Wouter Weijers

DE WITTE RAAF

Editie 179 januari-februari 2016

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Barbara Hepworth

Vijftig jaar geleden, in 1965, was in het Kröller-Müller Museum de tentoonstelling Barbara Hepworth, beeldhouwwerken en tekeningen te zien. Ze viel samen met de inauguratie van het herbouwde Rietveldpaviljoen in de beeldentuin van het museum. (Gerrit Rietveld had het paviljoen in 1955 ontworpen voor de derde internationale beeldententoonstelling in Park Sonsbeek in Arnhem.) Deze twee gebeurtenissen markeerden de veranderingen die het museum in de jaren zestig onder directeur Hammacher onderging, waarbij het accent op de beeldhouwkunst kwam te liggen. Hepworth werd een van de beeldbepalende kunstenaars van die nieuwe koers. Het museum verwierf veertien beelden van haar, waaronder de bronzen die reeds een halve eeuw in het Rietveldpaviljoen te zien zijn. Nu eert het Kröller-Müller de kunstenares met een overzichtstentoonstelling van haar werk.

De tentoonstelling is niet door het Kröller-Müller Museum zelf gemaakt, maar vrijwel integraal, inclusief de Engelstalige catalogus, overgenomen van Tate Britain, waar ze eerder dit jaar te zien was. Met uitzondering van de bronzen beelden bij het Rietveldpaviljoen heeft het Kröller-Müller geen werken van Hepworth uit de eigen collectie opgenomen, al staan enkele daarvan wel elders in het museum opgesteld.

De samenstellers Penelope Curtis en Chris Stephens hebben zich gebaseerd op onderzoek in het onlangs ontsloten Hepworth-archief in de Tate Gallery. De beelden worden dan ook met veel en uiteenlopende informatie omkaderd. Naast de zaalteksten zijn er ook (biografische) archiefstukken, originele kunstwerken van tijdgenoten en tot groot formaat opgeblazen foto’s. Ook wordt een film op de muur geprojecteerd. De bezoeker raakt de draad wel eens kwijt, maar al bij al blijft de tentoonstelling toch redelijk overzichtelijk, en dat is een hele prestatie.

De tentoonstelling beslaat vier zalen en is in negen thema's verdeeld, waarbij de biografie grosso modo als leidraad fungeert. De eerste zaal laat zien hoe Hepworth aanvankelijk, en vrijwel gelijktijdig met andere beeldhouwers, direct in hout en steen begon te hakken, waarmee ze zich afzette tegen de academische traditie om een werk in klei te boetseren en vervolgens door specialisten in brons of steen te laten uitvoeren. Op een getrapt podium worden negen van Hepworths sculpturen uit de jaren twintig getoond, samen met tien werken van bekende en minder bekende tijdgenoten waarvan haar werk zich op dat moment weinig onderscheidt.

Verderop in de tentoonstelling wordt Hepworths werk enkel nog naast dat van haar tweede echtgenoot Ben Nicholson getoond, met wie ze in 1938 huwde. In de tweede zaal wordt onder de titel ‘Het atelier’ de innige persoonlijke en artistieke relatie tussen de twee kunstenaars belicht, waarbij echter vooral schilderijen en prenten van Nicholson worden getoond waarvan een enkel aspect in Hepworths werk terugkeert. De contacten die beiden in de jaren dertig met kunstenaars van het internationale modernisme onderhielden, worden alleen in de wandteksten beschreven. Ook zijn geen publicaties te zien waaraan Nicholson en Hepworth meewerkten in het kader van hun lidmaatschap van de kunstenaarsgroep Abstraction-Création.

Centraal in deze zaal wordt het werk van Hepworth getoond in vitrines op mooie, speciaal voor de gelegenheid vormgegeven podia. Daar is goed te zien hoe de gesloten vorm van haar vroege sculpturen wordt geopend door de massa, aanvankelijk sporadisch en later ingrijpender, te doorboren en door lijnen in het oppervlak te kerven. Een korte begeleidende tekst wijst hier op de fallische vorm van sommige van de beelden, suggereert een seksuele lectuur van de doorboorde vormen en interpreteert sommige incisies als een poging om de figuur te laten samensmelten met haar seksuele identiteit. Jammer genoeg wordt die thematiek niet nader uitgewerkt. Een vergelijking met surrealistisch werk, in het bijzonder van Alberto Giacometti, zou de eigen aard van Hepworths werk hier hebben kunnen aanscherpen. Wel wordt getoond hoe het werk van Hepworth evolueert van compacte volumes naar een exploratie van ruimtelijke relaties. Eerst stelt ze haar beelden uit meerdere delen samen, om ze vervolgens ten opzichte van elkaar in de ruimte te positioneren, zij het altijd op een grondplaat die de onderlinge relaties stabiliseert. De betrekkingen blijven echter van louter plastische aard en spelen zich niet af in het psychische domein dat de surrealisten zo interesseerde. In dat opzicht voelde ze zich meer verwant met de – hier evenmin getoonde – constructivistische sculptuur van Naum Gabo, van wie ze de methode overnam om ruimte te geleden door middel van transparante, uit draden samengestelde vlakken.

Zaal drie en vier hebben ‘Evenwicht’ als overkoepelend thema. Het slaat zowel op formeel-artistieke elementen als op de verhouding tussen het spirituele en het aardse. Een belangrijk subthema betreft Hepworths relatie tot de natuur, die in de vertoonde film Figures in a Landscape uit 1953 nogal suggestief wordt geënsceneerd. De spirituele dimensies van haar werk berusten volgens de catalogus eerder op impulsen vanuit de ‘Christian Science’, maar die laten zich op zaal nu eenmaal niet zo gemakkelijk visualiseren.

Het tentoonstellingsparcours komt uit bij drie grote beelden van tropisch hardhout waarin scherp ingesneden openingen zicht geven op een binnenruimte die zich afhankelijk van de kijkpositie steeds anders aan de beschouwer voordoet. Soms hebben de wit geverfde uithollingen een met de guts aangebrachte ruwe textuur gekregen, die in sterk contrast staat met de donkere, glad afgewerkte, eerder bolle buitenkant. Zulke bewerkingen trekken het oog van de beschouwer het beeld in, maar tegelijk wordt hij ook op afstand gehouden: de ruimte aan de binnenzijde is niet die van de beschouwer, maar blijft altijd van het beeldhouwwerk zelf.

Hepworth probeerde door middel van (eigen) fotografie te verbeelden hoe haar beelden geplaatst en bekeken moesten worden. De laatste twee zalen worden verbonden met een fries van die foto’s onder de noemer ‘Sculptuur in scène gezet’. Het interessantst zijn hier de collages waarin ze uitgeknipte foto’s van haar beelden inplakte in foto’s van tuinen of van modernistische architectuur, waaronder Richard Neutra’s Silver Lake House. Achter deze collages gaat een – hier jammer genoeg niet gethematiseerd – langlopend debat schuil over de positie van sculptuur als autonome kunstvorm. In zijn essay Waarom beeldhouwkunst saai is uit 1848 had Charles Baudelaire zich verzet tegen het losmaken van de sculptuur uit de architectuur, omdat het verzelfstandigde beeldhouwwerk het publiek ertoe aanzette 'wel honderd verschillende standpunten in te nemen, maar nooit het juiste'. Sculptuur zou daarmee aan toevalligheden worden overgeleverd. Het modernisme vierde juist het beeldhouwwerk als een eigenstandige vorm met een interne logica die zich onafhankelijk van schaal of situering manifesteerde. Voor Hepworth was de instabiliteit die daaruit onvermijdelijk volgde blijkbaar toch een probleem, dat ze met haar voorstellen voor een ideale situering probeerde op te lossen. Ze was in ieder geval opgetogen over de plaatsing van haar beelden in het Rietveldpaviljoen in 1965.

Ook al staan die beelden er al vijftig jaar, het paviljoen vormt een belangrijke ‘buitenzaal’ van de tentoonstelling. Met hun openingen en holtes interageren deze bronzen nadrukkelijk met de omringende ruimte, maar het blijven toch op zichzelf betrokken beelden waar alles zich uiteindelijk afspeelt binnen de contour. De overwegend uit vlakken samengestelde architectuur van het paviljoen articuleert daarentegen veeleer de omringende ruimte dan het eigen (geïmpliceerde) volume. In het bijeenbrengen van beelden en paviljoen ontstaat zo een vruchtbare spanning tussen plasticiteit en ruimtelijkheid, tussen hakken en construeren.

De tentoonstelling laat zich echter niet zozeer in met de inbedding van Hepworths werk in een groter kunsthistorisch vertoog. Uiteindelijk laat ze de vraag open waar nu eigenlijk het belang van haar sculptuur voor de moderne wereld in gelegen is.

 

• Barbara Hepworth, Sculpture for a Modern World, tot 17 april in het Kröller-Müller Museum, Houtkampweg 6, 6731 AW Otterlo (031/859.12.41; kröllermuller.nl).