Janno Martens

DE WITTE RAAF

Editie 181 mei-juni 2016

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Wonen in de Amsterdamse school

Hetzelfde museum dat in 1975 een primeur had met het eerste museale overzicht van de Amsterdamse School, besteedt thans met de tentoonstelling Wonen in de Amsterdamse School exclusief aandacht aan het interieur in deze stijl. Het anders zo kosmopolitische Stedelijk Museum kon voor deze expositie haar internationale netwerk onbenut laten en ongebruikelijk dicht bij huis blijven; de massieve meubels en gebruiksvoorwerpen hebben stads- en landsgrenzen nu eenmaal maar zelden overschreden. Niet dat de onderneming er bescheidener om was: tijdens een inmiddels tien jaar durend onderzoek werden vele duizenden objecten opgespoord, geïnventariseerd en in bruikleen genomen van particuliere verzamelaars en liefhebbers.

De tentoonstelling legt — in tegenstelling tot wat de titel wellicht suggereert — sterk de nadruk op de objecten zelf, in plaats van bijvoorbeeld de realiteit van het wonen in een Amsterdamse Schoolwoning. Die laatste benadering zou visueel ook weinig interessant zijn: het gros van wat de Amsterdamse School bouwde waren sociale woningen, waarvan de architecten het sobere interieur niet mochten bepalen. Een interieur van de Amsterdamse School laat zich kenmerken door een kleurrijke stijl, duidelijk door het expressionisme beïnvloed, met rijke ornamenten, kostbare materialen en een luxueuze, ambachtelijke afwerking. Daarom waren echte totaalontwerpen eigenlijk alleen weggelegd voor speciale gebouwen als het huidige hotel Amrâth, dat in 1916 voltooid werd als Scheepvaarthuis.

Het beeldbepalende object van de tentoonstelling is zonder twijfel de klok. Dit object kwam tijdens het vooronderzoek met voorsprong het vaakst langs, en is daarom ook min of meer het vignet van de expositie geworden. De krenten uit de pap, zo’n 30 stuks, begroeten de bezoeker in de eerste zaal op een soort apenrots. Een interessante opener, omdat zo meteen een kenmerkend aspect van de Amsterdamse School duidelijk wordt: een grote diversiteit in ornament en afwerking kan toch duidelijk onder één stijl vallen. Hierna volgen zes grote zalen over respectievelijk het eerder genoemde Scheepvaarthuis; de architecten Michel de Klerk, Piet Kramer en Jan van der Mey (de drie ‘grondleggers’ van de Amsterdamse School); de beeldhouwer Hildo Krop; en de typografie van de Amsterdamse School.

De tentoonstelling probeert een ‘totaalervaring’ te creëren. De objecten — variërend van stoelen, klokken en lampen tot meer onorthodoxe voorwerpen als babywiegen en radiatorschermen — worden niet tegen een neutrale witte achtergrond getoond, maar door middel van muziek en grote muurfoto’s in een alomvattende sfeer ondergedompeld. Terwijl de vaste collectie een paar zalen verder zich steevast tot designobjecten op witte podia beperkt, is hier duidelijk aandacht besteed aan de historische en functionele context van de meubels. Zo worden ze regelmatig gepresenteerd als onderdeel van een (deels) ingerichte kamer, terwijl de eerder genoemde foto’s op de achtergrond behang of lambrisering emuleren — een welkome uitnodiging om zich de objecten in hun oorspronkelijke omgeving voor te stellen. De muurfoto's worden ook ingezet om de blik scherp te stellen: ze tonen bijvoorbeeld de onberispelijke detaillering van een armleuning die anders misschien over het hoofd was gezien.

Na de grotere zalen vervolgt de expositie met een aantal kleine ruimtes waar slechts aan één zijde langs kan worden gelopen, en waarin arrangementen van objecten zijn ondergebracht die nog wat esthetiserender zijn. Soms werkt dit vrij goed, zoals bij de compositie bestaande uit massieve ornamenten afkomstig van de Bijenkorf in Den Haag. Elders levert het een ietwat gênant schouwspel op. In de kamer die is gewijd aan Nederlands-Indië en de invloed ervan op de Amsterdamse School, wordt weinig meer gedaan dan een oriëntalistische stemming creëren, compleet met exotische muziek en dito kleurenpalet — een interessante toelichting van de daadwerkelijke overeenkomsten blijft afwezig. Een euvel dat overigens meer zalen teistert: inzichten over verbanden en verschillen met andere stijlen uit de tijd blijven veelal beperkt tot bijzinnen in de muurteksten.

Nog verderop kent de tentoonstelling een intermezzo in de vorm van een ‘werkplaats’. Hier kunnen bouwpakketten van verscheidene typen Amsterdamse Schoolklokken in elkaar worden gezet. De zaal probeert bovendien inzicht te geven in de technische aspecten en de verschillende vormen van kleur- en materiaalgebruik die de Amsterdamse School kenmerken. Helaas blijven deze in principe interessante aspecten van het meubelontwerp onderbelicht doordat ze ondergeschikt zijn gemaakt aan het obligate interactieve onderdeel van de expositie: de nadruk ligt duidelijk bij de knutseltafel.

De tentoonstelling sluit af met twee zalen die het principe van de totaalervaring trouw blijven, maar dit op andere manieren vormgeven dan eerdere ruimtes. In de op een na laatste zaal is een grote variëteit aan objecten, van zeer klein tot vrij groot, uniform opgesteld op een forse stellage die haast uit een opslagdepot afkomstig lijkt. Deze manier van tentoonstellen heeft een nivellerend effect op de individuele objecten; hun specificiteit wordt tenietgedaan door de archiefachtige presentatie — wat eerder in de tentoonstelling juist zo effectief werd vermeden! In de laatste zaal wordt het materiaal gelukkig een stuk beter gepresenteerd. Onder het breed opgevatte thema ‘theatraliteit’ wordt een verzameling lampen en glas-in-lood getoond. Net zoals bij de opening worden ze op ongebruikelijke wijze tot één coherent geheel gegroepeerd. Tegelijkertijd behouden de lampen hun individualiteit.

Wanneer de uitgang je uiteindelijk weer confronteert met het ontnuchterende en haast verblindende wit dat de rest van het Stedelijk karakteriseert, is plots duidelijk hoe fel de georkestreerde sfeer van de expositie afsteekt bij de generieke moderne tentoonstellingsvorm – een verfrissend voorbeeld van een aanpak die het paradigma van de white cube overboord gooit. Het meest geslaagd is de tentoonstelling waar een originele presentatievorm wordt verzoend met de autonomie van de objecten. Soms neemt de vorm echter de overhand op het object, en dat schaadt de informatieoverdracht. Dat is des te jammerder wanneer we bedenken dat hier een uitgebreid vooronderzoek — dat leidde tot een liefst 304 pagina’s tellende publicatie — aan voorafging. Hoewel Wonen in de Amsterdamse School voor het eerst breed ingaat op de vormgeving binnen deze architectuurstijl, en we daarmee weliswaar een ‘gevoel’ krijgen voor het interieur, worden de kunsthistorische inzichten die hieraan ontleend werden helaas nauwelijks aan ons overgedragen.

 

Wonen in de Amsterdamse School, tot 28 augustus in het Stedelijk Museum Amsterdam, Museumplein 10, 1071 DJ Amsterdam (020/573.29.11; stedelijk.nl).