Maarten Liefooghe

DE WITTE RAAF

Editie 184 november-december 2016

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Prouvé(s) in Brussel

De afgelopen maanden pakten twee private tentoonstellingsplekken voor hedendaagse kunst in Brussel elk uit met een tentoonstelling waarin werk van de Franse constructeur-architect-designer Jean Prouvé (1901-1984) centraal stond. Art floor La Patinoire Royale in Sint-Gillis bracht het afgelopen half jaar de verkoopstentoonstelling Prouvé-Takis, deux génies d’utopie. Gegeerde meubels, een deur, een brise-soleil-element en andere items uit Prouvés catalogue raisonné werden hier gecombineerd met kinetische sculpturen van de Grieks-Franse kunstenaar Takis. De blikvanger was een paviljoen in staal, aluminium en glas dat Prouvé, samen met architect Espinasse, rond 1957 voor een school in Clermont-Ferrand bouwde. De constructie op basis van geprefabriceerde onderdelen omvatte twee klaslokalen, die slechts van elkaar gescheiden werden door een gordijn ter hoogte van de stalen portiek in het midden van het gebouw, zodat het schoolgebouwtje ook als één open ruimte kon werken. Het paviljoen werd in 2007 verworven door de galerist-verzamelaar François Laffanour, de uitbater van Galerie Downtown in Parijs. Die is, net als de bekendere galerie van Patrick Séguin, een belangrijke makelaar in Prouvés werk. Daarmee kreeg het geprefabriceerde paviljoen de status van een kunstobject dat vrij kan circuleren op de kunstmarkt. Nu is voor het eerst een publieke remontage van het ‘object’ te zien. Laffanour werkte voor deze gelegenheid samen met de Brusselse galerie Valérie Bach, die samen met Constantin Chariot de Patinoire Royale openhoudt. De gerestaureerde constructie van Prouvé werd centraal opgesteld in de imposante hal van deze voormalige rolschaatsbaan, die voor de gelegenheid was omgetoverd in een vreemdsoortig en luxueus binnenlandschap. Sparren in grote bloembakken, een bassin met Japanse karpers, maar ook Takis’ geanimeerde sculpturen leken er in stelling gebracht om de ontworteling van het gebouwtje en zijn paradoxale tentoonstellingssituatie enigszins te doen vergeten. Het betekeniseffect van deze kunstmatige setting gaat echter verder dan het maskeren van de gebouw-in-gebouw-paradox: nadat het voormalige schoolpaviljoen herleid werd tot een object van Prouvé, wordt het nu naar voor geschoven als een mogelijke pool house of een grote cabane voor tuinfeesten. Bezoekers konden alvast rond het paviljoen (met vijver) lopen, in het nagenoeg lege paviljoen binnengaan, het aanraken, of het eventueel kopen (voor twee en een half miljoen euro). Takis’ werken, waarin elektromagnetische velden of andere fysische fenomenen op verrassende manieren visueel uitgebuit worden, werden herleid tot sfeermakers in de marge. Tussen de architectuur van Prouvé en de sculpturen ontstond geen dialoog. Niet alleen was de opstelling van het schoolpaviljoen hiervoor te dominant, het meubilair en de bouwstukken van Prouvé wrongen ook met de witte toonzaal, waarin Takis’ kunst veel beter gedijt.

In september opende het CAB Art Center in Elsene op zijn beurt het eerste deel van een tentoonstellingsdrieluik dat eveneens rond een verplaatste constructie van Prouvé is opgebouwd. In de gewitte voormalige kolenopslagplaats waarin CAB gevestigd is, staat een jaar lang een noodwoning opgesteld die door Prouvé in 1944 werd ontwikkeld. Het pavillon démontable pour les sinistrés de guerre is een van een vierhonderdtal noodwoningen van verschillende types die Prouvé in opdracht van de Franse overheid bouwde voor oorlogsslachtoffers uit de Elzas en Lotharingen. Een dergelijke woning kan door twee monteurs in een mum van tijd opgebouwd worden. De verwisselbare houten invulwanden – met of zonder vensters met luikjes – zien er veel minder modern uit dan de panelen uit aluminium en glas van het schoolpaviljoen uit Clermont-Ferrand. Maar de constructie met zelfdragende modulaire wanden rond een centrale portiek uit geplooid plaatstaal, die het gebouw stabiliteit verleent en het dak draagt, is vergelijkbaar met de constructie van het schoolpaviljoen, en niet minder revolutionair. Een keurig opgefrist exemplaar van dit kleinste type noodwoning kwam recent, en eveneens via Laffanour, in de collectie terecht van verzamelaar-zakenman Hubert Bonnet die CAB in 2012 opende. Voor het tweede en derde deel van het tentoonstellingsproject zullen telkens hedendaagse kunstenaars worden uitgenodigd om te reageren op deze constructie en op het werk van Prouvé in het algemeen.

De eerste aflevering, Jean Prouvé Demountable House 6x6m, leek vooral bedoeld om de figuur van Prouvé en het gebouwtje zelf voor te stellen. De noodwoning, waarvan enkele ontbrekende houten panelen werden vervangen door moderner aandoende vensters van vloer tot plafond, stond alleen in de lege tentoonstellingshal, maar werd elders in het gebouw wel discursief omkaderd met kleine presentaties. In de lobby vond de bezoeker onder meer enkele publicaties over Prouvé en werden twee korte documentaires vertoond, gemaakt door studenten en onderzoekers van La Cambre – bij CAB om de hoek – op basis van uiteenlopend archiefmateriaal. Achter de grote hal draaide nog een langere film over Prouvé, geproduceerd door Séguin. Ook de voorzichtige bijdrage Intervention A: Prouvé, door geluidskunstenaar Roel Heremans bedacht als reactie op deze eerste presentatie, droeg bij tot een zekere kritische contextualisering. Via instructies in een audiogids leidt Heremans de bezoeker rond door de tentoongestelde noodwoning. Nu eens ondersteunt hij een denkbeeldige verplaatsing van de toehoorder in tijd en ruimte, dan weer werkt hij de fantasmatische immersie tegen. Bezoekers die Heremans’ instructies opvolgen, worden onvermijdelijk met elkaar geconfronteerd en dus voor elkaar tot toeschouwer-acteur getransformeerd. Dat nodigt uit tot reflecties over de dubieuze status van deze tentoongestelde noodwoning en over de drijfveren van de bezoekers. Heremans’ kritische spel staat echter in schril contrast met de manier waarop de curatoren de noodwoning als een soort stijlkamer hebben ingericht. Net als in La Patinoire werd een aanstootgevende ambiance geschapen, dit keer niet rond het gebouw, maar in het interieur. Hier wordt geen mogelijk herbestemmingsscenario voor een potentiële koper geënsceneerd, maar hebben de curatoren nogal achteloos een huiselijk beeld opgeroepen. In sociaalhistorisch opzicht houdt deze evocatie echter geen steek. De lichte binnenwanden die het vierkante platform van zes bij zes meter destijds opdeelden in een leefruimte en twee kleine kamers, zijn weggelaten. In wat nu één grote leefruimte lijkt, staan talrijke designstukken uit de jaren veertig, vijftig en zestig opgesteld van onder anderen Prouvé, Jeanneret en Nakashima, alle afkomstig uit de verzameling van Bonnet. Een rondslingerende bril, uitgestrooide familiefoto’s en andere dagelijkse objecten suggereren bewoning – maar alvast niet van de sinistrés uit Elzas-Lotharingen.

Het cliché wil dat architectuur tentoonstellen een hachelijke zaak is – een gebouw laat zich niet gemakkelijk verplaatsen of los van zijn inplanting begrijpen; andere tentoonstellingsmedia zouden de ruimtelijke ervaring en de werkelijkheid van bricks and mortar oneer aandoen; en het visuele tentoonstellingsregime zou al snel te veel abstractie maken van het dagelijks gebruik en de maatschappelijke verwachtingen waarin architectuur haar bestaansrecht vindt. Een ander cliché stelt dan weer dat het exposeren van architectuur op schaal 1:1 alvast wel nog de ruimtelijkheid en soms ook de materialiteit van een gebouw kan overbrengen. In de eerste episode van het Prouvé-drieluik in CAB blijkt echter dat de aanwezigheid van een betreedbare historische constructie nog geen garantie is voor goed tentoongestelde architectuur. Om zo'n presentatie geloofwaardig te maken, is ook een bedachtzame curatoriële strategie nodig. Heremans’ artistieke interventie bevat daarvan een kiem, maar is op zich te vrijblijvend en slaagt er evenmin in om de urgentie van Prouvés architectuur naar voor te halen. CAB geeft zichzelf alvast nog twee kansen om op dat vlak, opnieuw met hedendaagse kunst, beter te doen.

 

Jean Prouvé: Experience the Demountable House (deel 1: Jean Prouvé Demountable House 6x6m, 9 – 24 september; deel 2 opent op 8 november, deel 3 loopt van april tot juni 2017), CAB Art Center, Borrensstraat 32-34, 1050 Elsene (02/644.34.32; 0477/88.39.46; cab.be).

Prouvé-Takis, 22 april – 22 oktober 2016, La Patinoire Royal, Veydtstraat 15, 1060 Brussel (02/533.03.90; lapatinoireroyal.com).