Louis De Mey

DE WITTE RAAF

Editie 187 mei-juni 2017

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Yves Klein – Theater van de leegte

In 1966, vier jaar na de vroegtijdige dood van Yves Klein (1928-1962), noemde kunstcritica Lucy R. Lippard hem 'het meest invloedrijke lid van de Nouveaux Réalistes'. Deze groep werd enkele maanden na de expo Nouveau Réalisme in 1960 te Milaan opgericht en bestond uit onder anderen Yves Klein, Jean Tinguely, Raymond Hains, Jacques Villeglé, Raoul Dufrêne en Arman. De criticus Pierre Restany trad op als woordvoerder. In 1961 organiseerden de Nouveaux Réalistes de expositie 40° au-dessus de Dada in Restany’s Galerie J. in Parijs, waarmee ze zich rechtstreeks in de traditie van het dadaïsme plaatsten. Het Nouveau Réalisme betekende zeker geen breuk met de moderne kunst uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Dada en het surrealisme, die in Parijs nog steeds aanwezig waren, werkten erin door. Alledaagse voorwerpen – zoals in Duchamps readymades – vormen de basis van de assemblages van Arman, de afgescheurde posters van Hains, de machines van Tinguely en de in blauwe verf gedrenkte sponzen van Yves Klein.

In de tentoonstelling Yves Klein – Theater van de leegte in BOZAR wordt de iconische figuur Yves Klein nauwelijks in zijn context geplaatst. Zijn lidmaatschap van de groep Nouveaux Réalistes komt slechts één keer expliciet ter sprake, in de biografie aan het begin van de tentoonstelling. Ook de link met figuren als Lucio Fontana en de ZERO-beweging wordt niet uitgespit. Nochtans legt de expositie een lichte nadruk op de spirituele inslag in het werk van Yves Klein, en op dat vlak zijn er heel wat parallellen aan te wijzen tussen Fontana’s Concetto spaziale en Kleins zoektocht naar picturale ‘diepte’.

Hoewel het vaak niet productief is om kunstenaars in stromingen of groepen onder te brengen, aangezien het de individuele verwezenlijkingen naar de achtergrond kan verdringen, is een situering binnen het Nouveau Réalisme in dit geval noodzakelijk. Tekenend is bijvoorbeeld dat Klein, geheel in lijn met de filosofie van de groepering, zichzelf niet als een abstract, maar als een realistisch schilder zag: 'Ik ben een schilder van ruimte. Ik ben geen abstract schilder, maar een representerende en realistische.' Door te streven naar een pure kleur wilde Klein niet alleen aan het figuratieve, maar ook aan de codes van de abstracte schilderkunst voorbijgaan. Een tweede aspect dat de context van de Nouveaux Réalistes relevant maakt, is de zoektocht naar een herdefinitie van de dialectiek tussen schilderkunst en sculptuur. Illustratief hiervoor is het oeuvre van Arman, maar ook de samenwerking Excavatrice de l’Espace (1958) tussen Yves Klein en Tinguely kan hier worden aangehaald. In zijn bekende essay Specific Objects uit 1964 merkt Donald Judd op dat het beste recente werk dat hij te zien kreeg in die periode, het midden hield tussen schilderkunst en beeldhouwkunst. Hij haalt in dat verband de monochromen van Yves Klein aan, en beklemtoont het objectmatige en sculpturale karakter ervan. Ook in Kleins 'sponzenreliëfs' zien we een duidelijke zoektocht naar de haptische eigenschappen, de ‘tactiliteit’ van het schilderij; en Portrait-relief d'Arman uit 1962 bestaat uit een blauw beeld dat werd gemonteerd op een gouden schildersdoek, en zo sculptuur en schilderkunst letterlijk verbindt.

In plaats van zo'n contextuele benadering kiest deze tentoonstelling ervoor in te zoomen op vier topics: de conceptie van de monochrome werken (‘Yves le monochrome’), de genese van het blauw dat Kleins handelsmerk werd – het 'Yves Klein Blue' (IKB) – de schilderijen met vuur en de anthropometries. Deze anthropometries, letterlijk ‘metingen van het lichaam’, zijn afdrukken van vrouwelijke naakten die beschilderd waren met blauwe verf. De tentoonstelling benadrukt vooral de picturale aspecten van deze werken en besteedt weinig aandacht aan de manier waarop Klein het kunstwerk ermee herdefinieerde. Door zijn doeken volledig te bedekken in één kleur en ze daarnaast een zekere dikte en een rijke textuur te geven, trachtte Klein de kleur zélf fysiek aanwezig te stellen. Hij maakte de kleur – en daarmee ook het schilderij – tastbaar.

De anthropometries zijn naast schilderijen ook het eindproduct van de belangrijkste performances die Klein opvoerde. Deze vormen een tweede aandachtspunt van de tentoonstelling. Met films en veel fotografisch materiaal — dat Klein zelf erg controleerde en inzette als publicatiemedium — worden ze duidelijk gedocumenteerd en tonen ze toch ook de veelzijdigheid van Yves Klein. Als een dirigent — even onberispelijk gekleed in smoking, met witte handschoenen — liet hij naakte vrouwen zichzelf beschilderen met blauwe verf om ze dan naar een doek te leiden en een afdruk van zichzelf op het canvas te laten maken. Van vernissages maakte hij heuse gebeurtenissen, reeds enkele jaren voor de happenings van de Fluxusbeweging, en als geen ander creëerde hij een media persona voor zichzelf. Van het oplaten van blauwe ballonnen op een opening in 1957 tot het opvoeren van een lege galerie met blauw geschilderde ramen (Le Vide in 1958 in de Parijse Galerie Iris Clert): Klein trachtte zijn publiek nauw te betrekken bij zijn ‘blauwe revolutie’.

De scenografie van de tentoonstelling in BOZAR is van Isabelle Speybrouck. Haar voornaamste ingreep bestaat uit het aanbrengen van een voorzetwand aan één kant van het volledige parcours. Van elke ruimte wordt zo een deel afgesneden. Hoewel de scenografie daarmee een geslaagde poging doet om komaf te maken met de monumentale symmetrie van de enfilade, waarschijnlijk in de hoop Kleins werken te vrijwaren van de burgerlijke statigheid die verbonden is met de traditie van de schilderkunst, worden de monochromen toch op een erg klassieke manier gepresenteerd, zij aan zij en behoorlijk dicht op elkaar. Welke meerwaarde heeft het om vijf monochromen in IKB vlak naast elkaar te hangen? Kleins werk wordt zo in de erg beperkende traditie van de schilderkunst geplaatst, terwijl het hem niet ging om het doek als schilderij, maar als drager van puur pigment met een ongeziene diepte, waarbij de afmetingen van het canvas van bijkomstig belang waren.

 

Yves Klein. Theater van de leegte, tot 20 augustus in BOZAR, Ravensteinstraat 23, 1000 Brussel (02/507.83.91; bozar.be).