Sepp Eckenhaussen

DE WITTE RAAF

Editie 188 juli-augustus 2017

print Print

Hou deze tekst mee gratis beschikbaar.
Stort uw bijdrage.


Of neem een (steun)abonnement.

Gerard Petrus Fieret: Mislukte foto’s bestaan niet

In een labyrintische opstelling toont het Fotomuseum Den Haag ongeveer een honderdtal foto’s van de Haagse kunstenaar Gerard Fieret (1924-2009) uit de periode 1965-1975. Hoewel de werken alle keurig zijn ingelijst, de meeste met smetteloze passe-partout, heeft de opstelling iets explosiefs. Op verschillende hoogtes en op verschillende afstanden van elkaar hangen zwart-witafdrukken in verschillend formaat. Fierets foto’s lijken alles te hebben vastgelegd wat de kunstenaar in het oog kreeg. Ze tonen asbakken, auto’s, lichaamsdelen, winkelpuien, interieurs van cafés en trams. Thema’s die echter opvallend vaak terugkeren zijn Fierets eigen gelaat en vrouwelijke modellen. Naakt en gekleed, en in alle stadia daartussen, figureren de vrouwen als licht erotische trofeeën van Fierets male gaze; het zou om een zoektocht naar de origine van de wereld kunnen gaan – of is het de uitdrukking van de territoriumdrang van de kunstenaar?

Hier en daar worden de beelden aangevuld met een citaat van de kunstenaar, in onopvallende witte letters op de lichtgrijze muur gedrukt: ‘Waar ik naar zoek in fotografie is anarchie: in de context van de conservatieve maatschappij zijn mijn foto’s agressief.’ In een hoek speelt onophoudelijk Jacques Meijers korte film Gerard Fieret, fotograaf (1971), die een impressie geeft van Fierets tegendraadse, misschien inderdaad anarchistische manier van leven en werken: armoedig, rommelig en vooral met lak aan artistieke en technische conventies. Fieret is, zo stelt de voice-overstem, ‘een fotograaf in gevecht met zichzelf’. Met betrekking tot Fierets onconventionele ontwikkelmethode benadrukt de stem echter ook: ‘Een natuurtalent heeft genoeg aan de aangewaaide kennis van het horen zeggen.’ Een muurtekst die conservator Wim van Sinderen citeert, beschrijft de ‘buitenpositie’ die Fieret door zijn ongebruikelijke techniek innam: de kunstenaar had een ‘ongemak jegens de gevestigde fotografenorde: hij [behoort] er niet toe. Althans, hij voelt zich anders.’ Fieret zelf: ‘Ik ben geen Hasselblad-mannetje.’

In de achterste zaal bevindt zich een kleine, ondersteunende expositie bestaande uit een serie fotografische portretten van Fieret door anderen. In wezen kan de gehele hoofdexpositie echter als portret opgevat worden. De enigszins chaotische opstelling, de muurcitaten en de film maken duidelijk dat deze expositie voor een belangrijk deel over de psyche van de kunstenaar gaat. Het is een portret van een geteisterd genie, van een chaotische geest met destructieve, maar toch vooral ook creatieve krachten. Zoals misschien onvermijdelijk is met dit onderwerp, levert de expositie deels een clichébeeld van een modernistisch kunstenaarsgenie. Ze blijft echter niet gevangen in voorspelbaarheid. Fierets vele foto’s tonen een intens en onstuimig experiment met medium, techniek en betekenis.

Opzettelijk onbedreven is een beschrijving die Fierets techniek past. Oplagenummers hebben zijn afdrukken niet, want elke druk is een unicum. In de donkere kamer experimenteerde Fieret op speelse wijze met uitvergroting, kadrering, collage en alternatieve ontwikkeltechnieken. Ook na het afdrukken was Fierets omgang met het materiaal niet bepaald conventioneel. Hij vouwde en scheurde zijn afdrukken en legde ze nat op elkaar te drogen. Eenmaal gedroogd vulde Fieret zijn beelden vaak aan met grote handtekeningen en stempels: ‘Foto en Copyright by G. P. Fieret’. Ook de vele dieren uit Fierets leefomgeving lieten hun sporen na, zowel op de negatieven als op de afdrukken: zijn kat liep eroverheen, muizen knaagden eraan en duiven poepten erop.

Toch kan Fierets fotografie niet achteloos genoemd worden. Beeldrijm, spiegelingen, schaduwspel en symmetrie maken de beelden tot verfijnde composities. Ook de ‘mislukte’ foto’s met wazige of overbelichte beelden worden gekenmerkt door een ‘toevallige’ schoonheid. Een overbelichte straatscène of een portret waarvan het negatief door duivenpoep is aangetast, herinneren de toeschouwer eraan dat het in Fierets foto’s niet (alleen) gaat om documentatie, maar ook om een experiment met vorm, medium en betekenis. De later toegevoegde stempels en handtekeningen doen bovendien geen afbreuk aan de compositie en betekenis van de foto’s, maar vullen die veeleer aan. Een van de vele tentoongestelde zelfportretten is zelfs volledig bedekt met handtekeningen. De twee beeldlagen strijden om de aandacht. Welk is nu het werkelijke zelfportret? In dit werk speelt Fieret een soortgelijk semiotisch spel als Mark Wallinger in zijn serie ‘zelfportretten’: witte doeken met grote, zwarte hoofdletters I met schreef.

Fierets fotografie beperkte zich niet tot het klinische en mechanische proces van fotograferen en afdrukken. Zijn praktijk laat zich omschrijven als een formalistisch experiment zonder vaste regels, dat aanving op het moment van compositie op straat of in de studio en doorliep tot in de doka en daarna.  

Het best komt Fierets uitgesproken materiaalbeheersing tot uiting in een kleine vitrine. Deze toont een drietal van zijn persoonlijke dagboeken, smoezelige ringbanden vol foto’s en met tekst in Fierets haast kalligrafische handschrift. Zoals Rudi Fuchs al eens opmerkte zijn Fierets foto’s misschien wel het best te karakteriseren als ‘dagboekfragmenten in de letterlijke zin van het woord’, waarin de fotograaf op eigengereide en 'territorialiserende' manier zijn chaotische omgeving vastlegde.

 

Gerard Petrus Fieret: Mislukte foto’s bestaan niet, tot 10 september in Fotomuseum Den Haag, Stadhouderslaan 43, 2517 HV Den Haag (070/338.11.44; fotomuseumdenhaag.nl).