan. Toch is er wel degelijk sprake van een gemeenschappelijke noemer, en daardoor blijft de tentoonstelling als een gelegenheidscollectie overeind.

Hoewel de expositie de werken niet expliciet opdeelt in groepen, valt in deze veelheid een aantal deelcollecties te onderscheiden. Ten eerste zijn er de echte ‘hoekwerken’, die de hoek als bestaansvoorwaarde hebben, en zich al dan niet gewild telkens verhouden tot het canonieke Untitled (Corner Piece) (1964) van Robert Morris waar de tentoonstellingsmakers expliciet naar verwijzen. De Roze Hoek van Lili Dujourie (een sculptuur van roze marmeren platen geïnstalleerd in een bovenhoek, net niet tegen het plafond van de ruimte) en Dag Nacht van Philippe Van Snick (een blauwe en een zwarte wand die een hoek vormen) zijn hier de duidelijkste voorbeelden van. Untitled, waarin Joep Van Liefland een ‘buitenhoek’ bekleedt met een rek waarop een collectie videobanden is geïnstalleerd, is het letterlijke negatief van deze aanpak. Deze werken buiten de condities die de hoek vooropstelt uit en spelen met het vlak dat zich tot hoek plooit. Een tweede categorie betreft de werken waarin de hoek als architecturaal element al dan niet bewust wordt gethematiseerd, zoals in de compositie van architect Kersten Geers en het werk van Jan De Cock. Zij tonen hoe de hoek een van de meest essentiële elementen van de ruimte is, en hoe kunstenaars en architecten hiermee om kunnen gaan. De precieze installatie van Geers staat in schril contrast met de foto Denkmal 9 van de sculptuur van De Cock, waarin de hoek niet meer dan een onontkoombaar deel van de geometrische sculptuur lijkt. De foto’s van Ferry André de la Porte en de schilderijen van Koen van den Broek zijn eerder descriptieve varianten van deze categorie: ze kadreren fragmenten van de wereld waarin hoeken voorkomen. De derde groep gaat in op de symbolische waarde die we aan hoeken toekennen in het dagelijkse leven: zeer letterlijk gebeurt dat in Rolling Corner van Gabriel Kuri en iets poëtischer in Londonderry van Santiago Sierra. De eerste toont een ‘vuile’ hoek met afval, bij de tweede verschijnt de hoek als 'schandpaal' en oord van bestraffing.

Het interessantst zijn waarschijnlijk de werken die verschillende van deze strategieën met elkaar combineren. Zo beeldt de tekening Corner for Blinky Palermo van Josiah McElheny niet alleen een hoek af op de meest schematische manier mogelijk, door middel van drie lijnen die elkaar raken in een punt, maar dient het werk ook in een hoek te worden gepresenteerd, tussen twee wanden die elkaar in de hoek kruisen. Het werk toont een hoek en bevindt zich in een hoek, waarbij de twee hoeken een bepaalde verhouding met elkaar aangaan. Zo speelt Corner for Blinky Palermo op een interessante manier met de verbinding tussen tekenkunst (het vlak) en sculptuur. Even interessant is Trajectoires, hoeksculptuur van Philippe Van Snick, waarin de kunstenaar door middel van metalen staafjes die tot een hoek zijn geplooid, de verbinding maakt tussen plafond en muur. Ze overbruggen opnieuw de hoek, maar creëren in de hoek ook een schaduwspel. De metalen staafjes lijken een poëtische interpretatie van een spinnenweb vol stof waar licht op schijnt. Je zou kunnen zeggen dat Van Snick de aandacht trekt op allerlei onvolmaaktheden die zich vaak in hoeken bevinden – behalve spinnewebben bijvoorbeeld ook leidingen – en deze in een nieuw licht plaatst. Het werk dringt zich dan ook niet op, het trekt in je ooghoek subtiel de aandacht.

Een tentoonstelling concipiëren vanuit een uiterst elementair thema als ‘de hoek’, werkt als een tweesnijdend zwaard. Het thema is gelukkig geen figuratief of inhoudelijk element, maar een ruimtelijk gegeven, en het helpt de (onervaren) toeschouwer om gericht te kijken naar de manier waarop deze werken zich tot de ruimte verhouden. De bezoeker wordt aangespoord om de werken te benaderen vanuit een ruimtelijk perspectief. De tentoonstelling biedt dus een bepaald kijkdispositief, dat niet per se formalistisch hoeft te zijn. Anderzijds lijkt de opstelling meermaals niet veel meer te bieden dan een encyclopedisch overzicht van alle mogelijke benaderingen van ‘de hoek’ in de recente beeldende kunst. De densiteit en de grote verscheidenheid zorgen voor een boeiend totaalbeeld, maar staan de dialoog tussen de werken vaak in de weg, en verhinderen daarmee elke mogelijke focus. Dat de specifieke insteek van de tentoonstelling misschien een dankbare manier is om met enkele oeuvres kennis te maken, is dan het enige wat rest.

 

The Corner Show, tot 6 december in Extra City Kunsthal, Eikelstraat 31, 2600 Antwerpen (03/677.16.55; extracitykunsthal.org).