Koen Brams, Dirk Pültau

DE WITTE RAAF

Editie 184 november-december 2016

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

1996-2000: het eindspel

Interview met Marc De Cock, oud-voorzitter van de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst van Gent (slot)

Wat voorafging

In het najaar van 1957 werd te Gent de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst (V.M.H.K.) opgericht. [*] Onder leiding van haar opeenvolgende voorzitters – Karel Geirlandt (1957-1974), Roger Matthys (1974-1979) en Marc De Cock (1979-1995) – timmerde de V.M.H.K. aan de weg. Tal van activiteiten werden georganiseerd om de zaak van de hedendaagse kunst te dienen: tentoonstellingen, lezingen, debatten, excursies en de uitgave van grafiek. Met het oog op de oprichting van een Museum van Hedendaagse Kunst (M.H.K.) werd tevens een verzameling uitgebouwd, met topstukken zoals Concetto spaziale (1966) van Lucio Fontana, Two Hearts (Opera) (1970) van Jim Dine, Petrus-Paulus-Rubens (1973) van Marcel Broodthaers en Sixtyseventh Copper Cardinal (1974) van Carl Andre.

In 1975 werd het statutaire doel van de V.M.H.K. eindelijk bereikt. Achttien jaar na de stichting van de Vereniging zag het Museum van Hedendaagse Kunst het levenslicht. De 39-jarige kunsthistoricus Jan Hoet kreeg de leiding over een instelling die voorlopig gehuisvest was in het Museum voor Schone Kunsten (M.S.K.). Pas op het einde van 1993 werd een oplossing voor deze onhoudbare situatie in het vooruitzicht gesteld. Het Gentse College van Burgemeester en Schepenen besliste om het M.H.K. onder te brengen in het Casinogebouw op de Floraliënsite, recht tegenover het M.S.K. Voor de verbouwing werd een beroep gedaan op stadsarchitect Koen Van Nieuwenhuyse. Vooraleer de renovatiewerkzaamheden aanvingen, werd werk gemaakt van een nieuw depot voor het M.H.K. in een ruimte naast het Casino.

Kort nadat de verbouwingsplannen in 1995 waren gepresenteerd, kwam er onder druk van Jan Hoet een einde aan het mandaat van Marc De Cock als voorzitter van de V.M.H.K. De voorzittershamer kwam in handen van Dirk Schutyser. Het was niet het enige signaal dat de conservator streefde naar een andere relatie tussen de Vereniging en het Museum. Eveneens in 1995 werd in de schoot van de V.M.H.K. een stichting opgericht die de bedrijfswereld warm moest maken voor het sponsoren van het Museum.

 

1.

Koen Brams/Dirk Pültau: In de herfst van 1996 verlaat het Museum van Hedendaagse Kunst haar lokalen in het M.S.K. om zijn intrek te nemen in de inmiddels opgeleverde depotruimte naast het Casino. Ook de Vereniging maakt de oversteek naar de Floraliënsite. Hoe heb jij die verhuis beleefd?

Marc De Cock: Ik heb er niet aan meegewerkt. Vanaf het najaar van 1995 beperkte mijn engagement zich tot het bijwonen van de vergaderingen van de raad van beheer van de V.M.H.K. Dat de museummedewerkers en de personeelsleden en vrijwilligers van de Vereniging voortaan in een en dezelfde ruimte zouden werken, vond ik geen goede ontwikkeling.

K.B./D.P.: Uit verslagen van de raad van beheer van de V.M.H.K. die we hebben kunnen consulteren in het archief van Roger Matthys blijkt dat de spanningen tussen de Vereniging en Jan Hoet gauw hoog opliepen. Steen des aanstoots was het autonome expositieprogramma van de Vereniging.

M.D.C.: Dat de V.M.H.K. zelf tentoonstellingen op poten zette, ergerde Hoet reeds geruime tijd. De raad van beheer hield echter voet bij stuk. Een meerderheid van de bestuurders vond dat aan de traditie van een eigen programma niet mocht worden getornd.

K.B./D.P.: Uiteindelijk werd een commissie gevormd om een voorstel in verband met het tentoonstellingsprogramma uit te werken. De commissie bestond uit museummedewerkers – Hans Martens en Bart De Baere – en leden van de V.M.H.K. – Philippe Kempeneers, Dirk Schutyser en Marc Van de Velde.

M.D.C.: De autonomie van de Vereniging kreeg een serieuze deuk. Voordien waren weliswaar reeds exposities op aangeven van Hoet en zijn stafleden in de ruimte van de Vereniging tot stand gekomen, maar het was ongezien dat museummedewerkers op permanente basis vorm zouden geven aan het programma van de Vereniging.

K.B./D.P.: In de depotruimte van het M.H.K. vond op het einde van 1996 de tentoonstelling De Rode Poort plaats. Voor het eerst kreeg het publiek de kans om de nieuwe opslagruimte te bezoeken — tevens een kennismaking met de Floraliënsite waar de verbouwing van het Casino werd voorbereid. Welke herinnering heb jij aan die tentoonstelling?

M.D.C.: Mij is vooral het spektakelgehalte van De Rode Poort bijgebleven. De Chinese kunstenaar Cai Guo-Qiang ontstak een vuurwerk in de tentoonstellingsruimte. Er waren performances. Het was een indrukwekkend gebeuren.

K.B./D.P.: Uit het verslag van de raad van beheer d.d. 10 juni 1997 blijkt dat reeds in de lente van 1997 gesprekken hebben plaatsgevonden met het Gentse College van Burgemeester en Schepenen over de opvolging van Jan Hoet als conservator van het Museum van Hedendaagse Kunst. Hoet was toen nog vier jaar verwijderd van zijn pensioen. Waarom werd zijn opvolging reeds geagendeerd in 1997?

M.D.C.: Bij die besprekingen met Burgemeester Beke was ik niet aanwezig. Ik herinner me wel dat Hoets afscheid vaak onderwerp van gesprek was in de raad van beheer.

K.B./D.P.: In diezelfde vergadering werd ook overlegd over een studieopdracht rond het behoud en het beheer van hedendaagse kunst. Minister van Cultuur Luc Martens wilde die opdracht toevertrouwen aan de V.M.H.K. Waarom werd de Vereniging hiervoor aangezocht?

M.D.C.: Toen de Vlaamse Gemeenschap beslist had om de verbouwing van het Casino te subsidiëren, was de Vereniging benaderd om de toegezegde middelen te beheren — 35 miljoen Belgische frank [875.000 €]. In verband met de studieopdracht werd dezelfde constructie opgezet. Het onderzoek werd verricht onder leiding van museummedewerkers, maar de financiële afhandeling kwam voor rekening van de Vereniging. Ook voor de externe opdrachten van Jan Hoet fungeerde de Vereniging steeds vaker als doorgeefluik. Onproblematisch was dit niet: de Vereniging diende steeds meer financiële middelen te beheren waarover het geen zeggenschap had. De financiële verwevenheid tussen Museum en Vereniging werd steeds groter, de boekhouding van de V.M.H.K. almaar complexer. Omdat het voeren van de boekhouding steeds hogere eisen stelde, werd beslist om deze uit te besteden. Omstreeks die tijd werd ook af en toe geopperd dat de V.M.H.K. beter zou worden geleid door een manager.

K.B./D.P.: Niet alleen het Museum was vragende partij om gelden via de Vereniging naar het Museum te sluizen, ook de Vlaamse Gemeenschap was die oplossing blijkbaar genegen. Welke houding nam de Stad Gent aan?

M.D.C.: Het College van Burgemeester en Schepenen kon zich in deze regeling vinden. Het verzette er zich bijvoorbeeld niet tegen dat de cafetaria en de bookshop van het toekomstige museum door de Vereniging zouden worden beheerd. Verschillende bestuurders hebben zich met deze dossiers beziggehouden in de aanloop naar de opening van het Museum.

 

2.

K.B./D.P.: Op 14 mei 1998 vond een belangrijke persconferentie plaats. Niet alleen de openingsdatum van het Museum werd bekendgemaakt – 6 mei 1999 – maar ook de nieuwe naam: Stedelijk Museum voor Actuele Kunst (S.M.A.K.).

M.D.C.: De Vereniging had van haar kant besloten om tijdens dit persmoment de lijst bekend te maken met de werken die ze zou schenken aan het S.M.A.K. Niet alle werken die de Vereniging had verworven in de voorbije veertig jaar werden echter overgedragen.

K.B./D.P.: Waarom niet?

M.D.C.: We vonden het belangrijk om een aantal strategische werken – zoals de Miroir d'époque regency (1973) van Marcel Broodthaers – achter de hand te houden. Mocht de relatie met de Stad Gent onverwacht verzuren – bijvoorbeeld naar aanleiding van de opvolging van de conservator – dan had de V.M.H.K. een stok achter de deur.

K.B./D.P.: De opvolging van Jan Hoet bleek dus andermaal mee te spelen bij het nemen van een strategische beslissing, terwijl er nog ruim drie jaar moesten verstrijken vooraleer het zover was.

M.D.C.: Over zijn opvolging is heel vaak gepalaverd. Uiteindelijk besloot de Vereniging Hoets wensen in te willigen.

K.B./D.P.: Hoets eisen konden tellen! In een verslag van de raad van beheer zijn ze netjes opgesomd. Hij wilde niet alleen dat een internationaal samengestelde jury zou oordelen over de kandidaten, hij wou zelf ook in de selectiecommissie zetelen. Dat de kandidaten niet enkel Vlamingen zouden zijn, was een andere wens. Wilde het College alle eisen inwilligen?

M.D.C.: Ik heb altijd opgevangen dat de gesprekken hierover in een goede sfeer verliepen. Enkel de vereiste dat de toekomstige conservator de Nederlandse taal machtig moest zijn, bleef terugkomen als een mogelijk struikelblok.

K.B./D.P.: Op 6 mei 1999 vond de opening van het S.M.A.K. plaats. Waar de Vereniging 42 jaar voor gestreden had, werd eindelijk gerealiseerd.

M.D.C.: Het was een heuglijke dag. De belangstelling voor het nieuwe museum was overweldigend. Tienduizenden mensen bezochten het S.M.A.K. in de eerste maanden. Het enthousiasme voor de zaak van de hedendaagse kunst was enorm. De Vereniging deelde in het succes. Ze beschikte over een eigen tentoonstellingsruimte in de vleugel waar ook de depotruimte van het S.M.A.K. te vinden was. Zowel voor het S.M.A.K. als voor de Vereniging was 6 mei 1999 een mijlpaal.

K.B./D.P.: Waren de dossiers van de cafetaria en de bookshop naar voldoening afgesloten?

M.D.C.: Voor de cafetaria was een bevredigende oplossing gevonden. Bernard Filliers en Jos Vandermolen hebben er zich enorm voor ingezet. Er was een overeenkomst bereikt met Palm en Duvel, die als sponsors samen een aardig bedrag inbrachten. De uitbating van het café werd toevertrouwd aan de zoon van Jan Hoet, die zich ermee akkoord had verklaard om maandelijks een bedrag af te dragen aan de V.M.H.K.

K.B./D.P.: Werden er vragen gesteld over het feit dat de zoon van de conservator de leiding zou hebben over de cafetaria?

M.D.C.: In de wandelgangen waren twijfels te horen. Laten we het erop houden dat er weinig enthousiasme was om met Jan Hoet junior in zee te gaan.

K.B./D.P.: En het dossier van de bookshop?

M.D.C.: Bij de opening van het S.M.A.K. beschikte het museum nog niet over een boekenwinkel. Samen met Jos Vandermolen, Bernard Filliers en André Goeminne engageerde ik me om een oplossing uit te werken. Maarten Van Severen had een ontwerp gemaakt voor de balie, de bibliotheek en de bookshop van het museum. Hilde Peleman van boekhandel Copyright had na lang aarzelen interesse betoond om de shop uit te baten. Haar voorwaarde was dat de Vereniging zelf ook in het project zou stappen. We bereikten hierover overeenstemming. Het was vanaf het begin de bedoeling dat de bookshop in de museumhal zou worden ingericht, zodat ook niet-museumbezoekers toegang hadden tot het boekenaanbod. Op het allerlaatste moment blies Hoet het akkoord echter op. Plots wilde hij niet langer dat de bookshop op die plaats zou komen. De hal moest een 'flexibele ruimte' worden. De twee partijen waarmee we moeizame onderhandelingen hadden gevoerd – Hilde Peleman van Copyright en Maarten Van Severen – trokken zich daarop terug. De relatie tussen de Vereniging en het Museum stond weer onder hoogspanning. Er vielen harde woorden.

K.B./D.P.: Uit een verslag van de raad van beheer blijkt dat Hoet niet lang voordien had voorgesteld om een dagelijks bestuur te installeren. Urgente beslissingen inzake het Museum en de Vereniging moesten volgens hem voortaan door een klein comité worden genomen. Ook het idee van de aanwerving van een manager werd opnieuw op de agenda geplaatst. Waarom?

M.D.C.: Er speelden mijns inziens meerdere overwegingen. Ten eerste werd nog meer dan voorheen in financiële en commerciële termen gesproken over de samenwerking tussen de V.M.H.K. en het S.M.A.K. Ik herinner me dat gesteld werd dat het Museum en de Vereniging moesten worden geleid als een 'bedrijf'. Daarnaast wilde Hoet de inspraak van de beheerraad van de Vereniging inperken. Er werd in elk geval aangestuurd op minder vergaderingen van de raad van bestuur.

K.B./D.P.: Op het einde van 1999 werd consultant Marc Van den Broeke gevraagd om de V.M.H.K. en het S.M.A.K. door te lichten en een taakomschrijving van de manager op te stellen.

M.D.C.: Dat klopt. Ook de Stad liet zich niet onbetuigd. Het College liet verstaan de aanstelling van een zakelijk directeur genegen te zijn.

K.B./D.P.: Het dagelijks bestuur werd in de lente van 2000 verkozen. Namens de V.M.H.K. zetelden voorzitter Dirk Schutyser en Bernard Filliers. Het Museum werd vertegenwoordigd door Jan Hoet. Ook Marc Van den Broeke, die inmiddels als tijdelijk manager was aangesteld, maakte er deel van uit. Dirk Schutyser besloot daarop een bijzondere raad van beheer samen te roepen om het te hebben over de missie van de Vereniging. Welke beslissingen werden genomen?

M.D.C.: De voorzitter kreeg een volmacht om een werkgroep samen te stellen die voorstellen moest doen over het beheer van de Vereniging. Tevens werd beslist dat de Vereniging een andere ruimte toegewezen zou krijgen. Voortaan zou zij ín het museum huizen, namelijk in de achterste ruimte, met zicht op de Floraliënhal. Het expositieprogramma van de Vereniging was eerder al opgeschort. De ruimte die de V.M.H.K. tot dan toe betrokken had, was door de brandweer als onveilig bestempeld.

K.B./D.P.: Wie maakte deel uit van de werkgroep die de opdracht van de V.M.H.K. moest herijken?

M.D.C.: Middels een brief maakte voorzitter Schutyser de namen van de leden bekend: Marc Van den Broeke, Sam Eggermont — die Van den Broeke had geassisteerd bij de doorlichting van het Museum en de V.M.H.K. — Bart De Baere, Adrien De Vos (lid van de Toezichtscommissie van het S.M.A.K.), Dany Vandenbossche en Jan Vermassen.

K.B./D.P.: Op 12 september 2000 zou het voorstel van de werkgroep besproken worden door de raad van beheer. Nog voor die vergadering plaatsvond, was er echter een opmerkelijk bericht in de kranten te lezen. Jan Hoet zou na zijn pensionering op 1 juli 2001 in dienst komen van de Vereniging en zijn taken als conservator gewoon voortzetten! De opvolging waarover zo vaak gesproken was, werd uitgesteld! Ook raakte bekend dat Paul Corthouts zou worden aangesteld als zakelijk directeur.

M.D.C.: Het was een donderslag bij heldere hemel.

K.B./D.P.: Jij had die benoemingen helemaal niet zien aankomen?

M.D.C.: Ik was niet alleen, mijn collega's waren even verrast. Kennelijk waren de belangrijkste beslissingen al genomen nog voor de raad van beheer was samengeroepen! Enkele beheerders waren zo verbolgen dat ze ontslag namen. Marc Van de Velde, Martine Debruyne en Julien Revis stapten op. Hen bleef aldus de grootste verrassing bespaard.

K.B./D.P.: Welke?

M.D.C.: Op voorstel van de werkgroep werd de volledige raad van beheer ontslagen! Op een buitengewone algemene vergadering in het voorjaar van 2001 zou een nieuwe beheerraad worden benoemd. De raad van bestuur van de Vereniging die aan de wieg had gestaan van het Museum van Hedendaagse Kunst en het latere Stedelijk Museum van Actuele Kunst was volledig geëlimineerd! Ik herinner me dat we na de vergadering van de raad van bestuur beduusd op de stoep voor het museum stonden, ervaren bestuurders zoals Jos Vandermolen, André Goeminne, Paul Thiers en oudgediende Herman Burssens, die nog bij de oprichting van de V.M.H.K. betrokken was geweest. Wat was ons overkomen, vroegen we ons af. Langzaamaan drong tot ons door dat we uit onze eigen vereniging waren gezet!

K.B./D.P.: Het statutaire doel van de V.M.H.K. was bereikt. Er was een museum van actuele kunst opgericht dat bovendien over een autonoom gebouw beschikte. Was het niet logisch dat de opdracht van de Vereniging onder de loep werd genomen?

M.D.C.: Uiteraard, maar waarom moesten de personen worden afgedankt die decennialang de oprichting van een museum van hedendaagse kunst hadden nagestreefd. Hoe was het mogelijk dat zovele liefhebbers van hedendaagse kunst, die bovendien in sommige gevallen uitstekende verzamelaars waren, eenvoudigweg buitenspel werden gezet? Toen de V.M.H.K. in 2007 haar vijftigjarig bestaan vierde, bleven de meeste voormalige beheerders afwezig.

K.B./D.P.: In 2010 werden de drie laatste voorzitters van de Vereniging benoemd tot erevoorzitter van de Vrienden van het S.M.A.K. – Roger Matthys, Dirk Schutyser en jijzelf. Hoe beleefde je die late erkenning?

M.D.C.: We hebben het aanvaard, maar waarom moest het prachtige verhaal van de Vereniging op deze manier eindigen?

 

Met dank aan Roger Matthys (1920-2016) en Nele Vanhoutte.

 

Transcriptie: Eva Decaesstecker

Redactie: Koen Brams

 

* De eerste vijf delen van het interview met Marc De Cock, over de periodes 1961-1965, 1965-1974, 1974-1982, 1982-1989 en 1989-1995 werden gepubliceerd in De Witte Raaf nrs. 168, 171, 180, 181 en 183.