Roosmarijn Hompe

DE WITTE RAAF

Editie 182 juli-augustus 2016

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

The Next Big Thing is Not a Thing. Surveying the Design Discipline

Massoud Hassani (1983) ontvluchtte Afghanistan en werd opgeleid aan de Design Academy in Eindhoven. Zijn eindexamenwerk Mine Kafon (2012), een door de wind voortbewogen mijnenveger, baseerde hij op zelfgemaakt speelgoed uit zijn jeugd. Hij ontwierp de mijnenveger met zijn door oorlog geteisterde vaderland in zijn achterhoofd. De Mine Kafon werd geprezen omdat hij een persoonlijk verhaal en een sociale missie verenigt met een mooi ontwerp. In 2013 werd de Mine Kafon zelfs aangekocht door het MoMA. Kort na zijn afstuderen werd Hassani in een klap wereldberoemd én onderwerp van een felle discussie over de staat van het Nederlandse ontwerponderwijs in het algemeen en het bestaansrecht van de Mine Kafon in het bijzonder. Aanleiding voor deze discussie was een kritisch artikel van de Delfts-Leidse designprofessor Timo de Rijk in het NRC Handelsblad (12 februari 2013). De Rijk verwijt Hassani met zijn ontwerp aan inwoners van (voormalige) oorlogsgebieden een vals gevoel van veiligheid te geven: de Mine Kafon kan immers niet systematisch een mijnenveld schoonvegen. Volgens De Rijk is de Mine Kafon een schoolvoorbeeld van een ontwerp dat zijn sociale ambitie niet waar kan maken omdat het functioneel niet deugt. Verder stelt De Rijk dat 'uitsluitend het persoonlijke als enige leidraad nemen […] om vervolgens de communicatief sterkste ideeën esthetisch uit te vergroten […] een techniek [is] die het weliswaar goed doet voor publieke presentaties, maar die funest is voor een werkelijk krachtig ontwerp, van welke conceptuele of abstracte soort dan ook’.

In de tentoonstelling The Next Big Thing is Not a Thing, die op dit moment te zien is in Bureau Europa in Maastricht, wordt de Mine Kafon gepresenteerd in een sectie over het thema ‘De veranderende houding en opgave van de designer/antropoloog’, naast de bekende modulaire en duurzame smartphone Phonebloks (2013) van ontwerper Dave Hakkens (1988) en het Berlijnse project Cucula (2014) waarbij vluchtelingen de mogelijkheid krijgen om in hun eigen toekomst te investeren door de productie van meubels naar het ontwerp van Enzo Mari (1932). In de gids bij de tentoonstelling worden bij de drie hierboven genoemde projecten vragen gesteld als: ‘Wat is de rol van conceptueel design in het adresseren van echte wereldproblemen?’, ‘Kan open-source, modulair ontwerp het gevecht aangaan met verouderde inbouw producten?’ en ‘Kan design een rol spelen in het verbeteren van de huidige realiteit van vluchtelingen?’

Rond de tentoonstelling is weinig publiciteit gemaakt, hoewel ze is samengesteld door een vijfkoppig curatorenteam bestaande uit Pauline Doutreluingne, Agata Jaworska, Yana Milev, Niels Schrader en Saskia van Stein (directeur van Bureau Europa) en er werk te zien is van meer dan vijftig internationale ontwerpers en kunstenaars. Daarnaast is bij de tentoonstelling een kloeke tentoonstellingsgids verschenen waarin alle zaalteksten en bijschriften zijn gebundeld. In deze uitgave is ook een stevig theoretisch essay opgenomen van Yana Milev, wier onderzoek en publicatie Design Antropology als inspiratie voor de tentoonstelling diende. Zij stelt dat het uitgestrekte veld van design alleen kan worden overzien vanuit een antropologisch perspectief waarbij design breed wordt opgevat als culturele productie. Deze opvatting van design steunt op drie pijlers: segno (semiotiek), mythus (mythologie) en technè (ambacht).

Die theoretische basis is vertaald in een structuur met vier hoofdstukken die elk een zaal beslaan waarbij het laatste hoofdstuk, dat de grootste ruimte toebedeeld kreeg, op zijn beurt in drie secties is opgedeeld. De hoofdstukken behandelen achtereenvolgens het standpunt van de ontwerper, de multi-interpreteerbaarheid van (ontworpen) mythes, tekens en symbolen, de verruiming van de mogelijkheden van de mens door technologische innovaties en ten slotte de veranderende rol van de ontwerper, die steeds vaker de pet op zet van antropoloog, journalist, politicus, ecoloog of hulpverlener. Het overkoepelende vraagstuk dat het curatorenteam van deze tentoonstelling wil onderzoeken is: ‘Wat zijn de grenzen aan de steeds verder uitgewaaierde designdiscipline?’

Veel van de gepresenteerde projecten maken iets zichtbaar dat doorgaans onzichtbaar blijft. Daarbij gaat het soms letterlijk om fysieke ruimtes, zoals bij het project Seamless Transitions (2015) van de Brit James Bridle (1980) waarin op basis van onderzoeksjournalistiek en met behulp van architectonische renderings drie gebieden van restrictief immigratiebeleid worden gevisualiseerd: de rechtszaal waarin immigranten te horen krijgen dat hun asielaanvraag is afgewezen, een detentiecentrum waar ze hun gedwongen uitzetting afwachten en ten slotte het deel van de luchthaven waar hun vliegtuig naar het land van herkomst vertrekt. Een ander voorbeeld is Refugee Republic (2014), een webdocumentaire samengesteld uit film, fotografie, tekeningen en geluidsopnames waarin de kijker wordt rondgeleid door Camp Domiz, een Syrisch vluchtelingenkamp in het noorden van Irak. Of het gaat om een verbeelding van feitelijk onzichtbare systemen of processen, zoals bij de Random Darknet Shopper (2014-2015) van !Mediengruppe Bitnik, die met een budget van honderd dollar in bitcoins wekelijks een willekeurige aankoop doet in de clandestiene marktplaatsen van het darkweb, een verborgen deel van het internet.

Er is in de tentoonstelling een vreemd soort paradox te constateren, die ook al spreekt uit de titel The Next Big Thing is Not a Thing. Als deze titel letterlijk wordt opgevat, dan zou dit betekenen dat de volgende generatie ontwerpers geen tastbare voorwerpen meer maakt, maar processen of diensten ontwerpt. De vraag is of een dergelijke constatering uitnodigt tot het maken van een tentoonstelling. Daarnaast zijn er voor de tentoonstelling diverse projecten geselecteerd die niet (in de eerste plaats) als ontwerp bedoeld zijn. Zo wordt er behalve werk van enkele kunstenaars bijvoorbeeld ook een serie forensische foto’s getoond van plaatsen in New York waar in de periode 1914-1918 moorden werden gepleegd. De foto’s documenteren niet alleen een plaats delict, maar staan volgens de samenstellers van de tentoonstelling tevens symbool voor de opkomst van de forensische wetenschap.

In de tentoonstellingsgids wordt de veranderende rol van de designer gekarakteriseerd als die van een spin-in-het-web, die oppikt wat er in de maatschappij speelt en dit op innovatieve wijze omvormt tot wat voor ontwerp dan ook. Het gaat daarbij niet meer om het maken van producten, maar het ontwerpen van processen. Het is duidelijk dat deze makers zich niet wensen te profileren als de technische probleemoplossers waar veel industriële ontwerpers nogal eens voor worden versleten. Objectief functionalisme heeft plaatsgemaakt voor subjectief engagement. Maar of de wereld en het vak van de ontwerper daarmee zijn geholpen, is een vraag waar ook deze tentoonstelling geen eenduidig antwoord op kan geven.

 

The Next Big Thing is Not a Thing. Surveying the Design Discipline, tot 10 juli in Bureau Europa, Boschstraat 9, 6211 AS Maastricht (043/350.30.20; bureau-europa.nl).