Christophe Van Gerrewey

DE WITTE RAAF

Editie 179 januari-februari 2016

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Das Bauhaus #allesistdesign

Het Bauhaus was een Duitse school die bestond van 1919 tot 1933, toen de nazi’s er een eind aan maakten. Ambacht, kunst en industrie werden er gecombineerd, met als resultaat een revolutionaire aanpak van vormgeving en design. Contemporaine critici hebben zowel de positieve als de negatieve kanten van het Bauhaus benadrukt. Siegfried Kracauer bijvoorbeeld beschouwde de modernisering van het wooninterieur als noodzakelijk. In 1927 schreef hij over de waarachtigheid van de nieuwe vormgeving: ‘Wanneer vrouwen en mannen ’s avonds fabriek of bureau verlaten en naar huis terugkeren, worden ze niet langer teruggeslingerd naar de vorige eeuw.’ Tegelijkertijd waarschuwde hij voor een louter optimistische interpretatie van het moderne wonen. Afscheid nemen van het goedgevulde, gezellige negentiende-eeuwse interieur met zijn geruststellende illusies was niet makkelijk. Het moderne interieur maakte het leven letterlijk lichter, maar ook harder, leger en zielloos. Het bleef voor Kracauer een onoplosbare vraag: als huizen generisch en zonder ornament worden ingericht, is de breuk met het verleden dan een stap in een therapeutisch proces, of een zoveelste symptoom van een minder betekenisvol bestaan?

Van die tragiek van de vooruitgang is op de tentoonstelling Das Bauhaus #allesistdesign in het Vitra Design Museum niets te merken. Het is voor het eerst dat dit instituut een uitgebreide selectie Bauhausstukken uit de eigen collectie toont, in combinatie met objecten uit andere verzamelingen. De hashtag in de titel vat de onderliggende boodschap samen: alles is design, en historische, ideologische of sociale verschillen en betekenissen spelen geen rol. Centraal staat de creativiteit van de designer en de manier waarop hij objecten vormgeeft, en het dagelijks leven positief beïnvloedt. De vraag of dit wel mogelijk is, en hoe dit zou kunnen gebeuren, komt nauwelijks ter sprake. Het project van het Bauhaus wordt met het actuele design gelijkgeschakeld – of in elk geval wordt meermaals een designobject of een archiefdocument uit de jaren twintig zonder verklaring naast een recent ontwerp gezet. In de bezoekersgids schrijft curator Jolanthe Kugler: ‘Het Bauhaus was het startpunt van een alomvattend designbegrip dat vandaag meer dan ooit vereist is. Met termen als social design, open design en design thinking wordt de discussie opnieuw geopend: hoe kunnen designers hun werk in een bredere context plaatsen en een bijdrage leveren tot het vormen van de samenleving? Het Bauhaus moet gezien worden als een open experimenteerveld voor een designdefinitie die opnieuw actueel is geworden in de context van 21e-eeuwse wijzigende processen van design, productie en gebruik.’

De expositie bestaat uit vier delen. In een eerste zaaltje worden tegen een zwarte achtergrond posters, pamfletten en tekeningen van Bauhaus getoond, vaak van pedagogische of wervende aard. Een voorbeeld is de affiche gemaakt door fotograaf Andreas Feininger samen met Hannes Meyer, directeur van 1928 tot 1930: een linkerhand wijst en weifelt tegelijkertijd; in eenvoudige letters luidt het opschrift: ‘junge menschen kommt ans bauhaus!’ Dit bezadigde historische overzicht wordt meteen met actuele documenten of designproducten aangevuld. Centraal, op een hoge tafel, staat Lego Buffet, gemaakt in 2010 door de Rotterdamse Studio Minale-Maeda, een hogelijk conceptueel tentoonstellingsobject dat weinig met een traditioneel modern en functioneel meubel te maken heeft. Lego Buffet bestaat uit 26.000 legosteentjes rond een aluminium structuur. Er zijn in de handel varianten beschikbaar, zoals een houten kastje van 3250 euro gemaakt voor designbedrijf Droog. Essentieel is het do it yourself-aspect: het meubel wordt aangeboden als bouwdoos, als een – in theorie – flexibel en uitbreidbaar element, waarvan de knopen en de verbindingen zichtbaar blijven. Dat is vandaag een van de impulsen achter het open en social design: de seriële top-downproductie van design voor de massa wordt vervangen door 'bottom-upobjecten' die door bewoners en gebruikers zelf worden gemaakt, of die er toch uitzien alsof ze nog moeten worden ‘afgewerkt’. Met andere woorden: iedereen is designer. Een crucialer verschil met de Bauhausproductie is moeilijk denkbaar, maar in het Vitra Design Museum wordt niet eens naar dat onderscheid verwezen.

In de tweede zaal worden historische objecten getoond, en meteen weer naast actueel design gezet. Een selectie vazen, tassen en kannetjes van Otto Lindig uit de jaren twintig – student en ateliermeester in de eerste, ambachtelijke periode van het Bauhaus – staat op dezelfde tafel als de R18 Ultra Chair van Clemens Weisshaar en Reed Kram: een hoekig, schril, futuristisch ding, in 2012 ontwikkeld in samenwerking met het designcenter van autofabrikant Audi. Hooguit toont deze combinatie dat er op een eeuw tijd onnoemelijk veel is veranderd. Dergelijke bruuske koppelingen worden in Das Bauhaus #allesistdesign voortdurend gemaakt, en ze lijken het gevolg van een dubbele onzekerheid. Enerzijds is een louter historische tentoonstelling op deze plek blijkbaar niet voldoende. De relevantie en de bruikbaarheid van de geschiedenis moeten meteen duidelijk worden, zonder oog voor nuance of verschil, en zonder argumenten of ideeën. Anderzijds lijkt het erop dat de oppervlakkige verwijzingen naar legendarische bronnen de actuele designproducten moeten verantwoorden.

Het thema in de derde zaal is ruimte en architectuur, waarbij vooral de individuele projecten aan bod komen van directeuren en architecten Walter Gropius, Hannes Meyer en Mies van der Rohe – hoewel ze eigenlijk losstaan van de Bauhausschool. Het is veelzeggend dat pas hier een item wordt getoond dat noch actueel, noch honderd jaar oud is: Autoprogettazione van Enzo Mari uit 1974, een boek dat bepalend is geweest voor de ontwikkeling van het DIY-design.

De vierde en laatste zaal is gewijd aan communicatie, en aan de public relations van het Bauhaus door middel van boeken, affiches en folders. Ook hier dient zich een verrassing aan, in de vorm van een handgeschreven document van de Belgische designer Thomas Lommée, bedenker van onder meer OpenStructures, een modulair constructiesysteem voor zowel meubels als huizen. In een tabel met twee kolommen, onder de hoofdingen yesterday (Bauhaus) en today, somt Lommée de talrijke verschillen tussen toen en nu op. Het Bauhaus presenteerde gedemocratiseerd design voor de massa, en probeerde functionele problemen in het dagelijkse leven op te lossen op grote schaal; de nieuwste designevoluties gaan over projecten waarmee de gebruikers zelf ‘aan de slag’ kunnen gaan, zonder grootse ambities, en met een meestal heel beperkte verspreiding. Het Bauhaus trachtte een revolutie tot stand te brengen; voor designers vandaag is evolutie belangrijker. In plaats van het wooninterieur te faciliteren en te moderniseren, lijkt het hedendaagse design het wonen te willen activeren door er een creatieve ‘uitdaging’ van te maken. Die lijst van belangrijke verschillen had de basis kunnen vormen van een rijkere tentoonstelling over het lot – en eigenlijk het verdwijnen – van de ideeën en concepten van het Bauhaus.

 

Das Bauhaus #allesistdesign, tot 28 februari in Vitra Design Museum, Charles-Eames-Straße 2, 79576 Weil am Rhein (07621.702.3200; design-museum.de).