Inge Huskens

DE WITTE RAAF

Editie 187 mei-juni 2017

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Prints in Paris 1900. Van elitair tot populair

In 2000 verwierf het Van Gogh Museum in Amsterdam achthonderd Franse prenten uit een Duitse particuliere collectie. Sindsdien is grafiek uit het fin de siècle (1890-1905) een zwaartepunt in het onderzoeks-, verzamel- en tentoonstellingsbeleid. Vorig jaar lanceerde het museum een onlinedatabase waarin zijn volledige collectie – intussen ruim 1800 prenten – is ontsloten. Het onderzoek dat met dit digitaliseringsproject gepaard ging, gaf het museum voldoende nieuwe inzichten om een overzichtstentoonstelling te organiseren. Met Prints in Paris 1900. Van Elitair tot Populair heeft Fleur Roos Rosa de Carvalho, conservator werken op papier, gekozen voor een cultuurhistorische opstelling die de diverse vormen van de prentkunst in kaart brengt: van decadent tot volks, van intiem tot publiek en – zoals de titel aangeeft – van elitair tot populair.

De tentoonstelling begint met een affiche door Eugène Grasset voor het tijdschrift l’Estampe et l’affiche waarin twee vormen van prentkunst worden verbeeld aan de hand van typen uit de Parijse bevolking: een uitdagend gekleed meisje van de straat verpersoonlijkt de 'populaire affiche', terwijl de elitaire prentkunst wordt belichaamd door een dame met hooggesloten jurk die haar luxueuze prentenmap vastklemt. Deze tweedeling, die per slot van rekening sturend is, zou beter in de inleidende zaaltekst worden toegelicht dan in een onopvallend titelkaartje.

Na deze gemiste start belicht een eerste luik onder de titel Prentkunst voor de elite hoe de avant-garde de prentkunst als volwaardige, zelfstandige kunstvorm ging beschouwen. De prenten, decoratieve creaties en affiches van Toulouse-Lautrec en Bonnard moeten op het vlak van artistieke kwaliteit niet onderdoen voor hun schilderijen, en dus worden ze broederlijk naast elkaar getoond. Aangezien kunstprenten doorgaans in intieme kringen circuleerden, zijn er drie contemporaine interieurs ingericht met imitatielambrisering- en behang, maar ook met enkele opvallende eigentijdse meubelstukken. Het thema van de eerste kamer luidt Decoratieve schoonheid, en heeft de reeks Interieur met roze behang I, II en III uit de serie Paysages et intérieurs van Edouard Vuillard als hoogtepunt. Het versierde behang is tot hoofdonderwerp verheven; het vormt het verbindend element van het drieluik en vloeit haast samen met het druk beklede interieur van de zaal.

Het interieur van de verzamelaar laat in de volgende kamer zien hoe de zogeheten amateurs genoten van hun kostbare prenten. Het pronkstuk is de imposante boekenkast met een apart compartiment voor prentenmappen, een bruikleen van Musée d’Orsay, maar interessanter is de combinatie van Jan Toorops schilderij De prentenliefhebber en de prent Marcelle Lender en buste van Henri Toulouse-Lautrec. In Toorops doek zijn we getuige van een intiem moment: een prentenverzamelaar bestudeert in alle rust de kleurenlitho van Lautrec, zonder passe-partout en met blote handen. Het feit dat een kunstprent van dichtbij kan worden bekeken en vastgenomen om alle subtiele details te vatten, droeg destijds bij aan de fascinatie voor dit medium. Het is een meerwaarde dat er een map met reproducties is voorzien om dit gevoel zelf te kunnen ervaren.

In De duisternis van het interieur is de kamer gevuld met zwart-witprenten van Odilon Redon, Félix Vallotton en Eugène Carrière met meditatieve, mysterieuze en zelfs erotische onderwerpen. Dergelijke prenten boden de verzamelaar een denkbeeldig venster naar donkere werelden ver weg van de 'lichtstad' Parijs. Het meest intrigerende werk is Lezen na het bad van Degas: een unieke druk – in vakjargon monotype genoemd – waarbij de kunstenaar een naakte vrouwenfiguur uit het zwart geïnkte vlak liet opdoemen.

Rond de drie kamers lopen gangen waar diverse neventhema’s worden behandeld. Zo wordt belicht hoe moderne instellingen als La Revue blanche en Théâtre de l’oeuvre de nieuwste prentkunst inzetten om hun teksten en voorstellingen te illustreren en hoe ze de prenten tegelijkertijd als exclusieve verzamelobjecten aan hun abonnees presenteerden. De delicate kleurenlitho Loïe Fuller van Lautrec verscheen weliswaar in een oplage van zestig, maar elke afdruk was uniek. Drie licht afwijkende versies, waarin handmatig zilver- en goudstof werden aangebracht, worden met recht en rede getoond op een aparte wand met de titel Unieke drukken.

Op de eerste verdieping wordt het tweede luik, Prenten voor de straat, krachtig aangevat met de levensgrote reclameaffiche De straat door Steinlen. Door zich ook toe te leggen op deze gebruiksgrafiek sloeg de avant-garde een brug tussen hun kunst en het publieke stadsleven. De metershoge uiterste wanden van de zaal zijn gevuld met kleurrijke affiches die destijds vaak tegen hoge gebouwen hingen. Aan de ene kant van de verdieping prijzen de affiches artikelen aan, aan de andere kant bewieroken ze eigentijdse artiesten. Een geslaagd opzet. Eigenaardig is de affiche van Jules Chéret voor de Théâtrophone, volgens de tekst door een verzamelaar van de straat geplukt en met zijn patina van vouw- en scheursporen als volwaardig kunstobject gekoesterd. Als onderdeel van het tweede luik toont In de kiosk de veelheid aan tijdschriften, die nog meer werkgelegenheid boden aan opkomend talent. Diverse tijdschriftomslagen ontworpen door Steinlen, Ibels en Vallotton geven een indruk. Vergelijkbaar is de bladmuziek, inferieur drukwerk met volkse liedjes geïllustreerd door dezelfde resem kunstenaars. Iets verder mag de iconische affiche Le Chat Noir van Steinlen niet ontbreken. Er is een aparte hoek gewijd aan de wisselwerking tussen het schaduwtheater dat de affiche aanprijst en de vormentaal van de prentkunst.

Na de hoge, open zaal volgt nog een laatste  huiselijke ruimte waarin blijkt dat ‘elitair’ en ‘populair’ dichter bij elkaar lagen dan de tentoonstelling aanvankelijk suggereert. Er ontstond een bloeiende handel van gebruiksgrafiek, uitgegeven als luxueuze verzameledities, vaak zonder tekst, letterlijk avant-la-lettre, in beperkte oplage en soms met de hand gesigneerd. Hier worden mooie voorbeelden getoond van populaire prenten in een elitair jasje. Zo is de lithographie Le calme plat van Henri Rivière uiterst charmant. Deze grote prent – in zachtere tonen dan straataffiches van dit formaat – schittert in zijn speciaal ontworpen lijst.

Een vrijblijvende aanvulling in een kleine zaal op het tweede niveau verduidelijkt de waaier aan druktechnieken aan de hand van video’s over de drukprocessen en illustratieve prenten met bijhorende houtblok, etsplaat of lithosteen. Centraal staat de drukpers van meester-drukker Auguste Clot, die door zijn intensieve samenwerking met de avant-garde van belang was voor de bloei van de kleurenlithografie tijdens het fin de siècle.

Hoewel de tentoonstelling ontegensprekelijk getuigt van gedegen onderzoek en prachtige prenten toont, slaagt ze er naar mijn idee niet voldoende in om het complexe verhaal van deze prentkunst op een heldere manier uit de doeken te doen. Vooral op de benedenverdieping, met zijn onduidelijk wandelparcours en overdaad aan neventhema’s, zou het devies less is more deugd hebben gedaan. Zou het overigens niet logischer zijn geweest te starten bij de populaire prent – zoals dit medium vandaag de dag uiteindelijk vooral bekend is – om dan via de luxe-edities en ‘gestolen’ affiches geleidelijk de decadente interieurs binnen te sluipen?

 

Prints in Paris 1900. Van Elitair tot Populair, tot 11 juni in het Van Gogh Museum, Museumplein 6, 1071 DJ Amsterdam (020/570.52.00; vangoghmuseum.nl).