Alied Ottevanger

DE WITTE RAAF

Editie 181 mei-juni 2016

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Marthe Donas. De Belgische avant-gardiste

Het Museum voor Schone Kunsten in Gent besteedt onder het directeurschap van Cathy de Zegher onder meer aandacht aan kunst van vrouwen die in de kunstgeschiedenis onderbelicht bleven. Na enkele groepsexposities met een deels 'feministische' insteek (zoals Les Jupons de la Revolution en Love Letters in War and Peace) is nu een overzicht te zien van de Belgische avant-gardiste Marthe Donas (1885-1967).

De tentoonstelling is chronologisch opgebouwd. Ze begint met Donas' eerste stappen in de Belgische kunstwereld in haar geboortestad Antwerpen. In 1914 vertrekt ze via Nederland naar Dublin, waar ze een opleiding tot glazenier volgt. In 1917 belandt ze in Parijs, waar ze bij André Lhote in de leer gaat, een relatie met Alexander Archipenko begint en haar doorbraak als avant-gardiste beleeft. Een jaar later leert ze Theo van Doesburg kennen, met wie ze in 1920 even samenwerkt. Vanaf 1919 wordt haar werk behalve in Parijs ook in Berlijn, Genève, Engeland en Nederland geëxposeerd. In 1921 wordt ze wegens ziekte gedwongen naar Antwerpen terug te keren, waar ze in contact komt met het modernistische milieu rond Jozef Peeters. Na 1923 steken artistieke twijfels op en in 1927 breekt ze (tijdelijk) haar loopbaan af.

Via de zaalteksten en documentair materiaal in de vitrines wordt gewezen op de invloed van André Lhote en Alexander Archipenko op haar kunst en carrière; eerstgenoemde enkel in artistiek en Archipenko daarnaast ook in promotioneel opzicht. Onder invloed van Lhotes kubisme verstrakte Donas haar figuurstukken en stillevens. De destijds spraakmakende sculpto-peintures van Archipenko – kleurrijke reliëfachtige schilderijen waarin uiteenlopende materialen zijn verwerkt, van textiel tot stukken metaal en hout – inspireerden haar om uitgeknipte stukjes stof en papier in haar werk te plakken. Vanaf eind 1917 trok ze met Archipenko geregeld naar een gehucht bij Nice, waar ze kubistische portretten, figuurstukken en stillevens met trompe-l’oeil-achtige effecten schilderde. Het merkwaardigst zijn de stillevens. Materialen zoals kant en jute worden er gecombineerd met geschilderde, subtiel verglijdende schaduwen, die een bedrieglijk reliëf aan het schilderij verlenen. Dat driedimensionale effect wordt versterkt door het illusionistische fijnschilderen dat met name bij de weergave van metaal, glas of spiegels zeer effectief is. Bijzonder zijn ook de schildertrucs waarmee ze de expressie van haar kubistische schilderijen opvoert; zo trekt ze met een kam golvende lijnen in de pasteus aangebrachte verf en voegt ze zand aan de verf toe, waardoor ruwe en 'gepleisterde' partijen ontstaan die met de glad geschilderde oppervlakken contrasteren. Al deze elementen verlevendigen haar decoratieve en collageachtige werk, en dwingen – naast haar sprekende kleurgebruik – bewondering af bij liefhebbers van de avant-garde. Of ze net zo verrassend en revolutionair overkomen als Archipenko’s sculpto-peintures is in Gent jammer genoeg niet te beoordelen omdat voorbeelden van deze laatste ontbreken. Wel worden twee bronzen en gouaches van Archipenko getoond, maar die maken beduidend minder indruk dan zijn iconische topwerken waarvan er enkele in de begeleidende monografie over Donas zijn afgebeeld. Van Lhote is geen werk opgenomen. Ook van Van Doesburg is niets te zien, terwijl hij Donas nochtans heeft aangemoedigd om verder in de richting van de abstractie te evolueren.

In het bijzonder van de promotie en verspreiding van Donas' werk geeft de tentoonstelling een goed beeld. Om te beginnen is de rol van Archipenko hier van belang. Vanaf omstreeks 1919-1920 introduceerde hij Donas in zijn avant-gardenetwerk. Hij nam haar op in La Section d’Or, een nogal exclusieve club neokubisten onder zijn leiding. Hij zond reproducties van en teksten over haar werk toe aan Herwarth Walden (drijvende kracht van de galerie en het gelijknamige tijdschrift Der Sturm in Berlijn), Theo van Doesburg (centrale figuur van De Stijl en drijvende kracht achter het gelijknamige tijdschrift) en Enrico Prampolini (die tentoonstellingen organiseerde in Italië en het blad Noi uitgaf). Vermoedelijk onder impuls van Archipenko werd Donas' werk hierbij gepresenteerd onder het genderneutrale pseudoniem Tour Donasky – later kortweg Tour Donas – zodat haar kunst op hetzelfde niveau als die van haar mannelijke collega's zou worden beoordeeld. Die aanpak had succes, want in de periode 1920-1923 nam elk van de genoemde voormannen werk van haar op in door hen georganiseerde tentoonstellingen. Bovendien reproduceerden Van Doesburg en Walden werken van Donas in hun tijdschriften. Het maakte Donas’ werk bekend bij de inner circle van de avant-gardekenners. Zo kocht Katherine Dreier, voorvechtster van abstracte kunst in Amerika, vier werken van Donas bij Galerie Der Sturm. Het is fantastisch om die schilderijen nu in Gent bij elkaar te zien, maar het maakt ook nieuwsgierig naar andere verwervingsgeschiedenissen, en die komen helaas noch in de tentoonstelling, noch in het boek aan bod.

Al tijdens haar contact met Van Doesburg moet Donas aan de ingeslagen weg van de abstractie hebben getwijfeld. Ging ze niet te ver? Werd die kunst wel begrepen? Haar antwoord was kennelijk negatief: in de loop van de jaren twintig keerde ze terug naar herkenbare figuurstukken, portretten en stillevens, in een vlakkere en meer schilderkunstige kubistische stijl. In 1927 stopte ze met haar kunstenaarspraktijk om die pas na de Tweede Wereldoorlog te hernemen. Noemenswaardige stappen zette ze niet meer; haar kunst werd in die jaren nog wel geëxposeerd, maar haar vooroorlogse succes en faam wist ze niet te evenaren.

Naast de ontwikkeling van haar kunst, wordt in Gent de tentoonstellingsgeschiedenis van Donas' werk naar voren gebracht. Dat gebeurt overigens niet voor het eerst. In 2013 was haar werk ruim vertegenwoordigd in de grote expositie Modernisme. Belgische abstracte kunst en Europa, eveneens in het Gentse museum. In het uitgebreide overzicht van Sturm-Frauen. Künstlerinnen der Avantgarde in Berlin 1910-1932 in de Schirn Kunsthalle in Frankfurt (2015-2016) – waar ze als enige Belgische kunstenaar figureerde – werd bovendien veel aandacht besteed aan de presentatie van haar werk in tentoonstellingen die door Walden werden georganiseerd, in Berlijn en elders. Tot slot zijn er de laatste jaren ook wat kleinere exposities aan haar kunst gewijd, onder meer vorig jaar in het Marthe Donas Museum in Ittre, dat sinds 2010 elk weekend de deuren opent.

Peter J.H. Pauwels en Kristien Boon bieden in hun Engelstalige boek een mooi en uitvoerig overzicht van Donas’ loopbaan, waarbij ook veel (vooralsnog) niet achterhaalde werken worden betrokken en gereproduceerd. De ondernemingsgeest van Donas wordt op treffende wijze geschetst. Net als de tentoonstelling is de publicatie chronologisch opgebouwd: na de aanloop en het vroege hoogtepunt volgt een minder interessante periode; en tot slot wordt aandacht besteed aan de herontdekking van haar vroege kunst. Dat chronologische richtsnoer werkt in het boek overigens beter dan in de tentoonstelling, waar men wellicht beter had gekozen om clusters van Donas' meest belangwekkende werken te koppelen aan inspirerende voorbeelden en werk van gelijkwaardige internationale kunstenaars. Daarbij had men uit kunnen gaan van werken die te zien waren in de belangrijkste groepstentoonstellingen waaraan ze deelnam. Weliswaar waren er dan gaten gevallen in het tijdsbeeld – er zijn immers ook periodes waarin ze niet tentoonstelde – maar die opzet had ons wellicht dichter bij de kern van haar bijdrage aan de avant-garde gebracht. Het zou duidelijk hebben gemaakt dat zij geen voortrekker was, dat haar ontwikkeling niet van doorslaggevend belang was voor de avant-garde, en dat ze haar bijdrage aan de ontwikkeling van de kunst deelt met vele van haar collega’s. In het boek wordt die bijdrage treffend verwoord door Dreier die over deze groep stelde: ‘They form the broad base from which the most progressive art of our time evolved.’ (p. 155)

 

Marthe Donas. De Belgische avant-gardiste, tot 5 juni in het Museum voor Schone Kunsten, Fernand Scribedreef 1, Citadelpark, 9000 Gent (09/240.07.00; mskgent.be).

• Peter J.H. Pauwels & Kristien Boon, Marthe Donas. A Woman Artist in the Avant-Garde, Antwerpen, Ludion, 2015 (03/297.49.01; ludion.be). ISBN 978949189414.