Steven Humblet

DE WITTE RAAF

Editie 181 mei-juni 2016

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Seydou Keïta

Het fotografisch avontuur van de Malinese fotograaf Seydou Keïta (1921-2001) begint eerder bescheiden. Terwijl hij nog werkt als timmerman, trekt hij in zijn vrije uren en dagen eropuit om als ambulant fotograaf van deur tot deur zijn diensten aan te bieden. Het werk bevalt hem en blijkbaar is ook zijn cliënteel tevreden, want het levert uiteindelijk een inkomen op dat voldoende is om van te leven. In 1945 koopt hij een grootbeeldcamera en drie jaar later opent hij in Bamako een portretstudio. In 1960 wordt Frans Soedan onafhankelijk en verandert het land zijn naam in Mali. Enkele jaren na de installatie van het nieuwe regime, verzoekt de minister van informatie Keïta vriendelijk, maar met aandrang om voor de regering te komen werken. De commerciële portretfotograaf Keïta wordt nu propagandafotograaf in dienst van het heersende bewind. In het begin van de jaren negentig wordt hij ‘ontdekt’ door Susan Vogel, een Amerikaanse curator. Zij toont een aantal van zijn portretten in een tentoonstelling gewijd aan 20e-eeuwse Afrikaanse kunst. Omdat ze tijdens haar reis in Afrika haar notities en daarmee ook de naam van de fotograaf is kwijtgespeeld, blijven de beelden anoniem. Jean Pigozzi, een fotograaf en verzamelaar van Afrikaanse kunst, ziet de beelden en stuurt André Magnin, de curator van zijn collectie Afrikaanse kunstwerken, naar Mali om de identiteit van de fotograaf te achterhalen. Magnin keert in 1992 terug met zo’n negenhonderd negatieven uit het atelier van Keïta, laat er nieuwe prints van maken, stelt ze tentoon en verkoopt ze aan verzamelaars, galeries en musea. Keïta’s fotografische identiteit verandert voor een tweede keer, nu van portret- en propagandafotograaf naar toonbeeld van autonome Afrikaanse fotokunst. Een internationale carrière begint… en een conflict tussen Keïta en Magnin barst los. De fotograaf beschuldigt zijn promotor ervan nieuwe prints te hebben gemaakt zonder zijn toestemming en op sommige zijn handtekening zelfs te hebben nagebootst. Nog voor de rechtbank zich kan uitspreken, sterft Keïta.

De tentoonstelling, grotendeels geput uit de collectie-Magnin, laat deze juridische controverse links liggen en beperkt zich tot het louter presenteren van Keïta’s portretwerk (van zijn werk als 'staatsfotograaf' zou niets meer bewaard zijn). Ze maakt daarbij vooral gebruik van de moderne prints die in de jaren negentig in opdracht van Magnin en, als we hem mogen geloven, met goedkeuring en onder supervisie van Keïta, opnieuw zijn geprint. Het zijn de portretfoto’s van Keïta zoals het Europese publiek ze kent: grote tot reusachtige prints, contrastrijk afgedrukt, uitermate scherp en gedetailleerd. De kijker wordt vergast op kunstige beelden van overweldigende lichamen. Wie zien we? Een man of vrouw, alleen of in groep, een koppel, ouders en kinderen, altijd geplaatst tegen de achtergrond van een rafelig doek met drukke patronen. Sommige vrouwen liggen langoureus uitgestrekt voor de camera, en spreiden hun lange, met geometrische figuren bedrukte jurk met een weids gebaar uit (soms denk je: wat is hier eigenlijk het onderwerp, de vrouw of haar jurk?). Andere maken dan weer gretig gebruik van de door de fotograaf ter beschikking gestelde attributen (een fiets, een radio, een bromfiets en op een bepaald moment zelfs een auto). Elk portret lijkt de uitkomst van een gesprek, niet alleen van het model met zichzelf en met de fotograaf, maar ook met een afwezige derde voor wie het portret bestemd is (een vriend, geliefde, een ver familielid). Het verklaart de wat aangedikte, theatrale pose waarmee de geportretteerde zich uitdrukt. Maar met die pose lijkt nog iets anders aan de hand. Kijk hoe het model zich (letterlijk) in allerlei bochten wringt om zijn pols zo te draaien dat we toch maar zijn of haar uurwerk zullen zien (verdacht vaak gaat het overigens om hetzelfde uurwerk…). Men toont zich modern, mee met de tijd, men presenteert zich als ‘evolué’, maar toch is men nooit het slachtoffer van die imitatiedrang. De geportretteerde gebruikt het door Europa aangereikte materiaal (gebruiksvoorwerpen, kledij, poses) wel, maar altijd met die lichte overdrijving waardoor het op slag zijn sérieux verliest. Men speelt het Europese type, niet uit een verlangen om ermee samen te vallen, maar als een vrijblijvend spel waar men zo weer in- en uitstapt.

Achteraan de expositieruimte is een zaal ingericht met ‘vintage prints’, afdrukken door Keïta zelf kort na de opname gemaakt en bestemd voor zijn klanten. Het zijn kleine beelden, niet groter dan het negatief en vaak zacht afgedrukt. Sommige werden aangetroffen in zijn atelier, de meeste werden echter teruggevonden bij de vaste lijstenmaker van de fotograaf. De door de tijd en slijtage aangevreten ‘vintage prints’ tonen het leven van de afbeeldingen nadat ze het atelier van de fotograaf hebben verlaten: de fraaie, soms wat bombastische lijsten, de aanpassingen naderhand, de opvallende inkleuringen (in veel prints zijn bepaalde details ingekleurd, zoals een hoofddoek, enkele juwelen, een halsketting, oorbellen). De opwaardering van het fysieke object maakt niet alleen duidelijk dat de portretten als precieuze objecten werden gekoesterd, maar ook dat ze een bij uitstek openbaar leven leidden: ze werden gemaakt om getoond, om gedeeld te worden. Deze bij uitstek sociale functie helpt meteen ook de uitbundigheid van de pose verklaren: het lichaam ageert opdat de kijker zou reageren. Het portret is de openingszet van een dialoog tussen diegene die zich ermee toont en diegene die het bekijkt. In die zin biedt de ruime presentatie van Keïta’s ‘vintage prints’ – het is de eerste keer dat er zoveel zijn samengebracht in één tentoonstelling – dan ook een uitgelezen kans om de specifieke culturele en sociale context te duiden waarbinnen het Afrikaanse portret (en dus ook Keïta’s portretstrategie) functioneert. Maar dat gebeurt jammer genoeg niet. De tentoonstellingsmakers blijven opereren binnen een Europese museale logica waarbij de ‘vintage print’ geëxploiteerd wordt als het fotografische object dat het dichtst bij de fotograaf staat (en vooral daaraan zijn waarde ontleent), niet als een bij uitstek meerzinnig cultureel artefact dat zorgvuldig ondervraagd en bestudeerd moet worden.

 

Seydou Keïta, tot 11 juli in Grand Palais, 254/256 rue de Bercy, 75577 Parijs (01/40.13.48.00; grandpalais.fr).