Jeroen Staes

DE WITTE RAAF

Editie 182 juli-augustus 2016

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

This is the Ghost of James Lee Byars Calling

In de loop van het jaar 1969 organiseerde James Lee Byars in drie verschillende steden ter wereld performances onder de titel This is the Ghost of James Lee Byars Calling. De performance vond iedere dag plaats tussen 14 en 18 oktober 1969 in de Eugenia Butler Gallery (Los Angeles) in het kader van het tweedelige tentoonstellingsproject Byars at Butler. Voor Shutting Up Genie, het eerste luik van dit project, had Byars een muur laten bouwen rond het kantoor van zijn Amerikaanse galeriste – Eugenia Butler alias ‘Genie’. Hij ontzegde haar de toegang tot de tentoonstellingsruimte. Byars gaf eveneens de instructie om de naam van de galerie van de gevel van het gebouw te halen. Op een witte binnenmuur, die zichtbaar was vanaf de straat, liet hij de tekst Shutting Up Genie aanbrengen. Dit eerste deel liep van 7 tot en met 11 oktober. [1] In het begeleidende persbericht van de galerie wordt vermeld dat de kunstenaar voor het tweede deel, genaamd This is the Ghost of James Lee Byars Calling, de hele ruimte met rode lakverf liet herschilderen en alle lichtbronnen liet verwijderen. De bezoekers konden de ruimte enkel betreden via een klein gat in de muur. [2] Had Byars zijn galeriste in het eerste deel van het project nog verhinderd de ruimte te betreden, dan kreeg ze in het tweede deel de opdracht om in de galerie aanwezig te zijn en met de bezoekers te praten over zijn werk. Volgens de perstekst was het Byars' bedoeling dat zijn werk en zijn persoon aan de hand van conversaties konden worden ‘gereconstrueerd’. Er staat letterlijk: 'There will be five days of hubbub about Byars. Eugenia Butler is allowed in the exhibition space to talk about Byars to people who come in, and to reconstruct his work and his lifestyle by conversation.' Daarenboven zouden van over de hele wereld telegrammen van kennissen van Byars naar de galerie worden gezonden, waar ze konden worden ingezet tijdens het ‘reconstructieproces’. Hoe dit precies gebeurde, is onduidelijk. Las Eugenia Butler of iemand anders de ingestuurde boodschappen voor of werden de telegrammen gepresenteerd in de tentoonstellingsruimte?

Een andere versie van This is the Ghost of James Lee Byars Calling kwam tot stand tijdens de door Konrad Fischer en Hans Strelow georganiseerde tentoonstelling Prospect 69 in de Kunsthalle Düsseldorf. Het was de tweede aflevering van een manifestatie die bedoeld was als een alternatief voor de kunstbeurs van Keulen. Een door de organisatoren samengesteld comité selecteerde galeries die op hun beurt kunstenaars uitnodigden. Byars verklaarde later dat hij teleurgesteld was dat de Wide White Space Gallery hem niet had geselecteerd voor Prospect 69. [3] Anny De Decker had de voorkeur aan andere kunstenaars gegeven. Via Eugenia Butler kon Byars alsnog een bijdrage leveren aan de alternatieve kunstbeurs. Net als in Los Angeles presenteerde hij een volledig rode kamer, waarin alleen een klein bordje met de titel van het project aangebracht was. Niemand minder dan Joseph Beuys kwam Byars tijdens de eerste dag in de rode ruimte omhelzen. Dit was op voorhand niet gepland, maar Byars verzocht de Duitse kunstenaar vervolgens om dit gebaar dagelijks te herhalen tijdens de tentoonstelling, die liep van 30 september tot 12 oktober 1969. Het is niet geweten of Beuys gevolg gaf aan Byars' oproep; de Amerikaanse kunstenaar was zelf in ieder geval niet alle dagen aanwezig tijdens de duur van de tentoonstelling.

Op 5 oktober 1969 vormde het Antwerpse alternatieve kunstcentrum A 37 90 89 het decor van de derde versie van de performance This is the Ghost of James Lee Byars Calling. Een kamer van het pand in de Beeldhouwersstraat werd helemaal rood geschilderd; 37 genodigden – een verwijzing naar Byars’ leeftijd in 1969 – werden verzocht om zich zoveel mogelijk in het rood te kleden. Alle gasten kregen van de kunstenaar een rode stift en enkele vijfhoekige kaartjes om notities te maken. De achterzijde van de kaartjes was blanco, de voorzijde goudkleurig en bedrukt met de titel van de performance en het adres van de Eugenia Butler Gallery in Los Angeles (in rode letters). Het ging met andere woorden om de uitnodigingskaart van Byars’ tentoonstelling in Los Angeles. Ooggetuige Anny De Decker, medeoprichter van A 37 90 89, herinnerde zich dat Byars aan een hels tempo vragen op de deelnemers afvuurde, waarop zij dan een antwoord moesten noteren. [4] Deze replieken werden volgens De Decker diezelfde dag nog naar Eugenia Butler in Los Angeles verstuurd. Georges Adé, auteur en net zoals De Decker een van de oprichters van A 37 90 89, was ook een van de 37 genodigden. In een korte tekst over Byars' activiteiten in België tussen 1969 en 1973 stelde hij dat Byars exact 37 anekdotes over zijn leven vertelde. [5] Hij herinnerde zich met andere woorden niet dat Byars vragen stelde. Op een ander punt stemt Adés versie van de feiten wel overeen met die van De Decker: net als zij geeft hij aan dat de genodigden notities maakten op de vijfhoekige uitnodigingskaarten. Anders dan De Decker was Adé echter van mening dat in de galerie van Eugenia Butler exact dezelfde performance had plaatsgevonden. Dit lijkt erg onwaarschijnlijk, aangezien in de perstekst van de Amerikaanse galerie vermeld werd dat in de galerie getuigenissen over Byars werden ingewacht. Het is onmogelijk om met zekerheid te stellen of Byars vragen stelde of persoonlijke anekdotes vertelde aan de participanten in Antwerpen. De notities op de overgebleven uitnodigingen brengen ons op dit vlak weinig bij. Hierop kunnen we zeer uiteenlopende en ondoorgrondelijke statements lezen, zoals: 'Never a dull moment, it lasts the whole evening' of 'Purple rings on the church door next to Sak’s at Easter'.    

Hoewel op dit moment geen sluitende informatie over deze continent-overschrijdende performance beschikbaar is, laten bepaalde gegevens ons wel toe betekenis te geven aan Byars’ ambitieuze onderneming en de actie te kaderen in zijn bredere artistieke praktijk. Dat Byars 'figuurlijk' aan de bezoekers in Los Angeles wilde verschijnen door middel van korte statements van anderen over hem, verraadt duidelijk zijn fascinatie voor de eigen biografie. Eerder dat jaar had de kunstenaar in de Wide White Space ook al rond dit onderwerp gewerkt. In de performance 1000 Minutes of Attention or ½ Autobiography of James Lee Byars en het bijhorend kunstenaarsboek bundelde de kunstenaar zinnen waarmee hij terugblikte op zijn leven en carrière. Ook deze zinnen – 'A single sentence may be a complete autobiography' – kunnen als aansporingen voor een reconstructieproces worden beschouwd.

De vorm van de uitnodigingen, die zowel in Los Angeles als in Antwerpen gebruikt werden, was allesbehalve willekeurig. Met de vijfhoekige kaart wilde Byars refereren aan het Pentagon. In deze periode drukte Byars meermaals de wens uit om artist-in-residence te worden in het Amerikaanse Ministerie van Defensie. Hij stuurde onder andere een postkaart naar Georges Adé en diens vrouw Magda Schuurmans met volgende boodschap: 'B is the A. in the P.' [Byars is the Artist in the Pentagon] Deze ‘droom’ ging echter nooit in vervulling, al kwam hij tijdens zijn verblijf in het Hudson Institute wel geregeld in contact met hooggeplaatste militairen die lid waren van het War and Peace College. [6]

 

Noten

1 Matthew Stromberg, Art of the Possible: a Reappraisal of the Eugenia Butler Gallery (Master Thesis), Los Angeles, University of Southern California, 2014, p. 8.

2 Byars at Butler Press Release, 22 september 1969, p. 1.

3 Zie David Sewell [in conversation with James Lee Byars], This is the Ghost of James Lee Byars Calling, in: James Lee Byars: 1/2: an Autobiography: sourcebook, London, Koenig Books, 2014, p. 93.

4 Piet van Daalen citeert Anny De Decker, in: Uit de dossiers van A 37 90 89 te Antwerpen, in: Museumjournaal, nr. 1, 1974, pp. 25-26.

5 Georges Adé, ongepubliceerde titelloze tekst over de activiteiten van James Lee Byars in België tussen 1969 en 1973.

6 Zie David Sewell, op. cit. (noot 3), pp. 74-75.