Koen Brams, Dirk Pültau

DE WITTE RAAF

Editie 183 september-oktober 2016

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

1989-1995: een nieuw museum, een nieuwe voorzitter

Interview met Marc De Cock, oud-voorzitter van de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst van Gent (deel 5)

Wat voorafging

Op initiatief van advocaat Karel Geirlandt werd in het najaar van 1957 de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst van Gent (V.M.H.K.) gesticht. [*] De Vereniging ontpopte zich onder leiding van haar opeenvolgende voorzitters – Karel Geirlandt (1957-1974), Roger Matthys (1974-1979) en Marc De Cock (vanaf 1979) – tot een bijzonder dynamische speler binnen de Gentse, Belgische en internationale kunstscene. Er werden niet alleen kunstwerken aangekocht voor een toekomstig museum van hedendaagse kunst, de Vereniging zette ook tentoonstellingen op, programmeerde lezingen en debatten, gaf edities uit en organiseerde reizen naar steden en landen waar de situatie van de hedendaagse kunst onder de loep werd genomen. Bovenal functioneerde de V.M.H.K. als een lobbygroep die de lokale en nationale bewindvoerders poogde te overtuigen van het belang van haar statutaire doel: de oprichting van een Museum van Hedendaagse Kunst (M.H.K.).

In 1975 was het eindelijk zover: achttien jaar na de stichting van de Vereniging kreeg het M.H.K. groen licht van de plaatselijke autoriteiten. Het nieuwe instituut ging van start onder de bezielende leiding van de 39-jarige kunsthistoricus Jan Hoet. Een eigen gebouw had het M.H.K. echter niet – het huisde in de lokalen van het Museum voor Schone Kunsten (M.S.K.). Het belette de conservator niet om een boeiend en spraakmakend programma te ontwikkelen, met tentoonstellingen zoals Inzicht/overzicht – Overzicht/inzicht (1979), Kunst in Europa na '68 (1980), Chambres d'Amis (1986) en Open Mind (Closed Circuits). Hommage aan Vincent (1989).

Op 11 mei 1989 overleed Karel Geirlandt, de godfather van de Vereniging, die op dat moment als opdrachthouder in dienst was van Vlaams Gemeenschapsminister van Cultuur Patrick Dewael. Met zijn dood komt een einde aan een belangrijk hoofdstuk van de geschiedenis van de Vereniging.

 

1.

Koen Brams/Dirk Pültau: In 1989 word jij aangesteld als commissaris van de tentoonstelling Artisti (della Fiandra)/Artists (from Flanders) die in de zomer van 1990 plaatsvond in het Palazzo Sagredo te Venetië. Hoe was jouw benoeming tot stand gekomen?

Marc De Cock: Die opdracht had ik te danken aan de – wellicht – laatste briljante zet van Karel Geirlandt. In 1988, een jaar voor zijn dood, was hij op het idee gekomen om tijdens de Biënnale van Venetië van 1990 een manifestatie te organiseren in het centrum van de Dogenstad – het was in dat jaar immers de beurt aan de Franse Gemeenschap om het Belgische paviljoen in de Giardini te betrekken. Het was de eerste keer dat Vlaanderen een dergelijke tentoonstelling op touw zou zetten. Er werd bovendien een aardig budget in het vooruitzicht gesteld, 10 miljoen Belgische frank [250.000 €]. Het kabinet van Patrick Dewael, de Vlaamse Gemeenschapsminister van Cultuur, benaderde mij om de tentoonstelling in te richten. De Beoordelingscommissie Beeldende Kunst verklaarde zich hiermee akkoord. Ik aanvaardde de uitnodiging en besloot een jaar vroeger dan gepland op pensioen te gaan. Tot dan was ik als leraar Frans actief geweest in het Atheneum aan de Voskenslaan in Gent.

K.B./D.P.: Waarom was de keuze voor de functie van tentoonstellingscommissaris op jou gevallen?

M.D.C.: Dat is me nooit duidelijk gemaakt. Ik had een goede verhouding met Geirlandt. Dat was geen nadeel. Verder had ik zelf enige tijd in de Beoordelingscommissie voor Beeldende Kunst van de Vlaamse Gemeenschap gezeteld. Aan dat lidmaatschap was omstreeks 1988 een einde gekomen toen ik gevraagd werd om de Museumraad te vervoegen. Het kabinet Dewael wist dat ik de nodige institutionele ervaring had omdat ik reeds jarenlang de exposities verzorgde van de Vereniging, en dus ook goede contacten onderhield met een schare jonge Vlaamse kunstenaars.

K.B./D.P.: Had Geirlandt zelf een locatie in gedachten toen hij zijn voorstel formuleerde?

M.D.C.: Neen, hij had enkel het idee geopperd. Ik herinner me wel dat ik in 1988 de Biënnale van Venetië bezocht. Ik had er een afspraak met Geirlandt; we gingen samen bij de Venetiaanse Ereconsul van België op bezoek om het te hebben over het voornemen om een tentoonstelling te organiseren. Hij zegde zijn medewerking toe. Een locatie was toen nog niet in beeld. Na Geirlandts dood moest ik zelf op zoek gaan naar een geschikte ruimte. Ik nam verschillende panden in overweging, onder meer de Chiesa di Santa Stae, maar die kerk werd traditioneel door de Zwitsers afgehuurd. De keuze viel uiteindelijk op het Palazzo Sagredo, waar curator Gijs van Tuyl in 1988 een expositie over Nederlandse beeldhouwkunst had georganiseerd. Ik nam contact met hem op en kreeg de bevestiging dat Sagredo een goede keuze was. De Vlaamse Gemeenschap huurde het gebouw. Verder moesten we zelf voor alles instaan, tot de begeleiding en de bewaking toe. Het was een enorme onderneming, mede omdat ik nog nooit een expo had opgezet in het buitenland.

K.B./D.P.: Hoe ging je te werk?

M.D.C.: Het Palazzo Sagredo was in handen van een Braziliaanse familie die zelden in Venetië verbleef. Ze liet alles over aan een plaatselijk architect, Paolo Bidorini, met wie ik contact opnam. Hij heeft ons ontzettend veel diensten bewezen. Bidorini kende de desiderata van de eigenaar, hij was op de hoogte van de Venetiaanse voorschriften inzake historische panden en bereid met ons mee te denken om een boeiende tentoonstelling te maken. In de persoon van Danny Deweerdt, ambtenaar van de Vlaamse Gemeenschap, vond ik een helpende hand om de administratie en andere praktische aangelegenheden waar te nemen. Ik had het budget zelf kunnen beheren, maar daar deinsde ik voor terug, gezien ik niet kon steunen op een organisatie.

K.B./D.P.: Voor de inhoudelijke invulling van Artisti (della Fiandra) besloot je een beroep te doen op Bart De Baere. Waarom?

M.D.C.: Ik had met Bart reeds samengewerkt tijdens de organisatie van Initiatief 86. Nadien was hij in dienst getreden van het Museum van Hedendaagse Kunst. We spraken elkaar geregeld in die dagen. Het was eigenlijk vanzelfsprekend dat we de opdracht samen zouden aanpakken. Ik toetste mijn ideeën bij hem af en vroeg hem om in te staan voor de samenstelling van de catalogus. Zelf ben ik immers geen schrijver.

K.B./D.P.: De kern van de tentoonstelling betrof het werk van zeven kunstenaars – Thierry De Cordier, Ludwig Vandevelde, Philip Van Isacker, Wim Delvoye, Patrick Van Caeckenbergh, Walter Swennen en Jan Fabre. Met de meesten van hen had je voordien reeds projecten op touw gezet in de Vereniging.

M.D.C.: Dat klopt. Enkel met Jan Fabre had ik nog niet samengewerkt, maar hij had wel reeds tentoongesteld in het Museum van Hedendaagse Kunst. Met alle kunstenaars hadden Bart en ik dus goede contacten en we hadden veel waardering voor hun werk. Dat was een solide basis om een goede tentoonstelling te verwezenlijken.

K.B./D.P.: In de inleiding van de catalogus schrijf je: 'De Vlaamse kunst van vandaag is zo sterk precies omdat ze haar kracht niet haalt uit groepsvorming maar uit krachtige, individuele posities.' Waarom zette je zo hoog in op het individuele?

M.D.C.: De geselecteerde kunstenaars behoorden niet tot dezelfde generatie. Ze vormden geen groep en vertegenwoordigden evenmin een stroming. Ze waren op eigen kracht tot een specifieke plastische taal gekomen. Het ging ons niet om zogenaamd typische Vlaamse kunst. Om die reden kozen we er ook voor om de woorden 'Flanders'/'Fiandra' in de titel van de tentoonstelling tussen haakjes te plaatsen. De kunst vonden we belangrijker dan de afkomst van de kunstenaar. Toch was de opzet van de tentoonstelling bij een van de geselecteerde kunstenaars in het verkeerde keelgat geschoten.

K.B./D.P.: Wie?

M.D.C.: Thierry De Cordier twijfelde lang of hij zou participeren aan de tentoonstelling. Hij had het moeilijk met het etiket van 'Vlaamse kunstenaar'. Afzeggen deed hij echter evenmin. Zijn beslissing bleef lange tijd onduidelijk. Op een gegeven moment wist Bart hem te ontfutselen dat hij zou deelnemen, maar de aard van zijn bijdrage bleef in nevelen gehuld. Tot op de dag dat de kist met zijn werk in Venetië arriveerde, wist ik niet wat hij zou exposeren. Toen de kist openging, bleek het om een urinoir te gaan. Ik was erover verwonderd, maar legde me bij zijn bijdrage neer. Dit soort situaties hoort er nu eenmaal bij. Ook zijn bijdrage aan de catalogus was apart. Een overzicht van zijn tentoonstellingen of foto's van zijn werken mochten we niet opnemen. In de plaats daarvan volstond een zinnetje – in het Frans: 'Mon seul désir était qu'il n'y ait pas d'illustrations.' Gelukkig had hij wel ingestemd met de publicatie van het interview dat Bart De Baere had afgenomen. Gevolgen voor onze vriendschappelijke relatie had zijn provocerende houding niet. Onze verhouding is steeds goed gebleven.

K.B./D.P.: Artisti (della Fiandra) wil overduidelijk geen 'Vlaamse' tentoonstelling zijn. Om het werk van de zeven individuele kunstenaars historisch te situeren, kozen jullie werken van oudere kunstenaars: van de Franstalige Belgen René Magritte en Marcel Broodthaers, over Roger Raveel, René Heyvaert en Raoul De Keyser, tot Bernd Lohaus, Panamarenko, Guillaume Bijl, Philippe Van Snick, Leo Copers, Jan Vercruysse en Guy Rombouts/Monica Droste. Werd deze 'Belgische' introductie in dank afgenomen door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap?

M.D.C.: Onze keuze vormde geen enkel probleem. Geen enkele Vlaamse politicus of ambtenaar is erover gestruikeld. Van de andere kant van de taalgrens kwam er wel protest. Onder meer Valmy Féaux (P.S.), toenmalig Minister van Cultuur van de Franse Gemeenschap, kon onze keuze voor Magritte en Broodthaers moeilijk verkroppen. Hij maakte publiekelijk zijn beklag. Afgezien van deze valse noot kon Artisti (della Fiandra) op veel bijval rekenen. Onze missie om de schijnwerpers te richten op de Vlaamse kunst tijdens een van de belangrijkste internationale manifestaties was zonder meer geslaagd. Karel Geirlandts idee bleek een schot in de roos. Dat de expositie na Venetië naar het Museum van Hedendaagse Kunst reisde, was een erkenning van het belang van het project.

K.B./D.P.: Karel Geirlandt werd na zijn dood eervol herdacht door de oprichting van de Leerstoel Karel Geirlandt aan de Universiteit Gent. Hoe was die Leerstoel tot stand gekomen?

M.D.C.: Voordien had de Vereniging reeds eer betuigd aan haar initiator door de uitgave van een hommagegrafiekmap met negen prenten van Pierre Alechinsky, Gaston Bertrand, Bram Bogart, Rony Heirman, Jules Lismonde, Luc Peire, Roger Raveel, Dan Van Severen en Maurice Wyckaert. Het werd een eclatant succes. De map werd gepresenteerd tijdens de Gentse kunstbeurs Lineart in het najaar van 1990. De Leerstoel werd pas in 1992 opgericht. Zowel de Vereniging, het M.H.K., de Universiteit Gent als het kabinet van Gemeenschapsminister Patrick Dewael hadden daarvoor geijverd. Claire Van Damme van de Vakgroep Kunstwetenschappen leidde alles in goede banen. In de herfst van 1992 was het zover. Niemand minder dan Harald Szeemann gaf de eerste lezing in het kader van een academische zitting in de Aula van de UGent. Met Szeemann hadden Geirlandt en ik steeds goede contacten onderhouden.

K.B./D.P.: Was Artisti (della Fiandra) het hoogtepunt in jouw lange carrière als tentoonstellingsmaker?

M.D.C.: Het was in ieder geval 'een' hoogtepunt. Ik bewaar ook goede herinneringen aan de tentoonstellingen die ik in de jaren zestig samen met Karel Geirlandt verwezenlijkte. In 1969 en in 1973 was ik verantwoordelijk voor twee edities van het Forum van de Grafiek, waarvoor ik veel onderzoek verrichtte. Dat was een goede leerschool, net zoals het organiseren van de tentoonstellingen van de Vereniging. Het klopt echter dat Artisti (della Fiandra) een veel belangrijkere manifestatie was.

 

2.

K.B./D.P.: Jan Hoet was in 1989 benoemd tot künstlerische Leiter van Documenta. Hoe heb jij de totstandkoming van zijn Documenta beleefd?

M.D.C.: De Documenta is de belangrijkste tentoonstelling ter wereld. Hoets uitverkiezing tot artistiek directeur was dus een gebeurtenis zonder weerga. Als een van zijn assistenten koos hij voor Bart De Baere, zijn rechterhand in het Museum van Hedendaagse Kunst. In het M.H.K. vond ook een van de zogenaamde marathondebatten over de Documenta plaats. Gedurende uren werd er gedebatteerd over de artistieke keuzes die zouden worden gemaakt. Naarmate de opening van de Documenta naderde, stond het beleid van het M.H.K. meer en meer in het teken van de Kasselse manifestatie, die in 1992 zou plaatsvinden. Het M.H.K. organiseerde in 1990 Ponton Temse, dat als een soort try-out van de Documenta werd voorgesteld. Later – in 1992 – volgde een tentoonstelling met werken van de Belgische Documenta-deelnemers in het Museum Dhondt-Dhaenens in Deurle.

K.B./D.P.: Hoe waren jouw contacten met Jan Hoet in die dagen?

M.D.C.: We zagen en spraken elkaar minder omdat hij zeer vaak in Kassel vertoefde of in het buitenland op prospectie was. Zelf had ik in 1989 en 1990 mijn handen vol met Artisti (della Fiandra). We bleven wel in contact, voornamelijk op zondagnamiddagen. Sommige tentoonstellingen die ik in de Vereniging op touw zette, kwamen op aangeven van hem tot stand, zoals de expo Fotowerken van kunstenaars uit Documenta IX (1992). Ook voor het programma van de lezingen en de productie van grafiekuitgaven bleef hij voorstellen leveren. De Vereniging nodigde Hoet en zijn medewerkers menige malen uit om over de laatste stand van zaken van de Documenta te spreken. De periode tussen 1989 en 1992 herinner ik me bovenal als een tijd waarin ik me kon richten op het tentoonstellingsprogramma van de Vereniging. Omdat Hoet lange periodes in het buitenland was, kwam er ook minder kritiek op de exposities die ik opzette.

K.B./D.P.: Aan welke tentoonstellingen die je organiseerde, bewaar je goede herinneringen?

M.D.C.: In onze ruimte aan de Hofbouwlaan zette ik in 1989 presentaties op met onder meer Willy De Sauter en Ann Veronica Janssens. In 1990 bood ik Luc Tuymans een solo aan. Niet alleen voor de Vereniging was dit een belangrijke manifestatie, ook voor hemzelf, wat hij me nadien meerdere malen toevertrouwde. Zijn samenwerking met Frank Demaegd van Zeno X Gallery ging omstreeks die tijd van start. De tentoonstelling was een waar succes, ook commercieel gezien. Het ontlokte Hoet enkele commentaren. In 1991 en 1992 volgden nog opmerkelijke tentoonstellingen van Documenta-deelnemers Mike Kelley, Robert Gober en Thomas Schütte. Van deze kunstenaars werden werken uit Belgische privéverzamelingen samengebracht. Schütte was zelf betrokken bij de keuze van zijn werken en kwam voor de opstelling zelfs speciaal over uit Duitsland. Die laatste reeks expo's kwam tot stand in samenwerking met medewerkers van het M.H.K. en met sommige beheerders, onder wie Marc Van de Velde. Hij was nog maar kort voordien op merkwaardige wijze lid geworden van de raad van beheer van de Vereniging.

K.B./D.P.: Hoezo?

M.D.C.: Marc Van de Velde en vier anderen – Karel Hooft, Paul Thiers, Ignace Vandenabeele en Bernard Filliers – stuurden mij en de overige leden van de raad van beheer in de lente van 1990 een ongewone brief. Ze stelden zichzelf voor als kandidaat-beheerders. Normaal gezien werd je als beheerder gevraagd; zij dienden zichzélf aan 'als vertegenwoordigers van deze generatie met haar internationale denkwijze en professionele mogelijkheden'. Als directe aanleiding werd verwezen naar de benoeming van Jan Hoet tot directeur van de Documenta. 'Deze hefboom moet voor 100% benut worden.'

K.B./D.P.: Hoe schatte jij die brief in?

M.D.C.: Het was een initiatief dat ik zeker niet als aangenaam ervoer. Ging het werkelijk uit van deze vijf kunstverzamelaars? Of waren ze door iemand op dat idee gebracht? Ik weet het niet. Ik heb het nooit tot op de bodem uitgezocht. Uit de brief sprak een zeker wantrouwen, als zou het toenmalige bestuur van de Vereniging onvoldoende zijn toegerust om de zaak van het Museum van Hedendaagse Kunst op adequate wijze te bepleiten. De brief kon anderzijds ook op positieve wijze worden gelezen. De vijf wilden mee de kar trekken van het M.H.K. De raad van beheer was deze benadering genegen. Er werd een vergadering samengeroepen met de kandidaat-beheerders. De slotsom was dat zij tot het bestuur van de V.M.H.K. werden toegelaten. Daarnaast pleitte Hoet ervoor dat bedrijfsleider Ronald Everaert, gedelegeerd bestuurder van Mercator Verzekeringen, eveneens als beheerder zou worden aangezocht. Hij zou de aangewezen persoon zijn om bedrijven warm te maken fondsen ter beschikking te stellen van de Vereniging en het Museum. Hoet wilde ook dat twee museummedewerkers voortaan in de raad van beheer zouden zetelen: Norbert De Dauw en Bart De Baere. Het resultaat was dus dat de greep van het Museum op de Vereniging versterkt werd. Dat kan niet worden ontkend.

K.B./D.P.: Zorgden de nieuwe beheerders voor een frisse wind in de Vereniging?

M.D.C.: De kersverse bestuurders zetten zich met verve in voor de Vereniging en onze samenwerking verliep zeer goed, maar de resultaten van de verschillende werkgroepen die vervolgens werden geïnstalleerd, waren niet overtuigend.

K.B./D.P.: Welke werkgroepen werden opgericht?

M.D.C.: Het ging over diverse onderwerpen, zoals sponsoring, het tentoonstellingsprogramma, de aankoop- en eventuele verkooppolitiek van de kunstwerken van de Vereniging en – niet onbelangrijk – de huisvesting van het M.H.K. Hoet bepleitte tevens dat een werkgroep zou worden samengesteld om te onderzoeken of de boekhouding van de Vereniging met die van het Museum zou kunnen worden samengesmolten.

K.B./D.P.: Waarom wilde hij dat?

M.D.C.: Er werd geschermd met het argument dat de financiële verrichtingen nauwgezetter zouden kunnen worden opgevolgd, maar volgens mij was het de bedoeling van Hoet om de V.M.H.K. om te vormen tot een dienstverlenend orgaan dat verantwoordelijk was voor de verwerving van fondsen en het financiële beheer. Uiteindelijk is de commissie Boekhouding onder het voorzitterschap van Ronald Everaert van start gegaan.

K.B./D.P.: Met welk advies kwam ze op de proppen?

M.D.C.: De commissie kwam tot het besluit dat de tijd nog niet rijp was om over te gaan tot een samenvoeging van de boekhoudingen. Hoet bleef evenwel hameren op een nauwere samenwerking tussen het Museum en de Vereniging op het vlak van financiën.

K.B./D.P.: Waren er nog andere werkgroepen die met voorstellen kwamen?

M.D.C.: Enkel de werkgroep Tentoonstellingen, waarbij ikzelf betrokken was, kwam regelmatig samen. Alle andere werkgroepen leidden een sluimerend bestaan.

K.B./D.P.: Hield de oprichting van de werkgroep Tentoonstellingen in dat jijzelf minder zeggenschap kreeg op het vlak van de exposities?

M.D.C.: Ik maakte de tentoonstellingen voortaan in samenwerking met de andere beheerders, onder wie Bart De Baere, Marc Van de Velde en Jean-Paul Deslypere. In 1994 stelde Deslypere voor om de Spaanse kunstenaar Perejaume en de Oostenrijkse kunstenares Elke Krystufek uit te nodigen. Ik vond dat boeiende keuzes en zette mijn schouders onder de organisatie van deze manifestaties. Zolang ik bij de beslissingen was betrokken en in gesprek kon treden met mijn collega's en de kunstenaars, bleef de organisatie van de tentoonstellingen zeer boeiend.

 

3.

K.B./D.P.: Een van de dossiers die aan een werkgroep was toevertrouwd, betrof de huisvesting van het M.H.K. Wat gebeurde er op dat front?

M.D.C.: In het begin van de jaren negentig streed Hoet verbetener dan ooit voor een eigen museumgebouw. Het was duidelijk dat hij zijn functie als curator van de Documenta wilde verzilveren. Hij kon daarbij rekenen op de hulp van de werkgroep Museumvisie, maar vond toch vooral een bondgenoot in de persoon van Piet Van Eeckhaut, die op dat moment voorzitter was van de Toezichtscommissie van het M.H.K. Piet Van Eeckhaut was lid van de S.P. (Socialistische Partij, thans sp.a) en had goede contacten met toenmalig Burgemeester Gilbert Temmerman, ook een socialist. Hoet en Van Eeckhaut vormden een stevige tandem.

K.B./D.P.: Jij was ook lid van de Toezichtscommissie van het M.H.K. Welke rol speelde de Toezichtscommissie in de discussie over de huisvesting van het Museum?

M.D.C.: Het was vooral Hoet die met ideeën en voorstellen kwam. De Toezichtscommissie poogde hem zoveel mogelijk te steunen. Zoals gezegd kon hij in de eerste plaats rekenen op Van Eeckhaut, ook als het zaak was om de ondermaatse werkingsmiddelen aan te kaarten. Het Museum kwam in die periode geregeld in de problemen omdat de toelagen van de Stad te laat werden uitgekeerd of plots werden verminderd. Van Eeckhaut was een gezaghebbend figuur. Hij schreef brieven of legde contacten met partijgenoten en politici van de coalitiepartner, de V.L.D. (thans Open Vld). In Schepen van Cultuur Rudy Van Quaquebeke (V.L.D.) vond hij een goede gesprekspartner. Op een gegeven moment woonde de Schepen een vergadering van de Toezichtscommissie bij. Toen bleek dat hij het plan genegen was om het M.H.K. eindelijk een autonoom museumgebouw te gunnen.

K.B./D.P.: Wat waren de opties op dat vlak?

M.D.C.: Lange tijd zag het ernaar uit dat het M.H.K. naar de Sint-Pietersabdij zou trekken. Nog in de lente van 1992 – het jaar van Hoets Documenta – werd de verhuis naar de Abdij in het vooruitzicht gesteld. De Schepen van Cultuur maakte zich hiervoor sterk.

K.B./D.P.: Waarom werd deze optie niet weerhouden?

M.D.C.: Hoet verzaakte eraan omdat hij van mening was dat er te veel beperkingen zouden worden opgelegd – de abdij is immers een historisch monument. Hij was niet de enige die deze mening was toegedaan. Vanuit de Stad werd een andere mogelijkheid aangereikt: het Casinogebouw. In april 1993 was het dan eindelijk zover: Rudy Van Quaquebeke kondigde aan dat het Casino zou worden verbouwd tot Museum van Hedendaagse Kunst. Het College van Burgemeester en Schepenen, bestaande uit mandatarissen van de V.L.D. en de S.P., legde 35 miljoen Belgische frank [875.000 €] op tafel voor de renovatie van het Casino; de Vlaamse Gemeenschap was bereid om hetzelfde bedrag bij te passen.

K.B./D.P.: Was jij enthousiast over het voorstel om het M.H.K. onder te brengen in het Casino?

M.D.C.: De locatie, recht tegenover het Museum voor Schone Kunsten, was zonder meer uitstekend. Mits het gebouw grondig zou worden aangepakt, waren er mogelijkheden, maar eerst moesten tal van nieuwe hindernissen uit de weg worden geruimd.

K.B./D.P.: Welke? Het College had toch een besluit genomen?

M.D.C.: Vooreerst was er tegenkanting van de vzw Internationale Jaarbeurs, die op dat moment het Casino huurde. De Jaarbeurs wilde niet verhuizen naar hal 6 in het aanpalende Floraliëncomplex. Daarnaast was er ook een juridisch conflict gerezen. De Vlaamse Gemeenschap wilde haar bijdrage enkel uitkeren aan de V.M.H.K. en niet aan de Stad Gent. De Vereniging wilde de rol van financieel beheerder spelen, maar achtte zich niet gewapend om zelf bouwheer te zijn. De Stad Gent was geen voorstander van deze constructie.

K.B./D.P.: Waarom wilde Minister van Cultuur Hugo Weckx (C.V.P., thans CD&V) het bedrag enkel overmaken aan de V.M.H.K.? Of waren vooral de Vereniging en het M.H.K. voorstander van deze financiële constructie omdat deze toeliet maximale controle uit te oefenen op de besteding van de toegezegde middelen?

M.D.C.: Het is zonder meer waar dat het Museum en de Vereniging deze regeling gunstig gezind waren. Ze liet ons toe om de beschikbare middelen zonder veel bureaucratische rompslomp te gebruiken zoals wij dat wilden. Het kabinet van de Minister van Cultuur en het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap hadden echter van hun kant ook positieve ervaringen met deze werkwijze. Als de Vereniging kunstaankopen deed, dan werden subsidies aangevraagd bij het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. De verantwoording van deze middelen verliep altijd perfect. Bij de afhandeling van de aankopen van het Museum zelf, die via de Stad moesten lopen, werd daarentegen veel tijd verloren – als de aankoop al werd goedgekeurd door de Gemeenteraad. Er waren nog andere precedenten. Op een gegeven moment – in 1987 – wilde Laurent Jacob van het Luikse Espace 251 Nord een reeks tentoonstellingen met Belgische kunstenaars opzetten in Rome. De Vlaamse Gemeenschap werd benaderd om de bijdragen van de Vlaamse kunstenaars te sponsoren. De Beoordelingscommissie Beeldende Kunst adviseerde positief en werd hierin gevolgd door de Gemeenschapsminister. De enige voorwaarde was dat de subsidie zou worden toegekend aan de Vereniging, die de middelen kon uitkeren aan Espace 251 Nord van zodra facturen werden voorgelegd. Ik werd zelf gevraagd om een inhoudelijk en financieel verslag te maken over dat project. Het Ministerie had vertrouwen in de Vereniging, dat mag duidelijk zijn.

K.B./D.P.: Als de Stad Gent de bypass via de Vereniging niet wenselijk vond, dan was het misschien toch aangewezen om een andere oplossing uit te werken?

M.D.C.: Misschien wel, maar dat was niet het enige obstakel. Er werden ook partijpolitieke conflicten op de rug van het M.H.K. uitgevochten. Zowel binnen de S.P. als in de schoot van de V.L.D. waren er voor- en tegenstanders van de renovatie van het Casino. Burgemeester Temmerman (S.P.) was een koele minnaar van het project. Hij leek niet zinnens om de plannen van zijn partijgenoot Piet Van Eeckhaut met veel enthousiasme te steunen. De beruchte salamimethode van Schepen van Cultuur Van Quaquebeke – het opdelen van de totale financiële kost (om en bij 200 miljoen Bfr. [5 miljoen €]) in kleinere schijven die jaarlijks in de begroting zouden worden opgenomen – kon in de V.L.D. op weinig bijval rekenen. Het werd duidelijk dat Van Quaquebeke steeds minder steun genoot in zijn eigen partij. In november 1993 weigerde het College het aanvankelijke akkoord uit te voeren. Het luidde dat de V.M.H.K. een onbetrouwbare partner was. De impasse was compleet, vooral omdat Hugo Weckx ermee dreigde het toegezegde bedrag in te trekken als er geen oplossing werd gevonden voor het jaareinde. Het werd een regelrechte thriller.

K.B./D.P.: Hoe reageerden de Vereniging en het Museum?

M.D.C.: We volgden alle ontwikkelingen op de voet en vergaderden in die dagen haast wekelijks. Daarnaast richtten we brieven aan alle gemeenteraads- en collegeleden waarin we de aantijgingen stuk voor stuk weerlegden. We lichtten ook de pers in over de moeilijke situatie. Jan Hoet en Bart De Baere schreven zelfs een brief aan de pas aangetreden Koning Albert II! Alle middelen waren goed om de scheve situatie recht te trekken.

K.B./D.P.: Waren die acties succesvol?

M.D.C.: Neen, maar we waren bereid tot het uiterste te gaan. Als er tijdens de laatste bijeenkomst van de Gemeenteraad in 1993 geen gunstige beslissing uit de bus zou komen, dan zouden we een lokale, nationale en internationale petitie lanceren. Tevens hadden we reeds de datum vastgelegd waarop we een persconferentie zouden houden waarin we in niet mis te verstane woorden lucht zouden geven aan ons ongenoegen. In de weken die aan de genoemde zitting van de Gemeenteraad voorafgingen, werd eindelijk een akkoord bereikt.

K.B./D.P.: Wat hield het vergelijk in?

M.D.C.: Op een gegeven moment kreeg ik een telefoontje van Burgemeester Temmerman. Hij vroeg me om stante pede naar het Stadhuis te komen waar een vergadering van het College aan de gang was. Ik kreeg er te horen wat de Burgemeester en Schepenen hadden bekokstoofd. Het compromis bestond erin om het huurcontract met de Internationale Jaarbeurs met een jaar te verlengen en eerst een nieuwe depotruimte voor het M.H.K. te bouwen in de linkerzijhal van het Floraliëncomplex, een ruimte naast het Casino. Pas na de oplevering van het nieuwe depot zou de Internationale Jaarbeurs naar hal 6 verhuizen waar tot dan de reserve van het M.H.K. was ondergebracht. Op hetzelfde moment kon in het vrijgekomen Casino worden begonnen met de renovatie van het gebouw. Het was bijzonder frustrerend dat de verbouwing van het Casino met minstens een jaar werd uitgesteld – tot na de gemeenteraadsverkiezingen van 1994 – maar het was het hoogst haalbare. Jan Hoet en de raad van beheer van de Vereniging waren bereid hiermee in te stemmen.

K.B./D.P.: In 1994 vonden gemeenteraads- én Europese verkiezingen plaats. Hield dat geen risico in? Welke garantie was er dat een nieuw College de plannen van het vorige ten uitvoer zou brengen?

M.D.C.: Zonder risico was de beslissing niet. Was dat de reden dat Jan Hoet zich in het voorjaar van 1994 verkiesbaar stelde op de Europese lijst van de C.V.P.? Over zijn politieke carrière legde Hoet tegenstrijdige verklaringen af. Nu eens zei hij dat hij uitdrukkelijk op het beslissingsproces inzake het gebouw van het M.H.K. wilde wegen, dan weer verklaarde hij dat hij zich als intellectueel wilde engageren. Een jaar later was hij in ieder geval alweer politicus af.

K.B./D.P.: Het nieuwe Gentse College van Burgemeester en Schepenen onder leiding van Frank Beke (S.P.), dat in 1995 aantrad en uit dezelfde partijen bestond, S.P. en V.L.D., hield uiteindelijk woord. De depotruimte werd gebouwd en in het voorjaar van 1995 werden de plannen voor de verbouwing van het Casino tot het Museum van Hedendaagse Kunst gepresenteerd. Op de door het vorige College gemaakte keuze van stadsarchitect Koen Van Nieuwenhuyse kwam veel kritiek. Terecht?

M.D.C.: Jan Hoet had eerst voorgesteld om een architectuurwedstrijd uit te schrijven, maar die suggestie werd afgeblokt door Burgemeester Temmerman en Schepen van Cultuur Van Quaquebeke. Er zou te veel tijd verloren gaan, zo luidde het. Dat was een vreemd argument, aangezien het College zelf voor veel tijdverlies verantwoordelijk was. Hoet wilde vervolgens in zee gaan met Paul Robbrecht en Hilde Daem, die voor zijn Documenta de Aue-paviljoenen hadden ontworpen. Het Museum moest echter met minimale middelen worden gerealiseerd. Temmerman en Van Quaquebeke stelden voor om de opdracht toe te vertrouwen aan de stadsarchitect. Dat was de goedkoopste oplossing. Het College onder leiding van Frank Beke heeft die beslissing niet meer gewijzigd. Niemand – ook Hoet niet – vond het een goed idee om met de stadsarchitect in zee te gaan, maar er was geen andere optie.

 

4.

K.B./D.P.: Nauwelijks waren de plannen voor de verbouwing van het Casino gepresenteerd of je trad terug als voorzitter van de Vereniging. Waarom nam je ontslag?

M.D.C.: Er was geen andere mogelijkheid.

K.B./D.P.: In welke zin?

M.D.C.: Mijn voorzitterschap was Hoet reeds lange tijd een doorn in het oog. In verhulde termen – vaak echter rechttoe rechtaan – gaf hij iedereen die het horen wilde te verstaan dat de V.M.H.K. aan een nieuwe voorzitter toe was.

K.B./D.P.: Waarom was Hoet die mening toegedaan?

M.D.C.: Onze relatie was reeds enige tijd verzuurd. Hoet was van mening dat de Vereniging zich niet genoeg inzette voor het Museum, vooral op het vlak van fondswerving. Hij beweerde dat de Vereniging – en ik als voorzitter – hem tegenwerkte. Ik heb geen idee waarop hij zich baseerde. Ook het feit dat de Vereniging exposities organiseerde, was voor hem een permanente bron van ergernis. Het luidde dan dat de tentoonstellingen van de V.M.H.K. verwarring konden zaaien over de programmatische keuzes van het Museum. Nadat de beslissing over het autonome museumgebouw was gevallen, voerde hij de druk op, maar hij haalde zijn slag pas na enige tijd thuis.

K.B./D.P.: Waarom?

M.D.C.: Mocht ik enkel voorzitter zijn geweest, dan zou men snel een opvolger hebben gevonden. Ik deed echter meer dan het leiden van de vergaderingen van de beheerraad. De dagelijkse leiding was eveneens mijn verantwoordelijkheid. Ik zorgde ervoor dat het tijdschrift Kunst Nu werd uitgegeven, stond in voor de tentoonstellingen, volgde de grafiekuitgaven op en was betrokken bij de organisatie van de uitstappen en reizen. Gelukkig kon ik daarbij een beroep doen op andere geëngageerde beheerders, onder wie vooral penningmeester Julien Revis. Ook de gewetensbezwaarden die in de Vereniging actief waren, namen veel werk voor hun rekening. Ik vond het voorts belangrijk dat er iemand aanwezig was om met de leden van de Vereniging persoonlijk contact te hebben. Ook die functie nam ik waar, samen met Julien. Er was niet echt een kandidaat om al die taken over te nemen. Dat frustreerde Hoet in hoge mate. Tal van keren haalde hij vlijmscherp naar me uit, ook tijdens vergaderingen van de raad van beheer, die hij als waarnemer bijwoonde.

K.B./D.P.: Wat zei hij dan?

M.D.C.: Als ik moeilijk vervangbaar was omdat ik al dat werk op mij nam, dan moesten die taken misschien worden afgebouwd, suggereerde hij meermaals. Hij had het vooral gemunt op het tentoonstellingsprogramma. Zijn visie werd niet door iedereen op applaus onthaald. Een meerderheid in het bestuur vond dat de Vereniging actief moest blijven als organisator van exposities zodat de leden van de Vereniging elkaar tijdens de vernissages konden ontmoeten. Hoet haalde zijn slag niet thuis. Hij speelde echter op de man in plaats van op de bal. Op een gegeven moment fulmineerde hij dat hij slechts één politieke partij kende waarvan de voorzitter ook voor het leven benoemd was…

K.B./D.P.: …vergeleek hij jou met Karel Dillen van het Vlaams Blok?

M.D.C.: Het was een verwijt dat me diep raakte. Mij niet alleen trouwens. Uit onvrede met die uitspraak nam Guy Joly ontslag als beheerder. In de herfst van 1995 stelde ik mijn mandaat als voorzitter ter beschikking. Ik was bereid om een stap opzij te zetten, temeer omdat ik zo lang voorzitter was geweest – meer dan vijftien jaar. De manier waarop ik afscheid moest nemen, was echter pijnlijk.

K.B./D.P.: Je bleef wel zetelen in de raad van bestuur?

M.D.C.: Ja.

K.B./D.P.: Waarom?

M.D.C.: De Vereniging was een belangrijk stuk van mijn leven. Ik bleef met hart en ziel bij de V.M.H.K. Daar veranderde mijn ontslag als voorzitter niets aan. Advocaat Dirk Schutyser, die al vele jaren actief lid was van de Vereniging, werd bereid gevonden om mij op te volgen. Hij had ook de steun van Hoet. Dirk vroeg me om nog een aantal taken op mij te nemen, maar daar had ik geen zin in. De diverse taken die ik tot dan toe had waargenomen, werden verdeeld onder de overige bestuurders.

K.B./D.P.: Wat waren de laatste tentoonstellingen die je organiseerde?

M.D.C.: Het ging om twee solo's: Dirk Braeckman (september-oktober 1995) en Jan Van Imschoot (oktober-december 1995). Aan de expo van Van Imschoot hou ik zeer goede herinneringen over. Ik werkte hiervoor samen met Luc Tuymans, een goede vriend van Jan Van Imschoot. Tuymans koos de werken en bepaalde de accrochage. Daar had ik tot dan toe mijn plezier uit gepuurd: de contacten met de kunstenaars en de opbouw van de tentoonstellingen. Ook de debatten over de aankopen vond ik boeiend, maar die discussies werden zo goed als niet meer gevoerd omstreeks 1995. De aankopen werden bepaald door Hoet en zijn museumstaf. Het volstond dat de Vereniging de middelen op tafel legde om de aankopen te betalen. De kunstwerken van Pier Paolo Calzolari en Bruce Nauman waren reeds in het museum gearriveerd toen ons de factuur werd bezorgd. Een uitzondering betrof Weinende Frau van Thomas Schütte. In die aankoop hadden de beheerders van de Vereniging de hand.

K.B./D.P.: Welke beheerders verrichtten voortaan jouw taken?

M.D.C.: Het tentoonstellingsbeleid werd toevertrouwd aan Hans Martens – hij was als curator in dienst geweest van het Museum, maar was tijdelijk ontslagen omwille van terugvallende werkingsmiddelen. Kunst Nu kwam in handen van Jean-Paul Deslypere; de daguitstappen en reizen werden zoals voorheen georganiseerd door Aimé Van Heddeghem; de grafiekuitgaven werden voortaan opgevolgd door Karel Hooft.

K.B./D.P.: Hoe reageerde de buitenwereld op jouw ontslag als voorzitter?

M.D.C.: We hebben zeer terughoudend gecommuniceerd over de gang van zaken. Nadat de beslissing bekend was gemaakt en ik tijdens de nieuwjaarsreceptie in januari 1996 gehuldigd werd, ontving ik veel reacties. Kunstenaars en sympathisanten van de Vereniging stuurden me brieven. Die respons had ik niet verwacht. Dat was echt ontroerend. Bij sommige ontwikkelingen in de werking van de Vereniging had ik evenwel bedenkingen.

K.B./D.P.: Welke ontwikkelingen?

M.D.C.: Op het einde van 1995 werd een commissie gevormd die met voorstellen moest komen over de aangewezen structuren om de bedrijfssponsoring in goede banen te leiden. Er lagen drie opties op tafel: de oprichting van een nieuwe stichting, de oprichting van een tweede v.z.w. of de oprichting van een stichting binnen de bestaande v.z.w. Uiteindelijk kon een meerderheid zich vinden in de derde mogelijkheid. Een vertegenwoordiger van een bedrijf dat zich garant stelde om gedurende drie jaar de ronde som van 250.000 Belgische frank [6.250 €] te schenken aan de Stichting van de Vereniging, werd beheerder van de V.M.H.K. Aan de sponsoring hing dus een mandaat in de Vereniging vast. De statutenwijziging werd in 1996 goedgekeurd. Toen werden ook enkele beheerders aangezocht die goede banden hadden met politieke partijen, zoals Dany Vandenbossche (S.P.), die in 1995 Schepen van Cultuur was geworden, en Jan Vermassen, die werkzaam was op het kabinet van Minister van Cultuur Luc Martens (C.V.P.), de opvolger van Hugo Weckx.

K.B./D.P.: Was de Stichting een succes?

M.D.C.: In het eerste jaar werd slechts één sponsor bereid gevonden om steunend lid te worden: Sidmar, vertegenwoordigd door Pierre Bouckaert, het hoofd van de juridische dienst van het Gentse staalbedrijf. Jaar na jaar groeide het aantal bedrijfssponsors echter aan. Met de financiële middelen die aldus werden vergaard, wou Hoet de collectie met significante aankopen verrijken. Op financieel vlak was de Stichting een goede zaak, maar de constructie vertoonde duidelijke mankementen.

K.B./D.P.: Welke?

M.D.C.: De V.M.H.K. werd de facto een vereniging met twee snelheden. Er werden aparte activiteiten voor de bedrijfssponsors ingericht, waarbij Hoet de honneurs waarnam. In 1997 werd een uitstap naar Documenta X georganiseerd voor de sponsors, begeleid door Hoet, terwijl de Vereniging voor haar leden een eigen excursie diende in te richten. Voortdurend moesten we vragen naar de financiële overzichten van de Stichting, zowel wat de inkomsten als wat de uitgaven betreft. Het was toch niet normaal dat de beheerders een dergelijk verzoek aan voorzitter Schutyser moesten richten! De Stichting maakte immers integraal deel uit van de Vereniging. Penningmeester Julien Revis maakte meermaals zijn beklag over de gang van zaken.

K.B./D.P.: De aparte vereniging waarnaar Hoet zo vaak verlangd had, was eigenlijk een feit geworden?

M.D.C.: Dat is misschien te sterk uitgedrukt, maar volledig onjuist is die beoordeling niet.

 

wordt vervolgd

 

Met dank aan Roger Matthys (1920-2016) en Nele Vanhoutte.

Transcriptie: Eva Decaesstecker

Redactie: Koen Brams

 

* De eerste vier delen van het interview met Marc De Cock, over de periodes 1961-1965, 1965-1974, 1974-1982 en 1982-1989 werden gepubliceerd in De Witte Raaf nrs. 168, 171, 180 en 181.

 

Rechtzetting i.v.m. Initiatief 86

In tegenstelling tot wat ik gezegd heb in de vorige aflevering van dit interview (De Witte Raaf nr. 181, pp. 25-27) was Bart Cassiman reeds in 1985 bij het project Initiatief 86 betrokken. Hij heeft het centrale deel van Initiatief 86 in de Sint-Pietersabdij, met de buitenlandse curatoren, opgestart en begeleid, en later ook de catalogus gerealiseerd.

Marc De Cock