Alain Badiou

DE WITTE RAAF

Editie 179 januari-februari 2016

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Het onbehagen van de zonen in de hedendaagse ‘cultuur’

Zoals Freud benadrukt is een ‘cultuur’ ook altijd het vermogen om een symbolische orde van de ene generatie op de andere over te dragen. Gebruikmakend van de gedurfde essays waarin hij de historische gestalten van deze overdracht probeert af te bakenen, zou ik het hier willen hebben over een belangrijk symptoom van ons ‘onbehagen’, een term die ik in precies dezelfde zin als Freud gebruik om de eigentijdse, naoorlogse kwetsbaarheid aan te duiden van alles wat zich als symbolische organisatie aan het bewustzijn voordeed.

Dit symptoom is de groeiende verwarring van onze zonen, een verwarring waar om allerlei subtiele redenen meisjes in onze maatschappijen grotendeels aan ontsnappen.

Vanzelfsprekend is deze tekst opgedragen aan mijn drie zonen Simon, André en Olivier. Ze hebben me alledrie, op een soms wat ruwe manier, iets bijgebracht over waar het om gaat.

Ik ga uit van een conceptuele mythe. Deze krijgt haar beslag in de verzameling teksten van Freud die, naast uiteraard Het onbehagen in de cultuur, bestaat uit Totem en taboe en De man Mozes en de monotheïstische religie. In de stijl van grondleggers à la Hegel vertelt Freud ons een verhaal in drie grote hoofdstukken. Het eerste is dat van de oerhorde, waar een genietende vader zich alle vrouwen toe-eigent en een opstand van de zonen de moord op de vader inleidt – de oorsprong van een pact waarmee de zonen zich onderling organiseren om de situatie zo egalitair mogelijk op te lossen. Het tweede hoofdstuk is de sublimatie van de dode vader als Wet in de figuur van de enige God. De vader is hier opnieuw een hooghartige hoeder en een strenge toeverlaat, maar we moeten ons ervan bewust zijn dat de reële, vermoorde vader slechts in de gedaante van de symbolische Vader terugkeert. Het derde hoofdstuk betreft het aandeel – binnen het christendom – van de zoon in de glorie van de vader, ten koste van een erg gewelddadige initiatie, namelijk de initiatie van de zoon van God in wat de mensheid zichzelf aandoet op het vlak van marteling en dood.

Ik maak drie opmerkingen over wat dit verhaal ons vandaag de dag kan bijbrengen, voor zover we ons nagenoeg tot zijn structuur beperken.

In de eerste plaats moeten we het hebben over de vader. In het eerste verhaal komen we een reële, genietende vader tegen die niets van zijn monopolie op het genot wil afstaan. Aan de kant van de zoon zien we het niet minder reële, actieve gegeven van een agressie die slechts door moord kan gestild worden. In het tweede verhaal treffen we de symbolische vader aan: hij berust zeker op de reële vader, maar keert terug op de plaats van de Ander, zoals Lacan zou zeggen. Aan de kant van de zoon vinden we – als door een omkering van de agressie die door de reële vader werd opgewekt – de verering van de grote Ander, dus een personage van grenzeloze onderwerping. Ten slotte zouden we kunnen zeggen dat we in het derde verhaal, dat van het christendom, de imaginaire vader treffen. De vader wordt namelijk naar een soort achterplan verwezen, hij vormt zoiets als de achtergrond voor het handelen van de zoon. Hij wordt de fictieve totaliteit van de drie instanties, hij is zowel vader als drie-eenheid. In het reële en het symbolische zijn deze drie instanties echter niet-totaliseerbaar, zodat de vader slechts aan de schijn verwant kan zijn.

Ziedaar de elementaire gestalten van de vader in wat Freud ons vertelt.

Maar het is de zoon die ons interesseert. In dit verhaal is de wording van de zoon een dialectische constructie, of preciezer: het model van alle klassieke dialectische constructies. Want de zoon bereikt per slot van rekening slechts een plaats waar de volledige verzoening met de vader zich voltrekt – de zoon die consubstantieel is met de vader, de zoon die aan de rechterhand van de vader troont enzovoort – nadat hij drie fasen heeft doorlopen: de onmiddellijke, gewelddadige fase van de agressie, de symbolische fase van de onderwerping aan de wet en de eindfase van de gedeelde liefde. Liefde als opheffing van moord door bemiddeling van de Wet: dat is het lot van de zoon. Concrete opstand, abstracte onderwerping, universele liefde.

Het is essentieel om de plaats van de initiatie in deze dialectische wording aan te geven. De zoon wordt slechts in de hoogste orde van de verzoening ingeleid door een initiatie die sporen nalaat op het lichaam, een inwijding in marteling en dood, waarvan het uitzonderlijke iconografische lot ons welbekend is. Het gemartelde lichaam van de zoon is de radicale figuur van de inwijding van de oneindige God in de verschrikkelijke eindigheid. Als de zoon in de schoot van de vader terugkeert door een beweging die terecht ‘Hemelvaart’ wordt genoemd, bewaren we dus, afgetekend op het lichaam van de verrezene, een teken van het oorspronkelijke geweld.

Dit is een coherente, voor de optimistische filosoof (ook al is hij atheïst) volledig bevredigende constructie, omdat ze de notie van ‘fasen’ bewaart, maar toch tot een verzoende figuur van de toekomst van de mensheid leidt.

Het probleem, het kapitale onbehagen is dat deze constructie thans langs beide kanten – die van de vader en die van de zoon – aan het wankelen is gegaan.

Aan de kant van de vader: want voor zover hij door de zoon bekeken wordt, laat de vader – zowel de reële als de symbolische vader – zich nog slechts met grote moeite denken.

Want wat is de vader tegenwoordig in de ogen van de zoon? Zowel in zijn hoedanigheid van vader van het genot als in zijn hoedanigheid van vader van de wet is hij een gecompliceerd personage. Op het vlak van genot is het thans de vader die de neiging heeft het genot van de zoon te benijden. Er is namelijk zoiets als het moderne fenomeen van de jeugdcultus, van het jonge lichaam, niet alleen als object, maar ook en vooral als subject. De vader is lang als een – al dan niet geile – grijsaard voorgesteld. Vanuit het oogpunt van wat de hedendaagse maatschappij als genot ter beschikking stelt, is het evident dat dit personage thans zo goed als onzichtbaar is geworden. Ik wil daar terloops nog aan toevoegen dat het een kenmerk van onze maatschappijen is dat ze – voor zover zoiets mogelijk is – de onzichtbaarheid van de ouderdom produceren. De reële vader wordt gaandeweg in die maatschappelijke onzichtbaarheid ingepast. Parallel daaraan heeft hij het als symbolische vader ook moeilijk om de blik van de zoon te verduren, want de meest in het oog springende wet ligt nu buiten hem. Deze wet is namelijk geen andere dan die van de markt en haar kenmerk is dat ze alles gelijk maakt, dat ze een anonieme wet is, zodat het personage van de vader ervan losgekoppeld wordt en de eventuele repressie van de zonen niet-symbolisch is. Deze slaagt er niet in zich te manifesteren als wet van de vader waaraan recht moet worden gedaan. De maatschappelijke repressie van de zonen is anarchistisch, tegelijk onbestaand en buitensporig, zodat ze buiten de macht van het symbool valt.

Moeten we zeggen dat de vader hoe langer hoe meer alleen nog imaginair is? Dat zou de triomf betekenen van wat we een christendom zonder God zouden kunnen noemen. Een christendom, want de zoon wordt tot nieuwe held van het avontuur uitgeroepen – al bestaat dat avontuur in de commerciële moderniteit enkel nog uit mode, consumptie en representatie, allemaal aangeboren kenmerken van de jeugd. Maar zonder God, dat wil zeggen zonder werkelijke symbolische orde, want de zonen heersen alleen nog over schijn.

Kortom, de aanzienlijke moeilijkheid van een niet-toevallige identificatie met de zoon blijkt al aan de kant van de vader. De identiteit van de zoon is namelijk twijfelachtig omdat haar dialectiek spaak gelopen is. En deze dialectiek loopt niet spaak omdat de personages waaruit ze bestaat verdwijnen, maar omdat zij gaandeweg van elkaar losgemaakt of gescheiden zijn.

Laten we de zaken descriptief bekijken. Een fundamentele structuur van de zonen – en dan vooral bij de volksjeugd – is de bende, de beruchte en gevreesde ‘jongerenbende’. Ze is in zekere zin een herhaling van wat Freud de ‘horde’ noemt en in dat opzicht wordt ze ook als een plaag van de maatschappelijke wereld beschouwd. Het probleem is overduidelijk dat het een vaderloze horde betreft, die dus niet de mogelijkheid van een redding brengende moord en een echt broederpact gegeven is. Haar samenhang komt niet voort uit een pact tussen de leden, dat gesloten werd in de daad waarin hun agressie zich tegen de vader keerde, maar uit een mimetische afscheiding. De bende staat geïsoleerd, ze heeft haar eigen normen, maar deze afscheiding is evengoed gelijkheid en overeenstemming, want waar het om gaat is de circulatie van marktgoederen – in de vorm van oneindige ruil, koop en uiteindelijk gesjacher. Ze is geterritorialiseerd, maar deze territorialisering is symmetrisch, ze is nooit meer dan het spiegelbeeld van een ander betwist territorium. De bende geeft slechts vorm aan een soort bewegingloos nomadisme. Agressie – de vormingstijd van de horde – wordt hier niet onderbroken, ze is niet in staat zich tot een stichtingsact samen te ballen. Maar agressie die niets grondvest is tot herhaling gedoemd en wordt derhalve uiteindelijk door doodsdrift beheerst.

Tot zover de eerste term van de dialectiek van de zonen, die de plaats betreft waar agressiviteit tot stand komt.

Wat moeten we zeggen over de tweede, waarin wordt aangespoord tot onderwerping aan de wet? In de bende is er zeker een verhouding tot de wet, maar deze is opgesplitst: enerzijds in een gebod over hoe men er moet uitzien, dat gedrag, kledij, taal, gestiek enzovoort betreft, en dat de wet nogmaals oplost in een mimetiek van de schijn; anderzijds in een gebod van willoosheid dat niet vraagt om transformatieve actie, maar om eenvoudig behoud. Het gaat erom voort te doen in een vorm van onbestemde passiviteit. Het actieve gebod dat tot het pact van de zonen leidde wordt warencirculatie, het gebod dat gold als Wet wordt organisatie van het onbeweeglijke.

Ten slotte staat, in de derde term van de dialectiek van de zoon, de initiatie op het spel. Omdat deze initiatie in zekere zin buiten de wet staat, is ze immanent geworden. Ze is niet meer datgene wat de overgang naar een andere figuur mogelijk maakt. Ze is daarentegen een inlijvingsrite, een inlijving in de stilstand van de zonen. Ze is de verzameling stereotiepe praktijken die in een collectieve aanvaarding van de willoosheid uitmondt. In tegenstelling tot de initiatie die iemand tot een volwassene maakt, promoot ze de mythe van een eeuwige adolescentie.

Het gevolg is dat de verzoening van zoon en volwassene, van zonen en ouders, van zoon en vader slechts tot stand kan komen door infantilisatie van de volwassene. Ze lijkt haalbaar, behalve dan dat ze omgekeerd is. In de christelijke oermythologie is er de hemelvaart van de zoon. Vandaag hebben we nog enkel te maken met empirische processen van het neerdalen van de vaders.

Om al deze redenen valt het dialectische schema dat in Freuds verhaal zit uit elkaar. Het gevolg hiervan is dat er geen duidelijk voorstel met betrekking tot de identificatie van de zoon bestaat. Dit is wat ik het onzekere karakter van de identiteit van de zoon in de hedendaagse wereld noem, de sleutel van het algemene onbehagen.

Die onzekerheid heeft een reden. Ze is geen onverklaarbaar, vervloekt evenement, maar ligt in de lijn van de rationalisering van onze maatschappijen. Ze is het gevolg van een dressuur – die geleidelijk aan universele vormen aanneemt – van het individu tot iemand die oog in oog staat met de schittering van de markt. Het belangrijkste maatschappelijke voorschrift is erop toe te zien dat elke echte individualiteit van de circulatie van objecten afhangt. Als die individualiteit zich dus subjectiveert, dan moet het om een subjectivering gaan die ertoe aanzet om voor de commerciële constellatie van objecten te gaan staan en de macht te verwerven om ze te laten circuleren. Bijgevolg wordt het dit individu stilaan verboden om het subject te worden dat het zou kunnen zijn. Zoals bekend staat de zoon centraal in deze kwestie, want het kloppend hart van de markt is de adolescentie. De adolescentie is het moment van lichamelijke dressuur in dienst van de marktconcurrentie, ze vormt de fase van de initiatie in de markt zelf. Men dringt onzekere, gedweeë individuen (op die leeftijd is men zo) een subjectwording op die volledig onderworpen is aan de circulatie van objecten en de holle communicatie van tekens en beelden.

Deze initiatie zonder initiatie lijkt me – dat is althans mijn stelling – drie mogelijkheden uit te tekenen voor de zonen. Ik zal ze het perspectief van het perverse lichaam, het perspectief van het geofferde lichaam en het perspectief van het verdienstelijke lichaam noemen.

Ten eerste is er het perverse lichaam: het komt erop aan het stigma van het einde van de vroegere dialectiek op zijn lichaam in te schrijven. Men is dan verplicht om plezier te vinden in een nietszeggende, eindeloze, niet-symbolische initiatie die het gebrek aan erfgenamen van de dialectiek op de lichamen projecteert. Het lichaam piercen, drogeren, tatoeëren, het afstompen met oorverdovend geluid: dit is de figuur van een lichaam dat zich niet-subjectief of zelfs niet-subjectiveerbaar wil maken; een tentoongesteld, gebrandmerkt lichaam dat in zichzelf sporen van de onmogelijke identiteit bewaart. Oppervlakkig gezien lijkt dit wat op de initiatie die in bepaalde traditionele maatschappijen gangbaar is. Maar de functie is totaal verschillend: het is geen initiatie in het vruchtbaar-worden van vrouwen of het krijgerschap van mannen, maar in de onbeweeglijkheid van de eeuwige adolescentie. De seksualiteit waar dit soort keuze in uitmondt zou ik, zuiver descriptief en zonder te oordelen, pornografisch willen noemen. Met ‘pornografie’ bedoel ik een niet-subjectieve seksualiteit. Ze steunt op de orde van de lichaamsmarkering in de herhaling van de willoosheid. Het staat vast dat groepsverkrachtingen een aspect van deze pornografie kunnen zijn, zoals overigens ook de evidente seksuele ellende, de onthouding waartoe men oog in oog met de stortvloed van beelden gedwongen wordt. Hoe dan ook is elke idee afwezig. We hebben te maken met de treurige constructie van een lichaam zonder idee. Het is dit lichaam dat ik ‘pervers’ noem, zonder dat ik ook maar ergens op zogenaamde ‘perversies’ wil zinspelen: het is pervers in de zin dat het zijn gebruikelijke functie – de bewaarplaats te zijn van een subject – is kwijtgeraakt.

Aan de andere kant is er het geofferde lichaam. Het is een lichaam dat op een wanhopige manier een terugkeer naar de traditie torst. Er wordt een beroep gedaan op de oude, dodelijke wet en op wat het nieuwe lichaam kan en moet verdragen. Men moet zich – ook door middel van zuiveringsrituelen – afkeren van het perverse lichaam (wat seksuele strengheid impliceert) en de absoluutheid van de wet tot in het offer aanvaarden. Dit is het subjectieve personage van de zoon als terrorist. De lotsbestemming van het lichaam wordt gestuurd door afschuw van het perverse lichaam dat moet worden prijsgegeven in het zonenoffer ten behoeve van de absoluutheid van de Vader, in omstandigheden die een onverbiddelijke terugkeer inhouden naar de oude wet, de meest onwrikbare die men zich kan indenken. De subjectivering van het lichaam is de subjectivering van zijn martelaarschap.

Het zijn twee extreme, maar reëel bestaande houdingen. Ergens daartussenin treffen we de berusting in de gemiddelde dressuur, waarbij men zichzelf tot gekwalificeerd object van het algemene gesjacher maakt, iets wat ook ‘carrière maken’ wordt genoemd of, om met Sarkozy te spreken, ‘zich verdienstelijk maken’. Hier stelt het lichaam zichzelf doelbewust ter beschikking als iets dat bijzonder goed is aangepast aan de externe wetten van de markt. Het wordt een onderdeel van die georganiseerde circulatie waarvan men blijft beweren dat ze de enige aanvaardbare wet is – de wet van het algemene equivalent, zoals Marx haar heel lang geleden noemde. Het verdienstelijke lichaam zet zichzelf in de markt tegen de laagste prijs. Daartoe moet het beschermd worden, afgesloten van het collectieve gevaar van de twee anderen, iets waar de politie grondig op toeziet.

Tussen haakjes: bij wat er in Frankrijk in de herfst van 2005 gebeurde – in Clichy-sous-Bois, Villiers-le-Bel en elders – zijn het heel duidelijk de ‘zonen van het volk’, zoals dat in de tijd van de communistische partijen heette, die in de schijnwerpers staan. Ik wil er slechts op wijzen dat men dit ten onrechte als een in wezen maatschappelijk probleem beschouwt, althans indien men daaronder iets verstaat dat naar de economie verwijst, of erger nog, als men er daarbij van uitgaat dat meer geld pompen in de zogenaamde ‘banlieues’ het probleem wel zal oplossen. Het is een probleem dat symbool staat voor de hedendaagse maatschappij, een probleem dat valt onder wat we een politieke kliniek zouden kunnen noemen. Wat zijn Freuds grote referentieteksten anders [*] dan pogingen om nieuwe concepten voor te stellen voor het project van een politieke kliniek? Het klinische probleem dat ik hier op mijn beurt aankaart, is hoe het met de zonen gesteld is als ze geen toegang hebben tot de gemiddelde dressuur, tot het even vorstelijke als onbenullige traject van het verdienstelijke lichaam. Iedereen weet dat het niet-verdienstelijke lichaam als tegenstander van het verdienstelijke lichaam wordt behandeld: het moet er tegen elke prijs van gesegregeerd worden. Vandaar ook de problemen van schoolse en professionele apartheid en het fundamentele probleem van de politie die wordt ingezet om de verschillende lichamen gescheiden te houden.

Het is onmiskenbaar waar dat de politie een bijzondere band heeft met jongeren die en masse uit de arbeidende klassen, uit het arbeidersvolk voortkomen en waarvan de ouders vaak van vreemde afkomst zijn, jongeren die zich niet met verdienstelijke lichamen kunnen of willen identificeren. Deze jongeren zeggen – en dat is de wezenlijke drijfveer van hun verzet – het volgende: ‘Wij worden voortdurend lastiggevallen door de politie.' Het probleem is jammer genoeg structureel als we in aanmerking nemen dat het beschutte wordingsproces van het verdienstelijke lichaam zwaarbewaakte scheidingsmuren vereist. Twee doden in Clichy-sous-Bois, twee in Villiers-le-Bel: hebben ze dan niet alle reden om in opstand te komen tegen de politie en de staat die haar ondersteunt door systematisch leugens te gebruiken? Maar in de media en in het berekende politieke geklets krijgen de oproermakers, en niet de politie of de staat, de schuld. Volgens de propaganda zijn deze betreurenswaardige doden de prijs die we moeten betalen als we gedweeë zonen willen – niet gedwee in hun onderwerping aan de vader, maar in hun onderwerping aan het geld en zijn ‘vrije circulatie’, want dat is de enige echte inhoud van die als fetisj gekoesterde democratie die voor ons als Idee fungeert op het ogenblik dat er geen ideeën meer zijn.

Ik keer terug naar mijn stelling: de drie typen lichamen vormen de ruimte van wat ik de niet-geïnitieerde zoon noem, de zoon aan wie geen initiatie – in de zin van een overgang, een aflossing, een wording – wordt voorgesteld. Het is een door en door nihilistische ruimte, ook al moet het verdienstelijke lichaam dit nihilisme juist verhullen: we moeten doen alsof een carrière zin heeft. Een carrière moet het gat van de onzin vullen. Dat is de rol van de vredelievende jeugd. We moeten goed beseffen dat het juist deze heterocliete kudde is die ze op een goeie dag naar de afgrond van de oorlog zullen leiden, zodat we ons eens en voor altijd van hun onbeduidendheid kunnen vergewissen. Welke oorlog dat zal zijn weet ik niet. Maar deze onzekere situatie van de identiteit van de zonen voorspelt hoe dan ook geen vrede; en ze belooft al helemaal niet dat de verdienstelijke lichamen in al hun onbeduidendheid daarin hun apotheose zullen beleven.

De kwestie van de oorlog is hier van groot belang. We moeten beseffen dat in de moderne tijd – dat wil zeggen de tijd vanaf de Franse Revolutie – het aandeel van de staat in de initiatie van de zonen door het personage van de soldaat beheerst werd. Sinds enige jaren is dat ons volkomen vreemd geworden, maar gedurende twee eeuwen was het een niet te veronachtzamen gegeven. De militaire dienst markeerde de breuk van de initiatie. Hij bracht de zonen bijeen en onderscheidde hen daarbij meteen ook van de dochters. Hij was een eerste noodzakelijke stap in de vorming van de identiteit. Daarnaast gaf hij vorm aan agressie en disciplineerde hij ze: hij zag in dat ze bruikbaar was, onderdrukte haar niet eenvoudig, maar trainde haar, hij construeerde een recht op geweld. Ten slotte verzoende hij vader-officier en zoon-soldaat onder het symbool: ze groetten samen de vlag in haar kleurige transcendentie. Militaire dienst paste in het kader van de dialectische configuratie waar ik van uitging: een gedisciplineerde instandhouding van agressie die wordt opgevoerd tot het recht op moord, repressieve symboliek en volledige onderwerping, en ten slotte een – althans schijnbare – verzoening in het teken van de ‘zonen van het Vaderland’. In de vorm van een instelling die zoals elke instelling hatelijk en dom, maar functioneel was, voorzag de militaire dienst in een secularisatie van de archaïsche verwantschapsrituelen. De zoon was dienstplichtig, vervolgens kwamen beroep en gezin en was men volwassen.

Men heeft de gevolgen van de afschaffing van de militaire dienst onderschat. Die afschaffing was allicht onvermijdelijk in een imperiaal Frankrijk dat van zijn militaire grandeur ontdaan was, gereduceerd tot de proporties van een modale mogendheid die niet te veel wilde spenderen. Het was ook niet onbelangrijk dat de symbolische gelijkheid niet meer op de patriottische dood en haar emblemen uitzag, maar op de banaliteit van het geld. Geen enkele burger beeldt zich inderdaad nog in om als officier voor Frankrijk te sterven. In die zin is er, symbolisch gezien, geen leidende klasse meer. Er is alleen nog een onverantwoordelijke oligarchie. Anders dan Jaurès het voor de oorlog van 1914 wenste, bestaat het leger dus nog enkel uit een zootje huurlingen (Jaurès, sterk tegen een beroepsleger gekant, had een uitsluitend uit burgers samengesteld verdedigingsleger voor ogen). Laat ons in verband met die bijzonder complexe vraag van de wording van de zonen nog één keer een saluut brengen aan de militaire dienst en alles wat hij – zelfs al was het in de schande van de oorlog – betekende.

Houdt dit in dat staatsinitiatie voltooid verleden tijd is? Men wil ons doen geloven dat de school het vreedzame apparaat van de publieke initiatie is geworden. Ik ben daar heel erg sceptisch over. Met de school is het nauwelijks beter gesteld dan met de militaire dienst in zijn laatste jaren. Al wordt alom erkend dat de situatie bijzonder ernstig is, de crisis van de school begint pas. De processen van ontmanteling, privatisering, sociale segregatie en educatief onvermogen zullen nog versnellen. Waarom? Omdat van de school niet meer verwacht wordt dat ze de grote massa’s een gedeelde kennis bijbrengt of dat ze zelfs maar in een nuttige arbeidersopleiding voorziet. Er wordt van haar geëist – en dat zal hoe langer hoe meer haar taak worden – dat ze de verdienstelijke lichamen uitzift en beschermt. Ik geloof niet dat de school de militaire instelling kan vervangen. Ik denk zelfs dat de school, die altijd al selectief was en op ‘verdienste’ gericht, op de achtergrond de militaire instelling veronderstelde als een plaats waar de gelijkheid voor het risico op de dood werkelijk tot stand kwam. Op het vlak van symbolische initiatie staat de hedendaagse ‘democratische’ staat met lege handen.

Misschien zijn de zonen van nu, in de onbestendigheid van hun identiteit, het symptoom van een proces dat diep in de staat ingrijpt. Misschien kunnen we aan onze zonen het resultaat aflezen van die verre, reeds lang verwaarloosde voorspelling van Marx over de ondergang van de staat. Marx formuleerde er – in het teken van het communisme – de revolutionaire versie van, die de dialectiek van de zonen opnieuw in het element van gelijkheid en algemene, veelzijdige kennis invoerde. Hebben we vandaag te maken met een reactieve, verrotte versie van die ondergang? De ‘democratische’ staat is in elk geval ernstig in zijn symbolische vermogen aangetast. Misschien worden wij door onze zonen meer dan ooit geconfronteerd met de strategische keuze tussen twee tegengestelde vormen van ondergang van de staat: communisme of barbarij.

Hoe kunnen we dan, voorbij het symptoom van de zonen, een positief beeld van de nieuwe symbolische situatie schetsen? Hoe vermijden we dat ze een apocalyptische kwestie wordt, een kwestie van totale en totaal niet-symbolische oorlog?

Zoals altijd in momenten van existentiële verwarring en desoriëntatie van het denken steunen we op wat feitelijk nog aan nieuwe waarheden is blijven bestaan, of om het in mijn bewoordingen te zeggen, op generieke procedures die door een of ander evenement worden geautoriseerd.

Zo staat bijvoorbeeld vast dat de liefde een pervers lichaam – een lichaam zonder idee – op afstand kan houden, ook al moeten we haar misschien opnieuw uitvinden, zoals Rimbaud zei. Want alleen liefde, alleen de levende, gedachte ervaring van het Twee kan het lichaam van de zoon voor de pornografische eenzaamheid van het perverse lichaam behoeden.

Om met het geofferde lichaam af te rekenen, moeten we ons naar het politieke leven richten, naar een politiek leven dat – tegen de wet van de commerciële representatie en de suïcidale inertie van de adolescent in – een aanvaardbare, vastberaden figuur van de belangeloze discipline kan aandragen. Die politiek moet zich van de macht afkeren, omdat de staat niet meer over de symbolische middelen beschikt om de initiatie van de zonen tot een goed einde te brengen. Tegenover de invloed van de religie, die slechts een wanhopig substituut is of een terugkeer naar achterhaalde symbolen vormt, stellen we een niet-dodelijke discipline in georganiseerde collectieve actie, die het denken dat haar grondt in zichzelf vindt. Tegenover de rondhangende bende en de nutteloze, melancholische martelaar stellen we het enthousiasme van de verenigde militanten, de onwaarschijnlijke verzameling subjecten die van overal zijn gekomen.

Tegen het verdienstelijke lichaam dat kennis gebruikt om zijn carrière op te schroeven, kan het subject een echte vrije intellectuele uitvinding in stelling brengen, de belangeloze vreugde van wetenschap en kunst, de idee die zich weigert te onderwerpen aan het financiële universum van de techniek.

De zoon is in deze omstandigheden – waarin hij zowel symptoom als hoofdrolspeler is – in staat om een stap dichter te komen bij de vader die hij ooit zelf zal zijn.

Rimbaud lijkt al iets vermoed te hebben van dit drietal van liefde, politiek en kunst-wetenschap waarin het ontstaan van een andere filiatie op het spel staat. Een filiatie die geen terugkeer naar de oude wet inhoudt en die derhalve ook afziet van het geofferde lichaam.

Rimbaud is de grootste zoon van de geschiedenis van de poëzie; hij is de metgezel en het tegendeel van Hugo, die het archetype van de poëzie van de vader en de grootvader is.

Rimbaud anticipeerde op het perverse lichaam, hij bracht het in praktijk en noemde het ‘de ontregeling van alle zintuigen’. Hij bracht ook het geofferde lichaam – dat hij ‘ras’ of ‘Christus’ noemde – in praktijk, toen hij noteerde: ‘Ik ben van het ras dat zong tijdens de marteling.’ Uiteindelijk schikte hij zich in het verdienstelijke lichaam; hij liet hersenschimmen en poëzie voor wat ze waren en werd handelaar en sjacheraar, om zijn moeder geld te sturen: ‘Ik die mezelf magiër of engel heb genoemd, vrijgesteld van elke moraal, ik word overgeleverd aan de bodem, met een te zoeken plicht, en de te strijken gerimpelde werkelijkheid.’ De verpletterende geschiedenis van Rimbaud is ook het jachtige traject van de moderne geschiedenis van de zoon. Hij was degene die, in moderne bewoordingen en met een nieuwe betekenis, kon zeggen: ‘Vader, vader, waarom heb je me verlaten?’ In het evangelie, zo weten we, is dit het moment van kwellende eenzaamheid op de vooravond van de marteling, de dood en ten slotte de Hemelvaart. En juist deze aan zichzelf overgelaten eenzaamheid vormt het eigentijdse kruis van de zonen.

Maar ook al kiest Rimbaud ten slotte voor de wereld van de handel, toch wist hij dat een andere kijk op de zoon en een andere initiatie mogelijk waren, een ander subjectiveerbaar lichaam dat zich aan het lichamelijke drievoud van perversie, martelaarschap en conformisme onttrok. In Genius, een erg mooie tekst uit de Illuminations, spreekt hij erover. Deze ijle, immateriële tekst benoemt de geestelijke vreugde die hij voelt bij de doortocht van iets dat de opheffing of de mogelijke redding van de nieuwe gestalte van het lichaam van de zoon zou kunnen zijn. Rimbaud schrijft: ‘Zijn lichaam! de gedroomde bevrijding, de verbrijzeling van de genade die met nieuw geweld gepaard gaat!’ Het zou het uitgangspunt kunnen zijn van ons gemeenschappelijke werk ten dienste van de nieuwe initiatie van de zonen.

Het was altijd al de taak van de filosoof om de jeugd te bederven. Die taak krijgt thans een heel bijzondere betekenis: de filosofie moet erop toezien dat de vraag van de zoon, losgemaakt van de typologie van de drie lichamen, aan waarheden wordt teruggegeven. Voor veel vaders en moeders geldt het verdienstelijke lichaam als het minste kwaad. Maar de filosoof kan zich daar niet bij neerleggen. Ja, in liefde, wetenschap en politiek vinden we de genade, met andere woorden iets dat het lichaam raakt en het zijn afwezige idee teruggeeft. We treffen er ook de verbrijzeling aan die door deze genade veroorzaakt wordt in het individu dat, aan waar en Kapitaal geketend, gescheiden blijft van het subject dat het kan zijn. Het is juist de verbrijzeling die dit subject aan het individu teruggeeft. En ten slotte ontmoeten we er – nee, niet de reactieve mythe van de ‘mensenrechten’ en het einde van alle geweld (dat nooit iets anders is dan de heerschappij van politiegeweld en onophoudelijke oorlogen), maar het ‘nieuwe geweld’, het geweld waarmee de zonen – tot vreugde van de echte vaders – de nieuwe wereld bevestigen die ze willen creëren.

Nee, wij leggen ons niet neer bij de kleurloze onderworpenheid van het verdienstelijke lichaam, met de smoes dat de perverse en geofferde lichamen door barbaarse politie zijn omsingeld. Overigens is er voor ons geen enkele mogelijkheid om aan ons ‘onbehagen in de cultuur’ te ontsnappen – toch niet door deze te enge, te illusoire deur. Het is niet waar dat het lichaam van de zonen overgeleverd is aan wat Lacan de ‘goederendienst’ noemde, een dienst die het subject verhindert zijn plicht te doen, namelijk te geschieden als Subject. Het plaatselijke werk van waarheden dat door de filosofie geüniversaliseerd wordt, zal leiden tot genade, vernietiging en nieuw geweld.

Lang leve onze zonen!

 

vertaling uit het Frans: Joost Beerten

 

 

* Verwijderd: ‘et d’abord celui auquel le présent volume est consacré’ – waarmee Badiou verwijst naar ‘Das Unbehagen in der Kultur’ van Freud.

 

 

Bovenstaande tekst is een vertaling van het essay Postface. Le malaise des fils dans la 'civilisation' contemporaine, dat als nawoord verscheen in de bundel Anthropologie de la guerre met teksten van Sigmund Freud (Fayard, Parijs, 2010). © Librairie Arthème Fayard 2010.